Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZREIN:2022:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3673

ECLI: ECLI:NL:TGZREIN:2022:41
Datum uitspraak: 05-08-2022
Datum publicatie: 08-08-2022
Zaaknummer(s): H2021/3673
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht met vier subklachten van ouders tegen neurochirurg grotendeels ongegrond. De neurochirurg wordt verweten dat hij als afdelingshoofd akkoord is gegaan met een melding aan Veilig Thuis door de behandelend kinderoncoloog en dat hij het handelen van de kinderoncoloog heeft gesteund en actief heeft doorgezet. Het college verklaart de hoofdklacht ongegrond, omdat de melding bij Veilig Thuis door de kinderoncoloog (E2021/3672) naar het oordeel van het college niet onterecht is geweest. De subklacht dat de neurochirurg geen verslagen van zijn besprekingen met de ouders in het dossier heeft opgenomen is gegrond, maar het college legt daarvoor geen maatregel op.

Uitspraak: 5 augustus 2022

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing over de op 7 december 2021 ontvangen klacht van:

[A]

wonende te [B]

klaagster

en

[C]
wonende te [B]
klager


gezamenlijk ook te noemen: de ouders

gemachtigde mr. I.E. Zwart te Amsterdam

tegen:

[D]

neurochirurg

werkzaam te [E]

verweerder, hierna ook de neurochirurg

gemachtigde mr. F. van Woerden-Poppe te Bilthoven

1.         De kern van de zaak en de beslissing

1.1       Bij de destijds 9-jarige zoon van de ouders (hierna: de zoon) is op 31 mei 2019 operatief een medulloblastoom (een kwaadaardige tumor in de kleine hersenen) verwijderd. Conform de internationale standaard (het behandelprotocol van de Children’s Oncology Group (COG) ACNS0331) is de zoon daarna voor een vervolgbehandeling met radiotherapie van het centrale zenuwstelsel en chemotherapie naar een kinderoncoloog verwezen. Het protocol bepaalt dat met radiotherapie moet worden begonnen binnen 31 dagen na de operatie. De kinderoncoloog heeft op 20 juni 2019 een melding gedaan bij Veilig Thuis (VT), omdat zij vond dat de ouders zodanig twijfelden over de standaardtherapie, dat zij het een reëel gevaar achtte dat de ouders de therapie niet zouden accepteren, wat voor de zoon fatale gevolgen kon hebben. De neurochirurg is hoofd van de afdeling waarop de kinderoncoloog werkzaam is.

1.2       De neurochirurg wordt weten dat hij als afdelingshoofd akkoord is gegaan met de melding aan VT en niet heeft ingegrepen, dat hij het handelen van de kinderoncoloog heeft gesteund en actief heeft doorgezet, ondanks de veelvuldige verzoeken van de ouders om de druk en dreiging van Veilig Thuis weg te nemen. De ouders hebben daarnaast vier subklachten geformuleerd. De klacht van de ouders tegen de neurochirurg is gelijktijdig behandeld met hun klacht tegen de kinderoncoloog (E2021/3672) over de door haar gedane melding bij VT. Het college verklaart de hoofdklacht ongegrond, omdat de melding bij VT door de kinderoncoloog naar het oordeel van het college niet onterecht is geweest. De subklacht dat de neurochirurg geen verslagen van zijn besprekingen met de ouders in het dossier heeft opgenomen is gegrond, maar het college legt daarvoor geen maatregel op.

1.3       Hieronder vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna wordt geformuleerd hoe de klacht inclusief de subklachten luidt en legt het college de beslissing uit. Daarbij zal, voor zover nodig, worden ingaan op het verweer dat de neurochirurg heeft gevoerd.

2.         Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de ouders heeft de klacht op papier gezet en bij het college ingediend. Ook heeft het college dvd’s met een Tv-uitzending op NPO ontvangen. Namens de neurochirurg is een verweerschrift ingediend, waarop nog een aanvulling is gegeven. Van de mogelijkheid om het standpunt mondeling toe te lichten en vragen te beantwoorden bij een secretaris van het college (mondeling vooronderzoek), hebben partijen geen gebruik gemaakt.

De klacht is op de openbare zitting van 24 juni 2022 behandeld, gelijktijdig met de zaken met dossiernummers H2021/3672, H2021/3674 en H2021/3675. Partijen en hun gemachtigden waren daarbij aanwezig. De gemachtigden van beide partijen hebben gesproken aan de hand van pleitaantekeningen, die deel uitmaken van het dossier.

3. De klacht

De neurochirurg wordt verweten dat hij als afdelingshoofd akkoord heeft gegeven en niet heeft ingegrepen toen de kinderoncoloog de melding van kindermishandeling bij Veilig Thuis deed, dat hij het handelen van de kinderoncoloog heeft gesteund en actief heeft doorgezet, ondanks de veelvuldige verzoeken van de ouders om de druk en dreiging van Veilig Thuis weg te nemen. Hij heeft:

1. de ouders onheus bejegend. De neurochirurg heeft zich in de communicatie met de ouders dreigend en intimiderend opgesteld;

2. niet voldaan aan de dossierplicht door geen enkel verslag van de besprekingen met de ouders of VT in het dossier op te nemen;

3. niet meegewerkt aan de voorbereiding van de radiotherapie;

4. onjuist opgetreden in televisieprogramma op NPO.

4.         Uitleg van de beslissing

Waaraan toetst het college?

4.1       Het college moet beoordelen of de neurochirurg met inachtneming van de geldende beroepsnormen de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ neurochirurg. Daarbij gaat het er niet om of het beter had gekund, maar of de beroepsnormen met zich meebrengen dat het ook beter had gemoeten.

4.2       De beoordeling van verwijten over inhoud en wijze van communicatie (bejegening) is een lastige opgaaf voor het college, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. Voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Als partijen elkaar over de wijze van communicatie tegenspreken, kan het college niet goed vaststellen wat er feitelijk is gebeurd.
 

De hoofdklacht – ondersteuning melding bij VT

4.3       Het college heeft de klacht tegen de kinderoncoloog in de zaak E2021/3672 ongegrond verklaard. Het college is van oordeel dat zij voldoende reden had om de melding te doen bij VT, omdat de ouders niet open stonden voor de voorgestelde – levensreddende – behandeling van hun zoon en de kinderoncoloog na het consult van 20 juni 2019 geen opening zag om hen te overtuigen en geen inzicht had in wat voor behandeling de ouders wel voor ogen stond. Er was sprake van tijdsdruk, omdat de beoogde behandeling idealiter op 4 juli 2019 van start had moeten gaan. Weliswaar had de kinderoncoloog de melding nog korte tijd (enige dagen tot een week) kunnen uitstellen, maar dat zij dat niet heeft gedaan acht het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

4.4       De neurochirurg is een van de personen die door de kinderoncoloog zijn geraadpleegd voordat zij daadwerkelijk is overgegaan tot het doen van de melding bij VT. Dit was in zijn hoedanigheid als afdelingshoofd. Hij was het eens met de insteek van de kinderoncoloog. Nu het college van oordeel is dat er voldoende reden was om de melding te doen, betekent dat ook dat de neurochirurg als afdelingshoofd geen reden had om de kinderoncoloog te adviseren om daarvan af te zien of anderszins in te grijpen.

4.5       Een melding bij VT kan niet worden ingetrokken: nadat zo’n melding is gedaan bepaalt VT geheel zelfstandig of en in hoeverre de bemoeienis van VT nodig is, welke stappen daarin moeten worden genomen en of het dossier al dan niet gesloten kan worden. Overigens is de druk en dreiging van VT (grotendeels) al snel weggenomen doordat de kinderoncoloog die de behandeling van haar collega had overgenomen reeds op 28 juni 2019 met VT de afspraak heeft gemaakt dat VT de ouders met rust zou laten hangende een door de ouders gevraagde second opinion. Nadat de ouders alsnog hadden besloten akkoord te gaan met de voorgestelde radiotherapie voor hun zoon en de radiotherapie ook gegeven was, heeft VT zelf besloten het dossier te sluiten.

4.6       De hoofdklacht is op grond van het voorgaande ongegrond.

Subklacht 1 – Bejegening

4.7       De neurochirurg heeft op 24 en 26 juni 2019 twee gesprekken met de ouders gevoerd. De afspraak van 24 juni 2019 is gemaakt na tussenkomst van een gemeenschappelijke bekende van de bestuurder van het ziekenhuis en de ouders in vervolg op de gedane melding bij VT. Uit de notitie van de kinderoncoloog van die datum blijkt dat de neurochirurg met de ouders een afspraak heeft kunnen maken om hun zoon alsnog deel te laten nemen aan aanvullend onderzoek (stageringsonderzoek) op 26 juni 2019, reden om VT te kunnen berichten dat er geen indicatie bestond voor het voor 25 juni 2019 door VT geplande huisbezoek aan de ouders. Uit een notitie van de kinderoncoloog van 26 juni 2019 blijkt dat de neurochirurg de ouders in het gesprek van die dag heeft aangeraden om bij de bespreking van de uitslagen van het stageringsonderzoek een psycholoog aanwezig te laten zijn, waarmee de ouders akkoord waren. Ook is toen een afspraak gemaakt over overdracht van het hoofdbehandelaarschap aan de opvolgend hoofdbehandelaar.

4.8       In de week van 15 tot en met 19 juli 2019 heeft de neurochirurg waargenomen voor de hoofdbehandelaar tijdens haar afwezigheid. Van de contacten in die week blijkt uit de notitie van de neurochirurg van 17 juli 2019 en de e-mail van de vader van 19 juli 2019. Op 17 juli 2019 heeft de neurochirurg genoteerd dat de ouders een geplande intake voor de radiotherapie hadden afgezegd in verband met de second opinion in Duitsland en dat de ouders van plan waren voor de hele behandeling naar Duitsland te gaan. Uit de e-mail van de vader blijkt dat de ouders de opstelling van de neurochirurg als dwingend hebben ervaren. Er is ook steeds door behandelaars aangedrongen op spoedige besluitvorming en actie van de ouders, omdat nu eenmaal de tijd drong om nog tijdig met de radiotherapie te kunnen beginnen. Uit het dossier blijkt dat de ouders die tijdsdruk – en het verwijzen daarnaar – als storend hebben ervaren. Het wijzen op de bestaande tijdsdruk, ook door de neurochirurg, kan onder de omstandigheden evenwel niet als een onheuse bejegening van de ouders worden beschouwd. Van (concrete) handelingen of uitlatingen van de neurochirurg, die als onheus moeten worden beschouwd, is niet gebleken.

Subklacht 2 – Dossierplicht

4.9       De neurochirurg heeft van zijn gesprekken in juni en juli 2019 met de ouders geen aantekeningen in het dossier gemaakt, behalve op 17 juli 2019. Hij heeft aangevoerd dat zijn (overige) contacten met de ouders niet de directe behandeling van de zoon betroffen, dat het maken van aantekeningen niet noodzakelijk was voor een goede hulpverlening en dat het verloop voldoende blijkt uit de aantekeningen van de behandelaars in het dossier.

4.10     Het college volgt de neurochirurg hierin niet. Juist in deze situatie, waarin onmiddellijk een zeer gevoelig verschil van mening over de behandeling ontstond tussen de ouders en de behandelaar, wat leidde tot een melding bij VT, mocht van de neurochirurg worden verwacht dat hij in het dossier verslag deed van de gesprekken die hij met de ouders heeft gevoerd, juist om verdere problemen of misverstanden te voorkomen. Ook in juli 2019 had hij van alle contacten met de ouders gedurende zijn waarneming verslag moeten doen. Deze subklacht is gegrond.

Subklacht 3 – Radiotherapie  

4.11     Een reeds geplande afspraak voor de intake van de radiotherapie op 18 juli 2019 is door de ouders afgezegd in verband met de second opinion in Duitsland. Uit de e-mail van de vader van 19 juli 2019 blijkt dat de neurochirurg negatief heeft gereageerd op het verzoek de intake toch alvast weer in te plannen “omdat de gegevens zoals u aangaf niet uitwisselbaar zijn”. Gelet op het feit dat de ouders de afspraak van 18 juli 2019 zelf hebben afgezegd en bovendien van plan waren de verdere behandeling van hun zoon in Duitsland te laten plaatsvinden (zoals blijkt uit zowel de aantekening van de neurochirurg van 17 juli 2019 als uit de e-mail van de vader van 19 juli 2019) kan de neurochirurg geen gebrek aan medewerking aan de voorbereiding van de radiotherapie worden verweten.

Subklacht 4 – Het optreden in een televisieprogramma

4.12     Het ziekenhuis heeft – met toestemming van de ouders – medewerking verleend aan een uitzending van een televisieprogramma. De neurochirurg heeft in dit programma het ziekenhuis vertegenwoordigd. Ter zitting van het college is - ook door de ouders - aangegeven dat aan die uitzending vele uren opnames vooraf gegaan zijn, waaruit de regie van het programma een selectie heeft gemaakt waardoor nuances verloren zijn gegaan en de visies van betrokkenen hier en daar ongelukkig zijn weergegeven. De wijze waarop de visie van de neurochirurg in de uitzending is weergegeven is niet de keuze van de neurochirurg geweest en daarvan kan de neurochirurg geen verwijt worden gemaakt.
 

4.13     Aan deze subklacht ligt blijkens het klaagschrift van de ouders ten grondslag dat zij op grond van een in de uitzending gedane uitspraak van mening zijn dat - voor zover er al sprake zou zijn geweest van een onoverbrugbaar verschil van mening over de behandeling van de zoon, wat zij betwisten - een andere route had moeten worden gevolgd. Daarbij zou niet een melding bij VT zijn aangewezen, maar het vragen van vervangende toestemming aan de rechter via de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK). Dat uitgangspunt is naar het oordeel van het college echter niet juist. Een dergelijk verzoek aan de rechter via de RvdK betekent dat de ouders met betrekking tot de medisch noodzakelijke behandeling buiten spel worden gezet, wat bij een melding aan VT niet het geval is. Het inschakelen van de RvdK gaat dus juist een stap verder dan het doen van een melding bij VT. Anders dan de ouders veronderstellen is wel de juiste route gevolgd en heeft de neurochirurg hier geen onjuiste uitlatingen over gedaan in de uitzending. Bovendien is uit de ontwikkeling in de tijd gebleken dat het verschil van mening over de noodzakelijke behandeling van de zoon wel degelijk (deels) onoverbrugbaar was en is gebleven.

Conclusie en maatregel

4.14     De conclusie uit het voorgaande is dat subklacht 2 gegrond is en dat de klacht voor het overige ongegrond is. Het niet nakomen van de verplichting om dossieraantekeningen te maken rechtvaardigt in principe het opleggen van een maatregel. Desondanks is het college van oordeel dat gelet op alle omstandigheden in dit geval kan worden volstaan met een gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel. De klacht gaat immers in essentie over de gedane melding aan VT, de door de neurochirurg daaraan gegeven medewerking en het ook door de neurochirurg vasthouden aan de juistheid van die melding. Daarvan valt de neurochirurg geen verwijt te maken. Het ontbreken van aantekeningen over zijn - beperkte - activiteiten in deze kwestie doet daar naar het oordeel van het college niet aan af.

4.15     Omdat het college geen reden ziet de neurochirurg een maatregel op te leggen is het college van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om ten laste van de neurochirurg een proceskostenveroordeling ten behoeve van de ouders uit te spreken.

5.         De beslissing

Het college:

  • verklaart subklacht 2 gegrond;
  • bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Aldus beslist door E.C.M. de Klerk, voorzitter, A.P.A. Bisscheroux, lid-jurist, M.H.M. Bender, J. Poelen en A.A.M. Leebeek-Groenewegen, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en uitgesproken door E.P. van Unen op 5 augustus 2022 in aanwezigheid van de secretaris.