Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3537

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:77
Datum uitspraak: 21-06-2022
Datum publicatie: 22-06-2022
Zaaknummer(s): A2021/3537
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager was gedetineerd en heeft een klacht ingediend tegen een psychiater werkzaam in de instelling. Klager verwijt de psychiater dat zij ten onrechte het geneesmiddel haloperidol aan hem heeft voorgeschreven, bovendien zonder enige uitleg en voorlichting omtrent de bijwerkingen. Verder beklaagt klager zich erover dat hij de psychiater weinig heeft gezien of gesproken. De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft aan klager voorgesteld om haloperidol voor te schrijven in verband met zijn achterdocht en agitatie. Klager is het middel enkele dagen later gaan gebruiken. De psychiater heeft verklaard dat zij wel uitleg heeft gegeven over de werking en de meest voorkomende bijwerkingen van het middel. Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Het college acht het voldoende aannemelijk dat de psychiater klager heeft voorgelicht over haloperidol. De psychiater heeft het middel in een gebruikelijke dosering voorgeschreven. Bovendien is uit de voortgangsrapportage gebleken dat zij zich heeft bekommerd om het optreden van bijwerkingen. Verder is uit de voortgangsrapportage gebleken dat de psychiater en klager elkaar geregeld hebben gesproken. Het college concludeert dat de psychiater geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt en heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 8 oktober 2021 binnengekomen klacht van:

A,

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting B,

klager,

tegen

C,

psychiater,

werkzaam te D,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.

1.         De procedure

1.1       Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met de bijlagen;
  • het aanvullende klaagschrift;
  • het verweerschrift;
  • de repliek met de bijlagen;
  • de voortgangsrapportage van klager over de periode van 7 mei 2021 tot en met 15 oktober 2021.

1.2       Het college heeft de klacht op basis van de stukken in raadkamer beoordeeld.

2.         Waar gaat de zaak over?

2.1.      Klager, geboren in januari 1980, was gedetineerd in E, alwaar hij op de afdeling F (Extra Zorg Voorziening) van 12 mei 2021 tot 15 oktober 2021 patiënt was van verweerster. Verweerster was als psychiater verbonden aan deze instelling. Zij verzorgde de farmacotherapie voor klager.

2.2.      Klager stelt dat verweerster ten onrechte het geneesmiddel haloperidol aan hem heeft voorgeschreven. Zij heeft bovendien niet uitgelegd waarom zij dit middel aan hem voorschreef en zij heeft geen voorlichting gegeven over de bijwerkingen. Klager heeft veel last gehad van bijwerkingen in die zin dat hij zweette en hartkloppingen kreeg. Ook beschrijft hij zichzelf als een kasplantje en een zombie.

Tot slot beklaagt klager zich erover dat hij verweerster weinig heeft gezien of gesproken.

3.         Wat is het oordeel van het college?

3.1.      Het college is van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.

3.2.      Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

3.3.      Klager is bekend met een verstandelijke beperking, multipele middelengebruik, psychoses na middelengebruik en emotieregulatie- en impulscontroleproblematiek. Toen hij werd overgeplaatst van de PI G naar E gebruikte klager twee antipsychotica: quetiapine en olanzapine. Daarnaast gebruikte hij diazepam en citalopram.

3.4.      In haar verweerschrift beschrijft verweerster dat klager in augustus 2021 tijdens hun contacten maar ook op de afdeling steeds meer een boze houding aannam. Ook uitte hij zich achterdochtig en beschuldigend. Verweerster heeft klager op 14 september 2021 aangesproken op zijn gedrag. Zij stelde voor om hem haloperidol voor te schrijven in verband met zijn achterdocht en agitatie. Klager twijfelde aanvankelijk, maar is het middel enkele dagen later gaan gebruiken.

Haloperidol is een effectief antipsychoticum en verweerster heeft dit middel bovendien in een gebruikelijke dosering van 1 mg voorgeschreven aan klager. Het college volgt klager dus niet in zijn betoog dat verweerster het middel onterecht aan hem heeft voorgeschreven. Dat klager veel last heeft gehad van bijwerkingen is uitermate onaangenaam voor hem, maar betekent niet dat verweerster haloperidol niet had mogen voorschrijven; zoals verweerster terecht opmerkt in haar verweerschrift is een heftige reactie op deze dosering aan haloperidol zeldzaam. Verweerster had niet kunnen en hoeven voorzien dat deze reactie zou optreden bij klager.

3.5.      Verweerster stelt dat zij in het gesprek van 14 september 2021 uitleg heeft gegeven over de werking en de meest voorkomende bijwerkingen van haloperidol. In de voortgangsrapportage is genoteerd dat een gesprek heeft plaatsgevonden op 14 september 2021. Er staat vermeld dat met klager is gesproken over zijn oplopende boosheid en er is een verkorte weergave van de verdere inhoud van hun gesprek gegeven. Ook heeft verweerster vermeld ‘Overwegen herstart antipsychotica ter demping’. Niet terug te vinden is dat verweerster de werking van haloperidol, de voorgestelde dosering van 1 mg en de meest voorkomende bijwerkingen met klager heeft besproken. Gezien echter de stelligheid waarmee verweerster in haar verweerschrift beschrijft dat zij bovenstaande punten heeft besproken met klager, acht het college voldoende aannemelijk dat verweerster klager heeft voorgelicht over haloperidol. Bovendien blijkt uit de aantekening in de voortgangsrapportage op 17 september 2021, inhoudende dat de afdeling is ingelicht en is verzocht te peilen hoe de medicatie bij klager gevallen is, dat verweerster zich heeft bekommerd om het optreden van bijwerkingen.

3.6.      De klacht van klager dat hij verweerster (te) weinig heeft gezien of gesproken tijdens zijn verblijf op de afdeling F vindt geen steun in de voortgangsrapportage en het verweerschrift; uit die stukken blijkt dat zij elkaar geregeld hebben gesproken.

3.7.      Het college concludeert dat het begrijpelijk is dat bij klager ongenoegen is ontstaan over zijn gebruik van haloperidol, maar verweerster kan in tuchtrechtelijke zin niet worden verweten dat zij dit middel aan klager heeft voorgeschreven. Evenmin is gebleken dat verweerster klager onvoldoende heeft voorgelicht of dat zij te weinig contact heeft gehad met klager.

3.8.      Het voorgaande leidt tot de beslissing dat verweerstermet betrekking tot de klachtonderdelen geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt. De klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.

4. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Aldus beslist op 3 juni 2022 door:

G.M. Boekhoudt, voorzitter,

H.C. Baak en A.C.M. Kleinsman, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.

secretaris                                                                                       voorzitter