Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3556

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:74
Datum uitspraak: 27-05-2022
Datum publicatie: 27-05-2022
Zaaknummer(s): A2021/3556
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, zo heeft hij onder meer geen probleemanalyse gemaakt, stelde hij zich niet onafhankelijk op en heeft hij zich onvoldoende ingespannen om klaagster goed te begeleiden. De bedrijfsarts voert verweer.

2021/3556

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de op 13 oktober 2021 binnengekomen klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen


C,
bedrijfsarts,
werkzaam te D,
verweerder (verder ook te noemen: de bedrijfsarts),
gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam te Amsterdam.


1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het aanvullende klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- de brief van 2 maart 2022, ingekomen op 3 maart 2022 van de gemachtigde van verweerder;
- de aanvullende stukken van klaagster, ingekomen op 22 maart 2022;
- het proces-verbaal van het op 31 maart 2022 gehouden vooronderzoek.

1.2. De klacht is op 15 april 2022 op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klaagster werd vergezeld door haar echtgenoot, verweerder door zijn gemachtigde voornoemd.

2. Waar gaat de klacht over?
2.1. Klaagster, destijds werkzaam bij E als expert informatievoorziening, is op 14 januari 2019 in huis gevallen. Als gevolg hiervan heeft zij een breuk opgelopen. Zij bleef daarna pijn houden in haar voet. Zij was al bekend met complex regionaal pijnsyndroom (CRPS). In oktober 2019 is daarnaast de diagnose artrose in de grote teen gesteld door de orthopeed. In februari 2020 is klaagster aan haar teen geopereerd. Aan de ruggenprik die zij voor de operatie heeft gekregen, heeft ze aanhoudende rugklachten overgehouden. Tevens zijn haar pijnklachten in de voet teruggekomen na een nieuwe val. Klaagster is voor haar pijnklachten doorverwezen naar een neuroloog en een pijnpoli. Klaagster heeft zich in verband met het voorgaande meermaals bij de werkgever ziekgemeld. Zij is inmiddels rolstoelgebonden wegens haar klachten.


2.2. Op 26 augustus 2019 heeft klaagster zich tot de bedrijfsarts, zijnde verweerder, gewend. Zij was op dat moment door de werkgever niet ziekgemeld. Verweerder is sinds 1999 ingeschreven als bedrijfsarts en verrichtte sinds 2017 (onder meer) werkzaamheden voor E. Klaagster heeft zich eind november deels en vanaf begin december 2019 volledig ziekgemeld.


2.3. Op 10 december 2019 heeft een spreekuurcontact tussen klaagster en verweerder plaatsgevonden. Hiervan is een spreekuurbericht opgesteld gedateerd op 12 december 2019. Tijdens dit consult vernam verweerder dat er tevens een conflict op de werkvloer speelde. Hierna hebben vanaf februari 2020 met enige regelmaat (wegens COVID-19) telefonische contacten tussen klaagster en verweerder plaatsgevonden. In het consult van 23 april 2020 is door verweerder vastgesteld dat er medische complicaties zijn opgetreden, waardoor de kans bestond dat klaagster zou worden geconfronteerd met blijvende beperkingen.

2.4. In mei 2020 heeft de HR-adviseur van klaagster naar de probleemanalyse (PA) gevraagd om een Plan van Aanpak (PvA) te kunnen opstellen. Klaagster en de werkgever hebben geen overeenstemming bereikt over het PvA. In de terugkoppeling van het (telefonische) spreekuurcontact van verweerder d.d. 26 mei 2020 staat dat de medische situatie van klaagster is verslechterd, dat mediation nu niet mogelijk is en dat er geen zicht op is wanneer dit wel zou kunnen starten.


2.5. Klaagster voelde zich steeds meer onder druk gezet door haar werkgever, terwijl zij zich lichamelijk niet beter voelde. Zij heeft in dit verband meermaals per e-mail verweerder om hulp verzocht. In juni 2020 heeft verweerder klaagster verwezen naar de bedrijfsmaatschappelijk werker. Diens interventie is kort daarop weer gestaakt. Door verweerder is toen, in september 2020, voorgesteld om een driepartijenoverleg in te plannen, waarbij klaagster, verweerder en de leidinggevende van klaagster aanwezig zullen zijn om te werken aan de communicatie tussen klaagster en haar werkgever. Door de interim-leidinggevende van klaagster is voorgesteld een casemanager hiervoor te benoemen, verbonden aan Passend Perspectief Personeel (PPP). Klaagster kon zich daar niet in vinden.

2.6. Verweerder heeft tijdens een consult van 16 november 2020 met verzoekster afgesproken dat hij niet meer als intermediair tussen klaagster en de werkgever wilde optreden, maar zich weer uitsluitend zal concentreren op zijn eigen rol als bedrijfsarts. Ook is daarbij besproken dat er zeer waarschijnlijk sprake zal zijn van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in het kader van de WIA. Het advies van verweerder aan de werkgever luidde (wel) om te zoeken naar een mogelijkheid om het contact met klaagster te herstellen.

2.7. Intussen had E in een deskundigenoordeel ‘re-integratie-inspanningen’ aangevraagd. Op 20 november 2020 oordeelde het F dat klaagster vanaf de ziekmelding tot op dat moment geen benutbare mogelijkheden had en dat er daardoor geen re-integratiekansen gemist zijn.


2.8. In december 2020 adviseerde verweerder de werkgever geen contact te zoeken met klaagster zodat zij kan werken aan haar herstel. Zo staat in het spreekuurbericht van 17 december 2020: “Advies: betrokkene rust geven en haar de gelegenheid geven aan haar herstel te werken. Dat betekent dat er geen contact vanuit de werkgever gelegd wordt. Ik volg als bedrijfsarts of en zo ja in welke mate er herstel optreedt, zodra er benutbare mogelijkheden zijn zal ik dat aangeven.”
Vanuit de werkgever is hierna toch contact gezocht met klaagster op 4 januari 2021 (telefoon van trajectmanager PPP) en op 25 januari 2021 (e-mail directeur-generaal).

2.9. In februari 2021 is een aanvraag verkorte IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) gedaan bij het F. Deze aanvraag is afgewezen.


2.10. In april 2021 heeft klaagster het vertrouwen in verweerder opgezegd en een (interne) klacht ingediend bij de G.

2.11. Verweerder heeft op 3 september 2021 zijn actueel oordeel naar het F gezonden in het kader van de WIA-aanvraag voor klaagster.

3. De klacht en het standpunt van klaagster
Klaagster verwijt verweerder dat hij niet heeft gehandeld volgens NVAB-richtlijnen. Meer in het bijzonder verwijt zij verweerder dat hij:
1. geen tijdige ziekmelding heeft gedaan;
2. het vereiste tot het opstellen (en bijhouden) van een adequate probleemanalyse niet is nagekomen en (in dit verband) niet heeft voldaan aan de regels inzake het inzage- en correctierecht en de informatieplicht;
3. niet onafhankelijk was;
4. zijn zorgplicht heeft geschonden bij de begeleiding van klaagster;
5. zich niet heeft gehouden aan de AVG bij het versturen van medische stukken en terugkoppelingsberichten;
6. klachten niet goed heeft afgehandeld.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling
5.1. Het college acht de klacht deels gegrond en wel voor wat betreft klachtonderdeel 4. De overige klachtonderdelen falen. Het college zal de beslissing hieronder toelichten.
Maatstaf


5.2. Het college wijst er daarbij allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Klachtonderdeel 1 ziekmelding
5.3. Wat betreft de ziekmelding is gebleken dat klaagster (tot het moment dat zij zich volledig ziek meldde op 2 december 2019) meermaals korte periodes niet (volledig) heeft gewerkt. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat het doen van een ziekmelding niet zijn taak is. De werknemer meldt zich ziek bij de werkgever en vervolgens is het de taak van de werkgever om dit correct te administreren. Verweerder valt er dus geen verwijt van te maken dat de werkgever de e-mails van klaagster niet correct heeft verwerkt. Dat klaagster hem de e-mailwisseling tussen haar en de werkgever daarover ter beschikking had gesteld, doet daar niet aan af evenmin als de omstandigheid dat het F achteraf uit zou gaan van een andere datum als eerste ziektedag. Het klachtonderdeel faalt daarom.

Klachtonderdeel 2: Probleemanalyse, (terugkoppeling) spreekuurcontacten, informatie

5.4. Naar aanleiding van het eerste spreekuurcontact na de ziekmelding van klaagster heeft verweerder een terugkoppelingsbericht voor klaagster en de werkgever opgesteld. Volgens verweerder stond in dat terugkoppelingsbericht ook de probleemanalyse. De probleemanalyse is vormvrij en de inhoud van het bericht van 12 december 2019 voldoet naar het oordeel van het college inhoudelijk aan de normen die daaraan gesteld kunnen worden. Het bericht is tijdig opgesteld, voldoende uitgebreid en klaagster is geïnformeerd over de inhoud. Verweerder heeft steeds toestemming gevraagd aan klaagster om het terugkoppelingsbericht (of andere berichten) met de werkgever te delen en deze toestemming ook van haar verkregen. De probleemanalyse is in de loop van de verzuimbegeleiding steeds aangepast naar aanleiding van de (verder telefonische) spreekuurcontacten. Omdat een dergelijk bericht ook naar de werkgever gaat, kan dit niet meer details bevatten over de medische situatie (zoals de door klaagster gewenste vermelding van de op handen zijnde operatie en de rolstoelgebondenheid). Het is vervolgens aan de werkgever en klaagster samen op basis van de terugkoppeling een Plan van Aanpak op te stellen. Verweerder is daar niet bij betrokken. Dit is de verantwoordelijkheid van de werkgever en werknemer gezamenlijk.

5.5. Niet vastgesteld kan worden dat de informatievoorziening door verweerder aan klaagster over zijn taak als bedrijfsarts ondermaats was. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij aan klaagster reeds in het begin uitleg heeft gegeven over zijn taak en het begrip ‘geen benutbare mogelijkheden’, waarvan volgens verweerder al tijdens het consult van 10 december 2019 sprake was.
De term ‘geen benutbare mogelijkheden’ is met name bedoeld voor beoordelingen door het F in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling voor gangbare arbeid en heeft in dat verband de heel specifieke betekenis van het Schattingsbesluit. Tijdens de verzuimbegeleiding wordt deze term door bedrijfsartsen vaak gebruikt om aan te geven dat werknemer geen mogelijkheden heeft om te werken of te re-integreren. Het college begrijpt dat de term hier in die laatste betekenis is gebruikt. Tijdens de verzuimbegeleiding dient de bedrijfsarts immers steeds opnieuw te beoordelen of een betrokkene in staat is om werkzaamheden te verrichten of (los daarvan) gesprekken met de werkgever te voeren over de re-integratie of andere zaken.

5.6. Conclusie van het voorgaande is dat verweerder bij de spreekuurcontacten en de terugkoppeling daarvan niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.


Klachtonderdeel 3: Niet onafhankelijk
5.7. Dat verweerder bij zijn begeleiding niet onafhankelijk was, is het college uit het dossier niet gebleken. Uit de stukken komt het beeld naar voren dat verweerder juist erg begaan was met klaagster en heeft geprobeerd om klaagster – binnen de kaders van zijn positie als bedrijfsarts - zoveel mogelijk te helpen in haar lastige situatie. Zo heeft hij een bedrijfsmaatschappelijk werker benaderd, geprobeerd een driepartijenoverleg te organiseren en een onafhankelijke casemanager in te stellen. Dat dit allemaal uiteindelijk niet het gewenste resultaat opleverde en het hierna overwogene bij de bespreking van klachtonderdeel 4, maken niet dat verweerder als niet-onafhankelijk kan worden aangemerkt. Dit klachtonderdeel kan dus niet slagen.


Klachtonderdeel 4: zorgplicht, c.q. begeleiding klaagster
5.8. Het college is echter wel van oordeel dat verweerder bij de begeleiding van klaagster tijdens haar ziekte niet heeft voldaan aan de hiervoor onder 5.2 genoemde norm en – in dat verband meer specifiek – aan de Richtlijn Conflicten in de Werksituatie van de Nederlandse Vereniging van Bedrijfsartsen 2019 (NVAB), meer specifiek aan de STECR Werkwijzer Arbeidsconflicten en aan de NVAB Richtlijn Conflicten in de Werksituatie die beiden een actieve houding van de bedrijfsarts voorschrijven zowel voor wat betreft het vaststellen van de aanwezigheid van een arbeidsconflict, het analyseren en faseren daarvan en het handelen ter behandeling daarvan. Op al deze punten is verweerder tekortgeschoten. Redengevend hiervoor is dat verweerder te lang is doorgegaan op een pad dat, ondanks zijn op zichzelf passende adviezen, geen resultaat opleverde. Het college neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Klaagster had reeds eind 2019 aan verweerder kenbaar gemaakt dat er volgens de werkgever mede sprake was van een arbeidsconflict, maar dat zij zelf niet begreep wat haar werkgever daarmee bedoelde. Op haar vragen hierover kreeg zij volgens haar geen antwoord van de werkgever. Verweerder heeft hierover heel veel gemaild met klaagster en de werkgever. Maar ook voor hem was evident dat deze acties geen verbetering noch verheldering brachten in de kennelijk onzekere situatie waarin klaagster in haar verhouding tot haar werkgever verkeerde. Verweerder heeft verklaard dat het hem tot op de dag van vandaag nooit duidelijk is geworden waarom er volgens de werkgever sprake was van een arbeidsconflict. Verweerder had met deze vaststelling niet mogen volstaan. Hij had doortastender en directiever moeten zijn om bij de werkgever opheldering te krijgen wat de visie van de werkgever was hierover. Dat verweerder dit voldoende concreet heeft gedaan is niet gebleken, maar had wel op zijn weg gelegen. Dit geldt temeer nu het ook voor verweerder duidelijk was, uitgaande van zijn gesprekken met klaagster, dat klaagster door de houding van de werkgever werd belemmerd in haar herstel. Dat klaagster in die periode niet in staat was tot het voeren van mediation-gesprekken, maakt deze gehoudenheid van verweerder, anders dan hij aanvoert, in de gegeven situatie niet anders.
Verweerder is bovendien te passief gebleven toen de werkgever (zoals in januari 2021) klaagster bleef benaderen, terwijl verweerder de werkgever nu juist eind december 2020 had geadviseerd dit niet te doen omdat klaagster voor haar herstel behoefte had aan rust. Weliswaar is het niet aan verweerder als bedrijfsarts om in een dergelijk geval ‘partij’ te kiezen. Echter, het door verweerder gestelde gegeven dat de werkgever zijn adviezen kennelijk simpelweg negeerde, had voor hem aanleiding moeten zijn de werkgever hierop concreet aan te spreken gegeven het evidente belang van zijn advies voor klaagster. Hij had daarbij dienen te benadrukken dat deze houding van werkgever zijn taak als bedrijfsarts belemmerde en daarmee ook het belang van klaagster. Verweerder had bovendien moeten benadrukken dat deze situatie voor hem als bedrijfsarts zo niet werkbaar was. Hij had ook met de werkgever moeten bespreken dat bij uitblijven van verbetering op dit punt hij zich genoodzaakt zou kunnen voelen zijn taak met betrekking tot klaagster terug te geven.
Verweerder heeft kortom gemerkt dat er, ondanks alle energie die hij in de kwestie stak, een impasse ontstond die niet werd opgelost door zijn handelwijze, zodat de zaak feitelijk op dood spoor kwam, hetgeen niet in het belang was van klaagster. Verweerder heeft aldus gehandeld op een te passieve wijze die niet strookt met hetgeen van een redelijk handelend beroepsgenoot in de gegeven situatie mocht worden verwacht. Dit klachtonderdeel slaagt daarom.

Klachtonderdeel 5: Niet zorgvuldig omgaan met gegevens klaagster (AVG)
5.9. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Klaagster verwijt verweerder op dit punt onder meer dat hij haar (keer op keer) medische informatie heeft gestuurd per gewone e-mail. Zij heeft het daarbij over het deskundigenonderzoek en het medisch dossier in verband met de WIA-aanvraag. Verweerder heeft aangevoerd dat hij het heeft gemaild met de ICT-systemen die hem door E ter beschikking waren gesteld, dat hij schermbeveiliging heeft en zender en ontvanger heeft geverifieerd. Dit is volgens verweerder verder volgens de gebruikelijke werkwijze en ook zo besproken met klaagster. Klaagster zou destijds hebben aangegeven dat zij dit begreep.

5.10. Het college overweegt dat de Leidraad Bedrijfsarts en Privacy 2019 (hoofdstuk 4), onder verwijzing naar de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) adviezen geeft over het gebruik van e-mail. Hierin staat onder meer dat de bedrijfsarts zich ook in zijn dagelijkse praktijk bewust dient te zijn van mogelijke privacyrisico’s en de mogelijkheden deze risico’s te minimaliseren. Van de individuele bedrijfsarts mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt of die maatregelen zijn genomen, die redelijkerwijs verwacht kunnen worden volgens de stand der techniek om voor het systeem een afdoende beschermingsniveau te realiseren. Voor zowel bedrijfsarts of voor hem werkende personen als ontvanger gaat het om de volgende mogelijkheden die al dan niet in combinatie toepasbaar zijn:
• instellen van schermbeveiliging met wachtwoord
• controleren en verifiëren van adres- en e-mailgegevens
• documenten voorzien van wachtwoord
• encryptie
• digitale handtekening
• verifiëren van zender en ontvanger
• ontvangstbevestiging instellen
De ontvanger is verantwoordelijk voor zijn eigen e-mailaccount en de beveiliging daarvan. Voor de opslag van bijzondere persoonsgegevens gelden dezelfde eisen als voor de papieren verslagen.
In het onderhavige geval hebben zowel klaagster als verweerder over en weer en met instemming veel informatie met elkaar gedeeld per e-mail. Daarvoor zijn e-mailadressen gebruikt die vooraf met elkaar zijn besproken en door verweerder voor verzending zijn gecontroleerd. Daarnaast heeft verweerder aangegeven schermbeveiliging met wachtwoord te hebben. Hoewel verweerder er ook en wellicht beter voor had kunnen kiezen nog extra maatregelen te nemen door bijvoorbeeld documenten met medische gegevens daarnaast nog beveiligd met een wachtwoord te versturen, is het nalaten daarvan onder de gegeven omstandigheden bij gebrek aan specifieke (cumulatieve) eisen op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Verder verwijt klaagster verweerder dat de spreekuurverslagen zijn toegestuurd aan personen die niet haar leidinggevenden waren. Volgens verweerder zijn de verslagen (die overigens dus geen medische informatie bevatten) gegaan naar personen die allemaal tot de kring van de werkgever behoren en op dat moment golden als contactpersoon of beoogd contactpersoon. Zo zijn de verslagen volgens verweerder gegaan naar de in H vermeldde manager en leidinggevende van klaagster I, naar haar teamleider J, naar K (die zou gaan deelnemen aan het driepartijenoverleg) en L (beoogd trajectmanager PPP).
Hoewel het beter zou zijn geweest als verweerder één vast e-mailadres had aangehouden voor de terugkoppelingen aan de werkgever (waarna het aan de werkgever is om ervoor te zorgen dat dit bij de juiste persoon terechtkomt), heeft verweerder op dit punt niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De terugkoppelingen zijn toegezonden aan personen die intern bij de werkgever actief werden ingeschakeld bij de verzuimbegeleiding (ook door klaagster zelf). Verweerder had geen toestemming van klaagster nodig voor het terugkoppelen van informatie die de werkgever nodig heeft voor de uitvoering van haar wettelijke taken (loondoorbetalingsplicht, re-integratieplicht).
Het voorgaande brengt met zich dat klachtonderdeel 5 faalt.

Klachtonderdeel 6: klachtenprocedure
5.11. De klacht over de afhandeling van de interne klachtenprocedure is eveneens ongegrond. Verweerder heeft naar het oordeel van het college voldoende meegewerkt aan de interne klachtafhandeling. Verweerder kan geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt van de verdere gang van zaken bij de klachtenafhandeling en de uitkomsten daarvan.


Conclusie
5.12. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft wat betreft de begeleiding van klaagster niet voldaan aan de in 5.2. weergegeven tuchtrechtelijke norm.

Maatregel
5.13. Het college is van oordeel dat ten aanzien van het slagende klachtonderdeel 4 de maatregel van een waarschuwing passend is. Verweerder was evident zeer begaan met de situatie waarin klaagster verkeerde en heeft zich onmiskenbaar bijzonder ingespannen gedurende het traject waarbij hij, zoals van hem verwacht mocht worden, laveerde tussen de situatie van klaagster en die van de werkgever. Uit het hiervoor overwogene volgt echter dat de door verweerder gekozen handelwijze de hier te stellen tuchtrechtelijke lat niet halen. Verweerder heeft zowel tijdens het vooronderzoek als ter zitting zijn excuses aangeboden aan klaagster en aangeboden aan klaagster alsnog een gesprek met haar te hebben. Klaagster heeft dit allebei geaccepteerd. Verweerder heeft ook inzicht getoond in zijn handelen en heeft aangegeven dat hij zijn werkwijze op punten heeft aangepast. Alles afwegend acht het college een waarschuwing hier op zijn plaats.

5.14. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.


6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 4 (begeleiding klaagster) gegrond;
- verklaart de klachtonderdelen voor het overige ongegrond;
- legt op de maatregel van waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing (geanonimiseerd) zal worden aangeboden aan Het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde (TBV) en Medisch Contact met verzoek tot plaatsing.

Aldus beslist door:
P.J. van Eekeren, voorzitter,
R.L. Kloots, E.G. van der Jagt en E.G. Ackema, leden-arts,
S. Colsen, lid-jurist,
bijgestaan door C. Neve, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.