Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:6 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3222

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:6
Datum uitspraak: 18-01-2022
Datum publicatie: 21-01-2022
Zaaknummer(s): A2021/3222
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft een klacht ingediend over het handelen van beklaagde (bedrijfsarts) in zijn hoedanigheid als echtgenoot van klaagster en vader van de gezamenlijke kinderen. Klaagster verwijt beklaagde 1) dat hij ongevraagd ongefundeerde en onware diagnoses stelt over haar mentale gezondheid, zonder deskundigheid en zonder bevoegdheid daartoe, 2) dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden door de bij verwijt 1) genoemde diagnoses in een rechtszaal ten overstaan van derden te uiten, zonder toestemming van klaagster en 3) misbruik maakt van zijn professie als arts door in zijn verklaring meerdere psychiatrische diagnoses over klaagster te geven, de rechter te verzoeken een specialistisch onderzoek naar klaagsters cognitieve vermogens te bevelen en haar als 'incompetent om voor haar kinderen te zorgen' neer te zetten.Beklaagde heeft primair aangevoerd dat klaagster ten aanzien van de klacht (alle verwijten) niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard. Beklaagde voert aan dat hij heeft gehandeld in de hoedanigheid van echtgenoot tijdens de echtscheidingsprocedure en heeft gehandeld in het belang van zijn kinderen. Beklaagde meent dat het tuchtrecht in dit geval niet van toepassing is en dat hem geen verwijt kan worden gemaakt.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 1 juli 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: mr. C.M.J. Zillikens, advocaat te Hoorn,

tegen

C,

arts,

werkzaam te D,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. Y.R. Koorevaar, werkzaam te Amsterdam.

NaN. De procedure

NaN. Het college heeft kennisgenomen van:

-           het klaagschrift met de bijlagen;

  • de door klaagster nadien toegezonden bijlage;
  • het verweerschrift met de bijlage;
  • de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
  • de door klaagster toegezonden twee aanvullende stukken.

NaN. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

NaN. De klacht is op 17 december 2021 op een openbare zitting behandeld. Klaagster was, zoals op voorhand aangekondigd, niet aanwezig maar werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. Zillikens. Verweerder en diens gemachtigde waren aanwezig. Beide gemachtigden hebben een toelichting gegeven aan de hand van een pleitnota die aan het college en de wederpartij is overgelegd.

NaN. De feiten

NaN. Verweerder is BIG-geregistreerd en werkzaam als zelfstandig gevestigd bedrijfsarts in D.

NaN. Klaagster en verweerder zijn vanaf 2007 gehuwd. Binnen het huwelijk zijn twee kinderen geboren.

NaN. In januari 2021 heeft klaagster een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Noord-Holland. Ook heeft zij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend, onder meer ten aanzien van de verblijfplaats van de kinderen.

NaN. Op 25 maart 2021 vond bij de rechtbank de mondelinge behandeling van laatstgenoemd verzoek plaats. In het door verweerder bij de rechtbank in die procedure ingediende verweerschrift heeft verweerder zijn visie gegeven op de - naar hij stelt - bij klaagster bestaande psychische problemen en heeft hij gesteld dat klaagster niet competent is om voor de kinderen te zorgen. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij bedrijfsarts is en mede daardoor veel te maken heeft met mensen met geestelijke problemen en dan ook bekwaam is in het analyseren van het gedrag van mensen. Bij het verweerschrift was een door verweerder persoonlijk geschreven brief gevoegd waarin hij eveneens zijn zienswijze weergeeft op klaagsters geestesgesteldheid. In die brief geeft hij onder meer aan dat klaagster geestesziek is en specialistische hulp nodig heeft. Verder verzoekt hij de rechter ‘te wegen tot een deskundige multidisciplinair specialistisch cognitief onderzoek’ en in het belang van de veiligheid van de kinderen zijn woning voor hen als hoofdverblijf aan te wijzen.

NaN. De rechtbank heeft op 1 april 2021, als voorlopige voorziening in afwachting van de bodemprocedure, bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij klaagster is en dat de kinderen het ene weekend 2 dagen en het andere weekend 1 dag bij verweerder verblijven. De omgang van verweerder met de kinderen is in de loop van april 2021 evenwel stopgezet.

NaN. De verschillende tussen klaagster en verweerder lopende procedures waren op 17 december 2021, de dag van de openbare behandeling van de klacht ter zitting door het college, nog niet afgerond.

NaN. De klacht en het standpunt van klaagster

NaN. De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder

I.          ongevraagd ongefundeerde en onware diagnoses stelt over klaagsters mentale gezondheid zonder deskundigheid op dat terrein en zonder bevoegdheid daartoe;

II.        zijn medisch beroepsgeheim heeft geschonden door de bij klacht 1 genoemde diagnoses in een rechtszaal ten overstaan van derden te uiten, zonder klaagster daarvan van

te voren op de hoogte te stellen en zonder haar toestemming te vragen;

III.       misbruik maakt van zijn professie als arts door in zijn verklaring meerdere psychiatrische diagnoses over klaagster te geven, de rechter te verzoeken een specialistisch onderzoek naar klaagsters cognitieve vermogens te bevelen en haar als incompetent om voor haar kinderen te zorgen neer te zetten.

NaN. Voor zover nodig zal hieronder nader op het standpunt van klaagster worden ingegaan.

NaN. Het standpunt van verweerder

NaN. Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden en heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de klacht niet ontvankelijk verklaard dient te worden. Er bestond tussen klaagster en verweerder immers geen behandelrelatie zodat het verweten handelen van verweerder niet onder de eerste tuchtnorm valt. Ook is er geen sprake van handelingen die onder de tweede tuchtnorm vallen nu de verweten gedragingen van verweerder niet van een dergelijke aard en ernst zijn dat deze hun weerslag hebben op de individuele gezondheidszorg. Subsidiair stelt verweerder dat de verschillende klachtonderdelen ongegrond dienen te worden verklaard.

NaN. Voor zover nodig zal hieronder nader op het standpunt van verweerder worden ingegaan.

NaN. De beoordeling

NaN. De eerste vraag die het college moet beantwoorden is of het tuchtrecht in dit geval van toepassing is.

NaN. Bepalend daarvoor is het bepaalde in artikel 47, lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (de Wet BIG) welk artikellid, ten gevolge van een wetswijziging, sinds 1 april 2019 luidt:

Degene die in een der in het tweede lid vermelde hoedanigheden in een register ingeschreven staat, is onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van:

a. enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij in die hoedanigheid behoort te betrachten
      ten opzichte van:

   1°. degene, met betrekking tot wiens gezondheidstoestand hij bijstand verleent of zijn bijstand is
         ingeroepen;

   2°. degene die, in nood verkerende, bijstand met betrekking tot zijn gezondheidstoestand be-
           hoeft;

   3°. de naaste betrekkingen van de onder 1° en 2° bedoelde personen;

b. enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in die hoedanigheid in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

NaN. Vast staat dat verweerder geen behandelrelatie heeft of heeft gehad met klaagster en dat het hem verweten handelen niet valt onder de in artikel 47, lid 1 onder a neergelegde eerste tuchtnorm. Het betreft hier handelingen van een BIG-geregistreerde in de privésfeer. Dergelijke handelingen kunnen in bepaalde gevallen worden getoetst aan de tweede tuchtnorm van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BIG. Om te komen tot een antwoord op de vraag of dat in dit geval zo is, en dus of klaagster ontvankelijk is in haar klacht, overweegt het college het volgende.

NaN. In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot deze nieuwe tweede tuchtnorm is de beoogde invulling van die norm als volgt toegelicht: “De wijziging beoogt te verduidelijken dat het tuchtrecht tevens van toepassing is in de volgende situaties. (…) als een BIG-geregistreerde in de privésfeer of in de hoedanigheid van een ander beroep dan waarvoor hij is geregistreerd zich schuldig maakt aan misdragingen van dien aard en ernst dat hij een gevaar voor patiënten vormt of het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig schaadt. Hier moet gedacht worden aan levens-, gewelds-, en zedendelicten, zoals seksueel misbruik of ernstige mishandeling.” (Kamerstukken II, 2016-2017, 34 629, nr. 3 (MvT), p. 22). In het licht van die toelichting wordt als volgt overwogen.

NaN. Het college is van oordeel dat het aan verweerder verweten handelen niet onder deze tweede tuchtnorm valt. Weliswaar was het, naar het oordeel van het college, zorgvuldiger en meer gepast geweest als verweerder zich jegens de rechtbank in andere bewoordingen had uitgelaten over de door hem gestelde psychische problemen van klaagster én als hij daarbij had nagelaten te vermelden dat hij ‘bedrijfsarts is en mede daardoor veel te maken heeft met mensen met geestelijke problemen en dan ook bekwaam is in het analyseren van het gedrag van mensen’. Echter, niet geoordeeld kan worden dat verweerder zich zodanig heeft gedragen dat hij een gevaar voor patiënten vormt of het vertrouwen in de beroepsuitoefening ernstig heeft geschaad. Bij dat oordeel betrekt het college de omstandigheid dat verweerder zijn uitlatingen niet in het openbaar heeft gedaan maar in de beslotenheid van een familierechtelijke procedure én de omstandigheid dat het - zo blijkt ook uit het overgelegde proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2021 - voor alle procesdeelnemers duidelijk is geweest dat verweerders visie op klaagsters geestestoestand een visie van een procespartij was, en niet van een onafhankelijke deskundige.

NaN. Het vorenstaande betekent dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht.

NaN. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact.

Aldus beslist door:

A. van Maanen, voorzitter,

R.L. Kloots, E.G. van der Jagt en J. Dogger, leden-arts,

E. Pans, lid-jurist,

bijgestaan door A.M. Kerstens, secretaris,

en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.