Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3573

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:32
Datum uitspraak: 22-03-2022
Datum publicatie: 12-04-2022
Zaaknummer(s): A2021/3573
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een kinderarts-nefroloog. De kinderarts is de behandelaar van de zoon van klager. Klager klaagt over de onvoldoende inzet van de kinderarts voor haar patiënt en over de wijze waarop zij klager (niet) bij de behandeling van zijn zoon betrekt. Het college komt tot de volgende conclusie. Voor zover klager namens zijn zoon klaagt, wordt hij niet-ontvankelijk verklaard. De zoon was op het moment van indiening van de klacht 17 jaar oud en was zelf bevoegd tot het indienen van een klacht. Een machtiging van zoon ontbreekt. De klacht wordt voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Uit het verweer – dat onweersproken is gebleven – rijst het beeld op van een betrokken kinderarts, die zich begaan toon met het wel en wee van haar patiënt en zich ervoor inspant om de steun van beide ouders voor hun zoon te verkrijgen en te behouden.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 15 oktober 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klager,

tegen

C,

kinderarts-nefroloog,

werkzaam te D,

verweerster, hierna ook: de kinderarts,

gemachtigde: mr. D.M.S. Gribling te Amsterdam

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met de bijlage;
  • de aanvulling op het klaagschrift met de bijlage;
  • het verweerschrift met de bijlage;
  • de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?

Verweerster is behandelend kinderarts van de zoon van klager sinds de zoon van klager bijna 15 jaar oud was. Klager is ontevreden over de inzet van de kinderarts voor haar patiënt en over de wijze waarop zij klager (niet) bij de behandeling van zijn zoon betrekt. Het college acht de klacht deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Dit wordt hierna toegelicht.
 

3.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan.
 

3.1       De zoon van klager en zijn ex-echtgenote, E (hierna: de zoon), is geboren in februari 2004. De zoon heeft een autismespectrumstoornis en lijdt aan terminale nierinsufficiëntie en colitis ulcerosa. Hij is sinds januari 2019 onder behandeling bij de kinderarts. Hij kan door zijn autisme moeilijk omgaan met zijn chronische lichamelijke ziekte en de veranderingen die deze ziekte soms met zich meebrengt. Bij de behandeling van de zoon is ook een kinderpsychiater betrokken.
 

3.2       De kinderrechter heeft in een beschikking van 26 april 2021 een machtiging gegeven tot het verlenen van verplichte zorg aan de zoon. Uit de beschikking blijkt dat de zoon op dat moment was opgenomen en goed meewerkte aan zijn behandeling en dat de machtiging vooral bedoeld is als steun in de rug om de zorg ook in de thuissituatie te kunnen voortzetten als dit niet op vrijwillige basis zou lukken.

4.         De klacht en het standpunt van klager

Klager verwijt de kinderarts dat zij:

  1. geen interesse heeft in het welzijn van de zoon, anders dan puur medisch;
  2. klager geen toestemming vraagt voor en geen informatie geeft over de behandeling van zijn zoon;
  3. de zoon aanspoort deel te nemen aan een genetisch experiment;
  4. klagers inzet dwarsboomt en negeert, onder andere met betrekking tot zijn wens om nierdonor te worden voor de zoon.

5.         Het standpunt van de kinderarts

De kinderarts is het niet eens met de klacht. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal het college, voor zover nodig, hierna ingaan.

6.         De beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1       Uit de stukken wordt niet duidelijk of klager de klacht indient (mede) namens de zoon of namens zichzelf. Van enige medewerking van de zoon aan het indienen van de klacht is niet gebleken. De zoon was op het moment van indiening van de klacht 17 jaar oud en op grond van artikel 7:447 lid 3 Burgerlijk Wetboek zelf bevoegd tot het indienen van een klacht. Om die reden kan klager niet zonder ondertekende machtiging namens zijn zoon klagen over diens behandeling door de kinderarts. Dat zou anders kunnen liggen als de zoon wilsonbekwaam zou zijn ten aanzien van het indienen van een klacht, maar dat is het college uit de stukken onvoldoende gebleken.
 

6.2       Voor zover klager namens zijn zoon klaagt, wordt hij op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover klager namens zichzelf klaagt over de mate waarin de kinderarts hem bij de behandeling van zijn zoon heeft betrokken, is hij wel ontvankelijk en wordt die klacht hierna beoordeeld.
 

Maatstaf

6.3       Het college stelt voorop dat de vraag moet worden beantwoord of de kinderarts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ kinderarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening. Ook gaat het college uit van de op dat moment geldende beroepsnormen. Het gaat er niet om of de kinderarts, achteraf beschouwd, misschien beter of anders had kunnen handelen, maar of zij bij de toen bekende stand van zaken redelijkerwijs heeft kunnen handelen zoals zij heeft gedaan.
 

klachtonderdelen 2 en 4 – betrokkenheid klager bij de behandeling

6.4       De kinderarts heeft in het verweerschrift uitvoerig toegelicht wat zij heeft gedaan om klager te bereiken, welke contacten zij met klager heeft gehad en waarover deze contacten gingen. Kort samengevat heeft zij aangevoerd dat zij de zoon op 15 januari 2019 voor het eerst zag, in het bijzijn van beide ouders. De nierfunctie van de zoon was zeer slecht en nierfunctievervangende therapie was noodzakelijk. Na overleg met beide ouders is op 5 maart 2019 besloten tot hemodialyse en psychosociale begeleiding van de zoon. De dialyse zou eerst drie- en later viermaal per week plaatsvinden met één maal per maand een afspraak op het spreekuur van de kinderarts. De kinderarts heeft regelmatig pogingen ondernomen om klager bij de behandeling van zijn zoon te betrekken, ook nadat de zoon 16 jaar geworden was en toestemming van klager voor ingrepen niet meer vereist was. Zij heeft regelmatig getracht klager telefonisch te bereiken, ook naar aanleiding van door klager bij het ziekenhuis ingediende klachten, maar dat is in 2019 alleen op 9 april gelukt. Zij heeft hem toen geïnformeerd over de behandeling van de zoon en hem verzocht om langs te komen in het ziekenhuis, zodat zij hem goed kon bijpraten. Dit wilde klager niet. Ondanks diverse pogingen tot contact heeft de kinderarts klager tot 28 september 2020 niet éénmaal gezien of gesproken.  Klager is nooit meegekomen naar het ziekenhuis voor de dialyse van zijn zoon. Als de kinderarts klager (meestal telefonisch) sprak, dan informeerde zij hem over de stand van zaken. Zij heeft hem meerdere malen uitgelegd dat hij – met toestemming van de zoon – toegang kon krijgen tot ‘Mijndossier’, zodat hij zelf ook (digitaal) op de hoogte kon blijven. De kinderarts heeft klager steeds uitgenodigd om mee te komen naar de dialyse en de afspraken die zij had met de zoon (en zijn moeder) over zijn gezondheidssituatie. Zo was hij uitgenodigd voor een afspraak op 23 november 2020 om te praten over de toekomst, de dialyse en een eventuele transplantatie. De zoon wilde zelf geen transplantatie. Klager is, ondanks dat hij de afspraak telefonisch bij de betrokken maatschappelijk werker had bevestigd, niet verschenen en was ook niet telefonisch bereikbaar. Tijdens de opname van de zoon van 22 januari 2021 tot 22 maart 2021, toen de zoon is gediagnosticeerd met colitis ulcerosa, is klager alleen op 1 februari 2021 naar het ziekenhuis gekomen, waar hij met de kinderarts en de betrokken psychiatrisch gezinsbehandelaar heeft gesproken. Bij de familiegesprekken op 1 en 15 maart 2021 is klager niet gekomen. Tijdens de opname van de zoon op de Medisch Psychiatrische Unit van 22 maart 2021 tot 25 mei 2021 is klager uitdrukkelijk uitgenodigd voor het wekelijkse overleg op donderdag om 16.30 uur. Klager is éénmaal bij de zoon langs geweest. De kinderarts heeft hem toen kort kunnen spreken over de opname van de zoon. Klager had toen maar tien minuten de tijd. Op 25 mei 2021, bij het ontslag van de zoon, is het de kinderarts gelukt klager telefonisch te bereiken, en in de periode van juni tot en met september 2021 is er zes keer telefonisch contact geweest. Daarna heeft zij niet meer van hem vernomen tot de indiening van deze klacht.
 

6.5       De kinderarts begrijpt niet waarom klager haar tuchtrechtelijk heeft aangesproken. Als klager met zijn zoon was meegekomen naar het ziekenhuis en beter bereikbaar was geweest, had hij alle informatie gekregen waarnaar hij op zoek was. De keren dat de kinderarts klager heeft gesproken heeft zij hem steeds, met instemming van de zoon, zo volledig mogelijk geïnformeerd over de verschillende aspecten van de behandelingen, de geestelijke gesteldheid van de zoon en de daarmee verband houdende langdurige opnamen. Zij heeft juist steeds geprobeerd klager ‘aangehaakt’ te houden. Ook is meerdere malen aan de orde gekomen dat de zoon geen niertransplantatie wilde, ondanks dat klager zich vanaf het begin als nierdonor heeft aangeboden. De kinderarts heeft klager voor zijn wens tot donatie van zijn nier verwezen naar de polikliniek Nierdonatie en hem een informatiepakket ‘Donatie bij leven’ meegegeven. Als behandelaar van de zoon heeft zij geen enkele betrokkenheid bij een donatieproces. Donatie is evenwel niet aan de orde zolang de zoon zelf geen transplantatie wenst.
 

6.6       Het college overweegt het volgende.
Wat de kinderarts heeft aangevoerd is onweersproken gebleven, nu klager van de mogelijkheid om in een vooronderzoek gehoord te worden geen gebruik heeft gemaakt. Uit alles wat de kinderarts heeft aangevoerd blijkt naar het oordeel van het college dat haar uitgangspunt is om beide ouders zoveel mogelijk te betrekken bij de behandeling van hun kind, zodat ook beide ouders het kind zo goed mogelijk kunnen steunen in zijn ziekteproces. Dit is zij blijven doen nadat de zoon 16 jaar is geworden en toestemming van de ouders voor behandeling van de zoon niet meer nodig is. In dat kader heeft de kinderarts zich telkens weer ingespannen om contact met klager te krijgen én te houden over het ziekteproces van zijn zoon. Daarbij heeft de kinderarts klager verteld dat (en hoe) hij inzage in het zorgdossier kan krijgen, mits met toestemming van de zoon. Ook heeft ze gezegd welke stappen klager kon ondernemen als hij in aanmerking wilde komen als nierdonor, maar dat dit niet aan de orde was zolang de zoon zelf geen transplantatie wilde. Naar het oordeel van het college is de kinderarts dan ook niet tekort geschoten in haar benadering van klager als de vader van haar patiënt en is van negeren of tegenwerken al helemaal niet gebleken. De klachtonderdelen 2 en 4 zijn kennelijk ongegrond.
 

klachtonderdelen 1 en 3 – zorg voor de zoon

6.7       Ook de klachtonderdelen 1 en 3 zijn kennelijk ongegrond. Uit het verweerschrift – dat onweersproken is gebleven, zoals hiervoor al is geconstateerd – rijst het beeld op van een betrokken kinderarts, die zich begaan toont met het wel en wee van haar patiënt en zich ervoor inspant om de steun van beide ouders voor hun zoon te verkrijgen en te behouden. De kinderarts heeft in dat kader ook gemeld dat zij twee keer samen met de psychiatrisch gezinsbehandelaar met klager heeft gesproken, waarbij zij niet alleen over de medische situatie hebben gesproken, maar juist ook over de psychische gesteldheid van de zoon en de noodzaak in dat verband dat klager met zijn zoon zou meekomen naar het ziekenhuis.
 

6.8       De kinderarts heeft voorts betwist dat sprake zou zijn van een genetisch experiment, waar zij de zoon toe zou aansporen. Klager heeft zijn stelling op dit punt verder niet onderbouwd, zodat het college klager hierin niet kan volgen.

6.9       De conclusie is dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is.

7.         De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk niet-ontvankelijk voor zover de klacht namens de zoon is ingediend en verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Aldus beslist op 22 maart 2022 door:

N.B. Verkleij, voorzitter,

A.A.M. Leebeek-Groenewegen en N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.