Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRAMS:2022:167 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3924

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:167
Datum uitspraak: 18-11-2022
Datum publicatie: 18-11-2022
Zaaknummer(s): A2022/3924
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
  • Niet-ontvankelijk
  • Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klager stelt dat de verpleegkundige zijn beroepsgeheim heeft geschonden door met de psychiater – die klager heeft gezien in verband met een psychiatrisch onderzoek bij het CBR – te spreken over zijn alcoholgebruik. Klager heeft een toestemmingsformulier getekend maar was in de veronderstelling dat er enkel gesproken zou worden over de behandeling van zijn psychiatrische diagnose en niet over zijn alcoholgebruik. Het college overweegt dat er een door klager getekend toestemmingsformulier aanwezig is in de stukken. Dit toestemmingsformulier geeft de verpleegkundige toestemming om medische gegevens uit te wisselen aan de keurende psychiater. Het college volgt het verweer van de verpleegkundige dat alcoholconsumptie een onderdeel is van de psychiatrische diagnose en behandeling. Nu er sprake was van toestemming van klager, heeft de verpleegkundige zijn beroepsgeheim niet geschonden door te spreken over de alcoholconsumptie van klager. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht kennelijk ongegrond

A2022/3924


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing van 18 november 2022 naar aanleiding van de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
verpleegkundige,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de verpleegkundige,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam te E.


1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 februari 2022 bij het regionaal tuchtcollege Zwolle en na overdracht aan het regionaal tuchtcollege Amsterdam aldaar ontvangen op 28 maart 2022;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de brief van 15 mei 2022, binnengekomen op 18 mei 2022, van klager.

De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (het mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.


2. Waar gaat de zaak over?
2.1 In het kader van een psychiatrisch onderzoek bij het Centraal Bureau voor de uitgifte van Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) werd klager gezien door een psychiater. Ten behoeve van het psychiatrisch onderzoek heeft de psychiater telefonisch contact gehad met de behandelaar van klager: de verpleegkundige. Gedurende dit gesprek is gesproken over de gezondheidstoestand, waaronder het alcoholgebruik, van klager. Na dit gesprek heeft de verpleegkundige klager een kort verslag gestuurd van dit gesprek.

2.2 Klager verwijt de verpleegkundige dat hij mogelijk het telefoongesprek onjuist heeft weergegeven aan klager. Daarnaast zou de verpleegkundige zijn beroepsgeheim hebben geschonden door met de psychiater over het alcoholgebruik van klager te spreken. De overige onderdelen van de klacht zijn gericht tegen de psychiater. Tegen de psychiater is ook een klacht ingediend met kenmerk A2022/3925.

2.3 Het college komt tot de conclusie dat de klachtonderdelen deels niet-ontvankelijk zijn en deels ongegrond. Het college licht dat hierna toe.


3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 De verpleegkundige is werkzaam bij F: een organisatie die geestelijke gezondheidszorg aanbiedt. De verpleegkundige is sinds lange tijd de behandelaar van klager.

3.2 Klager werd in het kader van een gezondheidsverklaringsprocedure bij het CBR opgeroepen voor een psychiatrisch onderzoek. In juli 2021 werd het psychiatrisch onderzoek verricht door de psychiater. Klager heeft in juli 2021 een verklaring getekend waarmee hij toestemming geeft aan de verpleegkundige om medische gegevens te verstrekken aan de psychiater. De psychiater heeft ten behoeve van het door haar op te stellen rapport contact gehad met de verpleegkundige.

3.3 In december 2021 stuurt de verpleegkundige een e-mail naar klager waarin hij laat weten dat hij contact heeft gehad met de psychiater en een terugkoppeling van dat gesprek geeft. De verpleegkundige geeft daarin, voor zover relevant, het volgende aan:

“…
Telefonisch contact gezocht met G, psychiater te H.

Ze heeft op dit moment van ons verder niets nodig. Ik heb genoemd dat alcohol gebruik wel paar keer ter sprake was geweest de afgelopen jaren.
Verder geen info gegeven.
…”.

3.4 In augustus 2021 is het rapport van het psychiatrisch onderzoek gereed. De uitkomst van het rapport is dat de psychiater niet anders kan concluderen dan dat in verband met het gebruik van alcohol, met kenmerken van een comorbide stoornis bij de stemmingsproblematiek, er geen basis is voor een gunstig advies in samenhang met de Regeling Eisen Geschiktheid.


4. Wat houdt de klacht in?
De klacht van klager bestaat uit de volgende onderdelen:
1) uit de anamnese en het onderzoek bleken te weinig aanwijzingen voor de psychiater om het onderzoek uit te      breiden naar alcoholgebruik;
2) er is aan klager door de psychiater niet expliciet uitgelegd dat er een bloedonderzoek zou worden gedaan naar alcoholgebruik;
3) de weergave van het gesprek tussen de verpleegkundige (de behandelaar) en de psychiater is onjuist;
4) de verpleegkundige heeft zijn beroepsgeheim geschonden door met de psychiater te spreken over het alcoholgebruik van klager terwijl klager in de veronderstelling was dat het enkel ging over de behandeling van zijn psychiatrische diagnose;
5) een groot deel van de conclusie van het onderzoek door de psychiater berust op de verhoogde CDT-waarde (CDT: Carbohydrate Deficiënt Transferrin).


5. Wat is het verweer?
De verpleegkundige stelt zich ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 2 en 5 op het standpunt dat deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat deze klachtonderdelen gericht zijn tegen de psychiater. Verder stelt de verpleegkundige zich op het standpunt dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht daarom voor het overige ongegrond moet worden verklaard. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.


6. Wat zijn de overwegingen van het college?
De ontvankelijkheid
6.1 De verpleegkundige stelt terecht dat de klachtonderdelen 1, 2 en 5 gericht zijn tegen
de psychiater. Het college overweegt dat over deze zaken daarom niet tegen de verpleegkundige kan worden geklaagd, zodat deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk zijn.

6.2 Het college zal de klachtonderdelen 3 en 4 inhoudelijk beoordelen.

De inhoudelijke beoordeling
6.3 De vraag die moet worden beantwoord is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ verpleegkundige. Het college gaat daarbij uit van de geldende beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening.

Klachtonderdeel 3: weergave gesprek onjuist weergegeven
6.4 Klager stelt wat betreft dit klachtonderdeel dat de weergave van het gesprek tussen de psychiater en de verpleegkundige onjuist is. Klager stelt dat of de psychiater of de verpleegkundige niet de waarheid spreekt. De verpleegkundige stelt dat hij op 20 december 2021 een e-mail aan klager heeft verzonden waarin wordt weergegeven wat er met de psychiater is besproken. Hieruit blijkt dat er is gesproken over alcoholgebruik, de term alcoholmisbruik werd niet genoemd.

6.5 Het college overweegt dat niet is vast te stellen wat er precies is gezegd tijdens het onder 3.3 bedoelde telefoongesprek tussen de verpleegkundige en de psychiater. Het college kan dan ook niet vaststellen of de verpleegkundige het telefoongesprek juist heeft weergegeven aan klager in de e-mail van december 2021. Uit de stukken die partijen hebben aangeleverd, komt dit ook niet duidelijk naar voren. In gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond worden bevonden. Dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel 4: beroepsgeheim geschonden
6.6 Klager stelt dat de verpleegkundige zijn beroepsgeheim heeft geschonden door met de psychiater te spreken over zijn alcoholgebruik. Klager heeft een toestemmingsformulier getekend maar was in de veronderstelling dat er enkel gesproken zou worden over de behandeling van zijn psychiatrische diagnose en niet over zijn alcoholgebruik. De verpleegkundige stelt dat klager door het toestemmingsformulier te tekenen, toestemming heeft gegeven aan de verpleegkundige voor het uitwisselen van medische gegevens aan de keurende psychiater. In het formulier zijn geen beperkingen afgesproken over welke informatie uitgewisseld mocht worden. De alcoholconsumptie van een patiënt is onderdeel van de psychiatrische diagnose en behandeling, aldus de verpleegkundige.

6.7 Het college overweegt dat er een door klager getekend toestemmingsformulier aanwezig is in de stukken. Dit toestemmingsformulier geeft de verpleegkundige toestemming om medische gegevens uit te wisselen aan de keurende psychiater. Het college volgt het verweer van de verpleegkundige dat alcoholconsumptie een onderdeel is van de psychiatrische diagnose en behandeling. Nu er sprake was van toestemming van klager, heeft de verpleegkundige zijn beroepsgeheim niet geschonden door te spreken over de alcoholconsumptie van klager. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Conclusie
6.8 Het college komt tot de conclusie dat de klachtonderdelen 1, 2 en 5 kennelijk niet-ontvankelijk zijn en dat de klachtonderdelen 3 en 4 kennelijk ongegrond zijn.


7. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 1, 2 en 5 kennelijk niet-ontvankelijk;
- verklaart de klachtonderdelen 3 en 4 kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door P.M. de Keuning, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist,
P.A. Arnold, E.M. Rozemeijer en E.M. Vink-de Goeij, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.