Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2022:48 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.1078

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:48
Datum uitspraak: 16-03-2022
Datum publicatie: 16-03-2022
Zaaknummer(s): C2021.1078
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verpleegkundige. Klager is de vader van een zoon die al meer dan elf jaar uit huis is geplaatst. Klager is er op enig moment op geattendeerd dat in zijn woonplaats iemand (de verpleegkundige) actief is die het voor elkaar kon krijgen dat uit huis geplaatste kinderen weer thuis komen wonen. De verpleegkundige heeft klager twee keer thuis bezocht en een hulpverleningsplan opgesteld. Klager heeft dit plan naar jeugdzorg gestuurd, waarna hem werd geantwoord dat de rechter een beslissing heeft gegeven en dat jeugdzorg zich daaraan houdt. Klager verwijt de verpleegkundige dat zij:a. valse illusies maakt door te stellen dat zij deskundig is, dat zij verpleegkundige en EMDR-therapeut is en dat zij met zaken komt die kant noch wal raken;b. meent deskundig te zijn op gebieden die niets met verpleegkunde te maken hebben, zoals de bevoegdheid een indicatie te geven op pedagogisch/psychologisch gebied;c. haar registratie als verpleegkundige misbruikt. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht gegrond en legt aan de verpleegkundige de maatregel van berisping op. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van de verpleegkundige, maar laat de openbare niet-geanonimiseerde publicatie van de beslissing vervallen.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1078 van:
A., verpleegkundige, werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg,
tegen
C., wonende te B., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg, gemachtigde: D. te E..
1.    Verloop van de procedure
C. - hierna klager - heeft op 1 september 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. - hierna de verpleegkundige - een klacht ingediend. Bij beslissing van 4 juni 2021, onder nummer 20104 heeft dat College de klacht gegrond verklaard en aan de verpleegkundige de maatregel van berisping opgelegd. Tevens is bepaald dat de beslissing wordt aangetekend in het BIG-register en dat de minister zorg draagt voor openbare kennisgeving van hetgeen in het BIG-register is aangetekend. 
De verpleegkundige is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 2 februari 2022, waar zijn verschenen de verpleegkundige en klager, bijgestaan door zijn gemachtigde. 
D. heeft de standpunten van klager toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2.    De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1    Klager is de vader van F., geboren in 2007 (hierna: de zoon). Zijn zoon is meer dan elf jaar geleden uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Jeugdzorg. Sinds enige jaren vindt er via de rechter in beperkte mate omgang plaats tussen klager en zijn zoon. 
2.2    Klager is door zijn gemachtigde erop geattendeerd dat er in zijn woonplaats sinds enige tijd iemand actief is, die het voor elkaar kan krijgen dat uit huis geplaatste kinderen weer thuis kunnen wonen. Klager heeft vervolgens via zijn gemachtigde contact gelegd met deze persoon. Dit bleek later verweerster te zijn. 
2.3    Verweerster is als zelfstandig gevestigd verpleegkundige werkzaam.
2.4    Verweerster heeft eind februari 2020 klager thuis bezocht. Tijdens het gesprek heeft zij klager om een foto van hem en zijn zoon gevraagd en heeft zij vervolgens die foto ingestraald en opgestuurd naar een vriendin. Verweerster deelde klager mee dat hij een EMDR-behandeling wegens traumaverwerking moest ondergaan alsook dat zij een hulpverleningsplan zou schrijven.
2.5    Op 3 maart 2020 bezocht verweerster klager wederom en had zij het hulpverleningsplan, getiteld ‘PLAN VAN AANPAK’ in tweevoud bij zich. Klager heeft toen van dit plan het exemplaar van verweerster ondertekend. In het ‘PLAN VAN AANPAK’ staat, voor zover relevant:
“(…)
Periode 1 jaar indien nodig een family buddy in huis, als het kind thuis is, starten met begeleidingen en zo nodig therapieën.
Leerdoelen
1. Herenigen van het gezin
2. Behandelen van posttraumatisch syndroom bij het kind
3. Begeleiden vh gezin thuis (hier ts vader en kind)
4. Dagelijks leven terug pakken, ouder(s) en/of kind terug in hun kracht zetten ahv 
begeleiding en therapie.
Subdoelen en te gebruiken middelen
Leerdoel 1:    Hereniging in het gezin.
(…)
Middelen:
1.1  Kindercoach
1.2 Psycholoog
Leerdoel 2:    Behandeling post traumatisch syndroom
(…)
Middelen:
2.1  EMDR eventueel EMDR? En of voor vader familieopstelling.
2.2 Kindercoach, life coach”.”
2.6.    Klager heeft het hulpverleningsplan naar Jeugdzorg gestuurd, waarna hem werd geantwoord dat de rechter een beslissing heeft gegeven en dat Jeugdzorg zich daaraan houdt. Aan het hulpverleningsplan/plan van aanpak heeft klager geen verdere uitvoering gegeven.
3.    De klacht
Klager verwijt verweerster, zakelijk weergegeven, dat zij: 
a.    valse illusies maakt door te stellen ‘ik ben deskundig, ik ben verpleegkundige
        en EMDR-therapeut’ en met zaken komt die kant noch wal raken;
b.    meent deskundig te zijn op gebieden die niets met verpleegkunde te maken 
hebben, zoals de bevoegdheid een indicatie te geven op pedagogisch/ psychologisch gebied;
c.    haar registratie als verpleegkundige misbruikt.
Klager is van mening dat verweerster als professioneel verpleegkundige alle regels met betrekking tot goede zorg te buiten is gegaan en misbruik maakt van haar registratie als verpleegkundige. Het lijkt hem zaak om deze registratie te beëindigen. 
In zijn aanvullend klaagschrift heeft klager erop gewezen dat verweerster ook een schrijversnaam (college: pseudoniem) hanteert, zich profileert als verpleegkundige alsook dat zij op haar LinkedIn pagina schrijft dat ze kinderverpleegkundige is. Ook op een aantal door haar gebruikte websites profileert zij zich als deskundige en geeft ze aan dat ze weet kinderen, die uit huis geplaatst zijn, weer bij hun ouders thuis te plaatsen zónder inmenging van rechters.  
4.    Het standpunt van verweerster
Bij aangetekende brief van 29 september 2020 heeft de secretaris van het tuchtcollege 
het klaagschrift, de brief van de secretaris van 7 september 2020, het aanvullend klaagschrift, de brief van de secretaris van 14 september 2020, de aanvullende informatie en de cd-rom, beide op 18 september 2020 van klager ontvangen, aan verweerster gestuurd. Tevens is verweerster in deze brief in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk bij verweerschrift te reageren. Genoemde brief van 29 september 2020 is door het tuchtcollege op 20 oktober 2020 retour ontvangen onder de vermelding dat verweerster de zending niet heeft afgehaald. Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de secretaris verweerster gevraagd zo spoedig mogelijk telefonisch met het tuchtcollege contact op te nemen, zodat de aangetekend verstuurde stukken alsnog aan haar kunnen worden aangeboden. Verweerster heeft daarop bij e-mailbericht gereageerd. Vervolgens zijn bij aangetekende brief van 9 november 2020 genoemde stukken nogmaals naar verweerster gestuurd. Deze zending is volgens een bericht van PostNL op 10 november 2020 bezorgd. Het tuchtcollege heeft ook daarna geen verweerschrift ontvangen. Bij brief van 
1 februari 2021 is verweerster meegedeeld dat het voor haar niet meer mogelijk is schriftelijk op het standpunt van klager te reageren. Verweerster is uitgenodigd voor de zitting van 23 april 2021, maar daar is zij zonder bericht niet verschenen. 
5.    De overwegingen van het college
Het college leidt uit het klaagschrift, het aanvullend klaagschrift en de mededelingen van zowel klager als zijn gemachtigde ter zitting af dat verweerster zich ten opzichte van klager heeft gepresenteerd als verpleegkundige. Voorts leidt het college daaruit af dat het de bedoeling was dat verweerster als zelfstandig gevestigd verpleegkundige de in het plan van aanpak voorgestelde behandeling, onder meer bestaande uit EMDR-therapie en familieopstelling, bij klager en zijn zoon zou uitvoeren. Verweerster heeft de stellingen van klager onweersproken gelaten. 
De toepassing van deze behandelingen/therapieën behoort niet tot de gebruikelijke deskundigheid van een verpleegkundige. Gesteld noch gebleken is dat verweerster daarvoor is opgeleid en daarom deskundig en bevoegd is om dergelijke behandelingen uit te voeren. Door deze behandelingen aan te bieden met de bedoeling deze vervolgens uit te voeren, heeft verweerster niet gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam verpleegkundige mag worden verwacht. Dat de behandeling vervolgens niet is geëffectueerd doet daar naar het oordeel van het college niet aan af. Dat is namelijk niet te wijten aan verweerster, maar aan het feit dat klager niet verder met verweerster in zee wilde gaan, omdat hij twijfels had of verweerster haar beloften wel kon waar maken en ernstig betwijfelde of zij wel ter zake deskundig was. Het feit dat verweerster bij haar eerste bezoek aan klager vroeg om een foto van hem en zijn zoon en deze vervolgens ‘instraalde’ heeft daartoe in belangrijke mate bijgedragen, zo heeft het college op grond van de verklaring van klager ter zitting begrepen. Het is voor het college niet begrijpelijk hoe verweerster heeft kunnen denken dat haar ‘behandeling’ tot het in het behandelplan voorgespiegelde resultaat, namelijk hereniging van het gezin, zou kunnen leiden. Dat is in dit soort zaken uiteindelijk aan de rechter, die zich bij de te nemen beslissing laat adviseren door (erkende) instanties als de Raad voor de Kinderbescherming en Jeugdzorg. Klager verwijt verweerster dan ook terecht dat zij valse illusies maakt. Door deze handelwijze speelt verweerster in op de wanhoop van ouders zoals klager, en als verpleegkundige schaadt zij daarmee ook het vertrouwen in de gehele beroepsgroep. Met haar handelwijze overschrijdt zij de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening alsook van de voor haar geldende professionele beroepsnormen. Wat betreft de professionele beroepsnormen verwijst het college in het bijzonder naar artikel 4.7 van de Beroepscode van Verpleegkundigen en Verzorgenden (januari 2015). Daarin staat:
“4.7    Als verpleegkundige/verzorgende bewaak ik de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van mijn beroepsgroep. 
Dit betekent onder andere dat ik 
- mij bij de uitoefening van mijn beroep gedraag op een manier die het vertrouwen van zorgdragers in mijzelf en in de beroepsgroep bevordert
- mij in de sociale media presenteer op een manier die het vertrouwen van zorgdragers in mijzelf en in de beroepsgroep bevordert
(…)”
De wijze waarop verweerster zich aan klager heeft gepresenteerd alsook hetgeen zij hem heeft voorgespiegeld is niet in overeenstemming met de wijze waarop een
zorgverlener zich jegens een zorgvrager dient te gedragen. Zij brengt daarmee ook schade toe aan de onafhankelijkheid, de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van haar beroepsgroep. 
Dit alles leidt tot de conclusie dat de klacht gegrond is.
maatregel en publicatie 
Verweerster heeft met haar handelwijze niet alleen de grenzen van haar professionele beroepsnormen en de grenzen van een redelijke bekwame beroepsuitoefening overschreden, maar ook het vertrouwen in de beroepsgroep op laakbare wijze geschonden. Verweerster heeft niet de moeite genomen zich ten opzichte van het tuchtcollege te verantwoorden. Dit rekent het college verweerster zeer aan. Het college acht om die reden de maatregel van berisping passend. 
Het college is verder van oordeel dat patiënten/cliënten hiervan op de hoogte moeten kunnen raken om te voorkomen dat nog meer wanhopige ouders de dupe worden van de onprofessionele zorgverlening van verweerster. Daarom oordeelt het college dat het belang van de individuele gezondheidszorg vordert dat deze maatregel (met vermelding van de naam van verweerster en de plaats waar zij werkzaam is) openbaar wordt gemaakt met de gronden waarop zij berust, zoals bedoeld in artikel 48, elfde lid, in verbinding met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, en zevende lid en artikel 11 Wet BIG.”

3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    De verpleegkundige is in beroep gekomen van de bestreden beslissing. De verpleegkundige voert aan dat klager in eerste aanleg ten onrechte ontvankelijk is verklaard in zijn klacht en meent ook overigens dat de klacht ongegrond is. 
4.2    Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Ontvankelijkheid 
4.3    De verpleegkundige voert allereerst aan dat klager ten onrechte ontvankelijk is verklaard in zijn klacht, omdat zij zich bij klager niet heeft gepresenteerd als verpleegkundige. De verpleegkundige meent bovendien dat zij op geen enkel moment in haar hoedanigheid als verpleegkundige jegens klager heeft gehandeld. 
4.4    Het Centraal Tuchtcollege volgt de verpleegkundige niet in haar stellingen en is van oordeel dat het Regionaal Tuchtcollege klager terecht ontvankelijk heeft verklaard in zijn klacht. De handelwijze van de verpleegkundige valt niet onder de eerste tuchtnorm, omdat het geen behandelrelatie van de verpleegkundige als zodanig is. Het Centraal Tuchtcollege beoordeelt dit handelen dan ook op basis van de tweede tuchtnorm, als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder b van de wet BIG. Het handelen is in strijd met hetgeen een behoorlijk verpleegkundige betaamt, ook indien het niet een verpleegkundig optreden betreft. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. Het Centraal Tuchtcollege acht het van belang dat de verpleegkundige ter mondelinge behandeling in beroep desgevraagd heeft verklaard dat zij bij het voorstellen aan klager heeft verteld dat zij verpleegkundige en zelfs kinderverpleegkundige is. Dit staat ook zo vermeld op de website van de verpleegkundige, waar zij zich onder haar schrijvers-pseudoniem presenteert als kinderverpleegster. De verpleegkundige heeft bovendien verklaard dat zij het belangrijk vindt om aan cliënten te vertellen dat zij verpleegkundige is omdat zij wil laten zien wie zij is, omdat zij vertrouwen wil wekken en opdat duidelijk is over welke beroepscompetenties zij beschikt. Onder deze omstandigheden is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de verpleegkundige zich aan klager heeft gepresenteerd als verpleegkundige vanwege het daardoor opgewekte vertrouwen; het feit dat zij van plan was therapeutische sessies te houden maakt dat niet anders. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager daarom terecht ontvankelijk verklaard in zijn klacht.  
Inhoudelijk 
4.5    In beroep zijn de schriftelijke klachten over het beroepsmatig handelen van de verpleegkundige en is het door de verpleegkundige gevoerde verweer tegen naar aanleiding van haar professioneel handelen geformuleerde klachten nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van die in eerste aanleg geformuleerde klachten en de daarover in eerste aanleg door klager ingenomen stellingen. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd.
In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 2 februari 2022 is dat debat voortgezet.
4.6    De behandeling van de zaak in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, behalve dan dat het Centraal Tuchtcollege niet overneemt de zinsneden in de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege dat de verpleegkundige de stellingen van klager onweersproken heeft gelaten en dat de verpleegkundige tijdens het eerste bezoek een foto van de zoon van klager instraalde. Dit instralen wordt door de verpleegkundige weersproken en is daarmee niet vast komen te staan. 
4.7    Dat sprake is van misbruik van tuchtrecht of de omstandigheid dat (de gemachtigde van) klager de verpleegkundige in een kwaad daglicht wil stellen, zoals de verpleegkundige stelt, is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de openbare publicatie van de maatregel berisping en opname in het BIG-register van die uitspraak uitgesproken. Een openbare kennisgeving en aantekening in het BIG-register wijkt af van de gebruikelijke gang van zaken bij een opgelegde berisping. Het Centraal Tuchtcollege wijkt op dit punt af van die beslissing. In beroep is de verpleegkundige wél verschenen en heeft zij haar standpunten aan het college voorgehouden. Onder die omstandigheden acht het Centraal Tuchtcollege de bredere bekendmaking dan in het dictum vermeld niet noodzakelijk. 
4.8    Het voorgaande betekent dat het beroep zal worden verworpen.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep, behoudens ten aanzien van de openbare kennisgeving en aantekening in het BIG-register;
verstaat dat die kennisgeving en aantekening vervallen; 
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan¬geboden aan het tijdschrift voor Ziekenverpleging (tvz), Nursing, V&VN Magazine, het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser
en A.R.O. Mooy, leden-juristen en D.A. Polhuis en H.A. de Visser, leden-beroepsgenoten en 
M. van Esveld, secretaris. 
Uitgesproken ter openbare zitting van 16 maart 2022.
            Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.