ECLI:NL:TGZCTG:2022:178 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1118

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:178
Datum uitspraak: 07-11-2022
Datum publicatie: 07-11-2022
Zaaknummer(s): C2021/1118
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen kinderarts. Klager is gescheiden en heeft een minderjarige dochter die kampt met (eet)problematiek. De dochter is door de huisartsenpraktijk met spoed doorverwezen naar de kinderarts. Verweerster is als kinderarts werkzaam in het ziekenhuis en heeft na onderzoek bij de dochter de diagnose anorexia nervosa gesteld en haar meteen laten opnemen. De dochter is in het ziekenhuis behandeld voor het somatische deel van de behandeling en enkele weken later in stabiele toestand ontslagen. Verweerster heeft de dochter daarna voor psychiatrische behandeling doorverwezen naar een kliniek gespecialiseerd in de behandeling van eetstoornissen. Klager was het niet eens met het behandelplan van deze kliniek, waarna verweerster de dochter voor een second opinion heeft verwezen naar een ander ziekenhuis. Daar is de dochter van klager gestart met een psychiatrisch-psychotherapeutische behandeling met somatische controle door een kinderarts. Klager heeft tegen verweerster een klacht ingediend, omdat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht en geen behandelplan heeft opgesteld, niet naar het onderliggende probleem heeft gekeken, niet heeft gereageerd op brieven van klager en heeft nagelaten Veilig Thuis in te schakelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft beslist dat de klacht kennelijk ongegrond is. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1118 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: C. uit D.,

tegen

R., kinderarts, werkzaam in F., beklaagde in beide instanties,

gemachtigde: mr. S. Muntinga verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 6 augustus 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te

Den Haag tegen R. - hierna verweerster - een klacht ingediend. Bij beslissing van

3 augustus 2021, onder nummer D2021/2301-2020-109, heeft dat College beslist dat de klacht kennelijk ongegrond is. Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Verweerster heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 oktober 2022. Klager is verschenen, bijgestaan door de heer C.. Verweerster was aanwezig, bijgestaan door mr. Muntinga. De heer C. heeft (namens klager) medegedeeld dat hij niet als getuige gehoord hoeft te worden. Tegelijk werden de tuchtklachten tegen twee andere kinderartsen in het H.-ziekenhuis die betrokken waren bij de behandeling van de dochter behandeld.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten
2.1       Klager heeft een dochter, geboren op 30 maart 2008 (hierna: de dochter). Op

25 mei 2020 is de dochter door de huisarts met spoed verwezen naar de kinderarts in het H.-ziekenhuis in F. (hierna: het ziekenhuis). Daar is zij op 26 mei 2020 gezien door beklaagde, die als kinderarts werkzaam is in het ziekenhuis. Beklaagde heeft de dochter vanwege haar lage gewicht (26,5 kg bij 147 cm lengte) en bradycardie laten opnemen.

2.2       De dochter is gediagnosticeerd met anorexia nervosa. Beklaagde heeft tijdens de opname een diëtiste en psycholoog bij de behandeling betrokken en heeft de dochter voor psychiatrische behandeling verwezen naar I. (hierna: de I.-kliniek). De dochter is uit het ziekenhuis ontslagen op 19 juni 2020, omdat zij toen somatisch stabiel was. 

2.3       Vanwege bezwaren van klager tegen behandeling bij de I.-kliniek, heeft beklaagde de dochter per brief van 28 juli 2020 verwezen voor een second opinion/advies verwezen naar de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het N.-P. (hierna: N.). Daarover is klager door beklaagde per mail van 28 juli 2020 geïnformeerd. In het N. is in november 2020 een behandeling op de polikliniek voor eetstoornissen gestart. 

            3.         De klacht
Klager verwijt de beklaagde - zakelijk weergegeven - dat zij:

2. onvoldoende onderzoek heeft verricht en geen behandelplan heeft opgesteld;

3. niet naar het onderliggende probleem heeft gekeken;

5. de brieven van klager onbeantwoord heeft gelaten;

8. heeft nagelaten S. in te schakelen.

4.         Het standpunt van beklaagde

Beklaagde stelt primair dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht. Beklaagde heeft subsidiair de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.        De beoordeling

De ontvankelijkheid van klager

8. Volgens artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de individuele beroepen in de individuele gezondheidszorg wordt een zaak in eerste aanleg aanhangig gemaakt door indiening van een klaagschrift door een rechtstreeks belanghebbende. Ouders van een minderjarige patiënt zijn als wettelijk vertegenwoordigers aan te merken als rechtstreeks belanghebbenden. Uit artikel 7:447 lid 3 Burgerlijk Wetboek volgt dat de minderjarige patiënt die jonger is dan

16 jaar, vanwege zijn jeugdige leeftijd in beginsel geacht wordt niet in staat te zijn tot een behoorlijke waarneming van zijn belangen op dit punt. Daarom zijn in dat geval in beginsel alleen zijn wettelijke vertegenwoordigers daartoe bevoegd, zonder dat van de instemming van de patiënt behoeft te blijken (zie CTG 1 oktober 2013, ECLI:NL:TGZCTG:2013:110). De dochter was op het moment van het indienen van de klacht twaalf jaar. Het College is daarom van oordeel dat klager als wettelijk vertegenwoordiger van zijn dochter als rechtstreeks belanghebbende kan worden beschouwd en daarom bevoegd is de klacht in te dienen, zonder dat de dochter met het indienen van de klacht heeft ingestemd. 

Klachtonderdelen a en b

5.2       De kern van de klacht is dat beklaagde volgens klager de dochter niet goed heeft geholpen, omdat zij niet zou hebben gekeken naar de onderliggende problematiek van de (eetstoornis van de) dochter en dat zij geen integraal medisch onderzoek heeft gedaan of laten doen. Het College is van oordeel dat beklaagde zorgvuldig heeft gehandeld. Zij heeft na het somatische deel van de behandeling een juiste doorverwijzing voor het psychiatrische deel van de behandeling gegeven. Klager heeft niet nader onderbouwd waarom het door beklaagde verrichte onderzoek onvoldoende was en niet geconcretiseerd naar wie zijn dochter naar zijn mening dan zou moeten worden verwezen. Deze klachtonderdelen slagen niet.

Klachtonderdeel c

5.3       Beklaagde heeft klager naar aanleiding van zijn brieven van 15 juni 2020 en 14 juli 2020 en een gesprek tussen klager en beklaagde op 14 juli 2020, schriftelijk (bij ongedateerde brief, overgelegd als bijlage 3 bij de brief van klager van

19 augustus 2020) geïnformeerd over de behandeling, het behandelplan en de verwijzing naar de I.-kliniek. In die brief is ook vermeld dat beklaagde diverse behandelmogelijkheden heeft onderzocht en dat klager zelf een behandelmogelijkheid in T. zou onderzoeken, omdat hij daarover positieve berichten had vernomen. Het dossier biedt geen grond voor het oordeel dat beklaagde brieven van klager onbeantwoord heeft gelaten dan wel anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld door klager onvoldoende te informeren. Dit klachtonderdeel slaagt daarom evenmin.

Klachtonderdeel d

5.4       Tijdens het vooronderzoek heeft beklaagde onweersproken gesteld dat zij met S. heeft besproken dat er zorgen waren omdat niet tot overeenstemming kon worden gekomen over de juiste behandeling. Dit klachtonderdeel faalt.  

5.5       Om bovenstaande redenen zal het College beslissen dat de klacht kennelijk

ongegrond is ”.

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de feiten weergegeven in overweging 2. “De feiten” van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Deze weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende, bestreden.

4. Beoordeling van het beroep

Zaak in het kort

4.1       Klager is gescheiden en heeft een minderjarige dochter die kampt met (eet)problematiek. De dochter is door de huisartsenpraktijk met spoed doorverwezen naar de kinderarts. Verweerster is als kinderarts werkzaam in het ziekenhuis en heeft na onderzoek bij de dochter de diagnose anorexia nervosa gesteld en haar meteen laten opnemen. De dochter is in het ziekenhuis behandeld voor het somatische deel van de behandeling en enkele weken later in stabiele toestand ontslagen (19 juni 2020). Verweerster heeft de dochter daarna voor psychiatrische behandeling doorverwezen naar de I.-kliniek, een kliniek gespecialiseerd in de behandeling van eetstoornissen. Klager was het niet eens met het behandelplan van deze kliniek, waarna verweerster de dochter voor een second opinion heeft verwezen naar een ander ziekenhuis, het N.-P. (N.) (28 juli 2020). De dochter van klager is daar in november 2020 gestart met een behandeling, bestaande uit psychiatrisch-psychotherapeutische behandeling met somatische controle door een kinderarts.

Standpunt klager

4.2       Klager wil met zijn beroep bereiken dat het Centraal Tuchtcollege zijn klacht in volle omvang (her)beoordeelt en in beroep alsnog gegrond verklaart. Klager vindt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en geen behandelplan heeft opgesteld en niet naar het onderliggende probleem heeft gekeken, niet heeft gereageerd op brieven van klager en heeft nagelaten S. in te schakelen.

Standpunt verweerster

4.3       De kinderarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het Centraal Tuchtcollege om het beroep te verwerpen.

Oordeel

4.4       Het Centraal Tuchtcollege komt in beroep tot hetzelfde oordeel als het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege licht dat hieronder toe.

4.5       Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de aan het Regionaal Tuchtcollege voorgelegde klacht en het debat dat partijen daarover bij dat tuchtcollege hebben gevoerd.

4.6       In beroep hebben partijen het debat schriftelijk nog een keer gevoerd. Daarbij heeft ieder van hen standpunten ingenomen over de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 oktober 2022 is dat debat voortgezet.

4.7       Klager is ontvankelijk in de klacht en het beroep. Het Centraal Tuchtcollege acht klager bevoegd om over de behandeling van zijn dochter te klagen. Instemming van de dochter is daarvoor niet nodig.

Het Centraal Tuchtcollege is bevoegd om kennis te nemen van een schriftelijke klacht van een rechtstreeks belanghebbende (art. 65 lid 1 sub a Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg). Een rechtstreeks belanghebbende is in ieder geval de patiënt zelf, maar ook naaste bloed- en aanverwanten, zoals ouders. Uit artikel 447 lid 3 Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) vloeit voort dat een minderjarige patiënt pas vanaf zestien jaar bevoegd is om zelf een klacht in te dienen. De dochter van klager is nog geen 16 jaar en wordt geacht nog niet in staat te zijn tot een behoorlijke waarneming van haar belangen. Tot aan het bereiken van de leeftijd van 16 jaar zijn in beginsel alleen haar ouders/wettelijke vertegenwoordigers bevoegd om een klacht in te dienen over haar behandeling, zonder dat van haar instemming behoeft te blijken. Klager heeft (samen met de moeder) het gezag over zijn dochter en is (mede) haar wettelijke vertegenwoordiger en als zodanig bevoegd om over de behandeling van zijn dochter te klagen. Dit betekent dat klager ontvankelijk is in de klacht en het beroep en dat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.

4.8       Wat betreft de formulering van de klacht overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Het is de tuchtrechter toegestaan om de ingediende klachten op overzichtelijke en/of samenvattende wijze te formuleren. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de manier waarop het Regionaal Tuchtcollege de klacht in de beslissing heeft geformuleerd voldoende recht doet aan de inhoud van de klachten die klager tegen verweerster heeft ingediend. Het bezwaar van klager dat het Regionaal Tuchtcollege de essentie van zijn klacht heeft gemist, namelijk - kort gezegd - dat verweerster zou hebben nagelaten een behandeling in te zetten die was gebaseerd op integraal medisch diagnostisch onderzoek, is ongegrond. Dit blijkt ook uit de inhoudelijke overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege.

4.10     De bespreking van de zaak in raadkamer na de mondelinge behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege niet geleid tot het vaststellen van andere feiten of tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het Centraal Tuchtcollege sluit zich aan bij dat wat het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ onder rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.5 heeft en neemt dat hier over. Net als het Regionaal Tuchtcollege is ook het Centraal Tuchtcollege niet gebleken dat verweerster bij de behandeling van de dochter van klager niet conform de professionele standaard heeft gehandeld. Het handelen van verweerster wordt getoetst aan de GGZ Zorgstandaard Eetstoornissen. Bij de ziekenhuisopname stond de somatische stabiliteit van de dochter (terecht) op de voorgrond en de dochter is daarvoor in het ziekenhuis zorgvuldig behandeld. Ook wat betreft de niet-somatische behandeling is adequaat gehandeld. Verweerster (en de andere kinderartsen) hebben de reden om de dochter door te verwijzen voor psychiatrische behandeling van de problematiek voldoende onderbouwd.

4.11     Concluderend is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is op alle onderdelen ongegrond.

4.12     Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep verwerpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; B.J.M. Frederiks en R.A. van der Pol, leden-juristen en G. Brinkhorst en T.F.W. Wolfs, leden-beroepsgenoten en

D. Brommer, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 7 november 2022.

                        Voorzitter   w.g.                                             Secretaris  w.g.