Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2022:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.288

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:123
Datum uitspraak: 22-06-2022
Datum publicatie: 27-06-2022
Zaaknummer(s): C2020.288
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts, destijds huisarts in opleiding (HAIOS). Klager kwam met krampende pijn in zijn voet, enkel en onderbeen naar de spoedeisende hulp. De HAIOS heeft een echo van de lies en het been aangevraagd.Een radioloog heeft de echo gemaakt en geconcludeerd dat er geen aanwijzingen waren voor een diep veneuze trombose. De HAIOS heeft hierna met de spoedeisende hulp-arts en de internist overlegd. Daarna is klager naar huis gestuurd.Enkele dagen later bleek dat sprake was arteriële trombose. Klager verwijt de HAIOS dat zij heeft nagelaten om aan de radioloog opdracht te geven om met behulp van een CT-angiografie onderzoek te doen naar een mogelijke arteriële oorzaak van de klachten van klager.Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep en opnieuw rechtdoende verklaart de klacht gegrond zonder oplegging van een maatregel met publicatie.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.288 van:
A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,
tegen
F., huisarts (toentertijd HAIOS), destijds werkzaam te D., verweerster in beide instanties, gemachtigde: 
mr. Y.R. Koorevaar verbonden aan Legalbylegal B.V. te Amsterdam.
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klager – heeft op 8 juni 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen F., indertijd huisarts in opleiding, – hierna de HAIOS – een klacht ingediend. Dat college heeft de klacht ter behandeling doorgeleid naar het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven. Bij beslissing van 12 november 2020, onder nummer 2062a, heeft dit tweede college de klacht ongegrond verklaard.
Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De toenmalige HAIOS heeft een verweerschrift in beroep ingediend. 
Het Centraal Tuchtcollege heeft van beide partijen nog nadere correspondentie ontvangen. 
De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2020.216, C2020.289 en C2020.290 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 
6 april 2022, waar zijn verschenen klager, bijgestaan door de heer E., en de HAIOS, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Y.R. Koorevaar. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klager heeft dat gedaan aan de hand van een pleitnota die hij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.
2.    Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. 
    “2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
In 2007 is klager geopereerd aan een arteriële occlusie in zijn linkerbeen. 
Op 24 december 2013 had klager al enkele dagen last van een krampende pijn in zijn rechtervoet, enkel en onderbeen. Die dag was na een autorit van zijn woonplaats in het westen van het land naar familie in het oosten van het land de pijn in zijn rechteronderbeen sterk toegenomen. Na telefonisch overleg met zijn huisarts, heeft klager zich om 17.35 uur gemeld op de Spoedeisende Hulp (SEH) van een ziekenhuis in de woonplaats van zijn familie. Verweerster was in dit ziekenhuis op de SEH werkzaam als huisarts in opleiding (HAIOS). Verweerster heeft de anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. In overleg met de SEH-arts heeft verweerster aanvullend onderzoek verricht in de vorm van bloedonderzoek. Nadat uit het bloedonderzoek bleek dat de D-dimeer was verhoogd heeft zij een echo aangevraagd van de lies en het been van klager. In deze aanvraag is voor zover hier van belang het volgende vermeld (alle citaten inclusief taal- en spelfouten):
“Radiologieaanvraag: ECHO LIES/BEEN
(…)
Klinische status: Spoedeisende Hulp
(…)
Classificatie: Spoed
Indicatie: klachten vergelijkbaar met vorig trombosebeen. d-dimeer verhoogd
Klinische gegevens: trombosebeen?”.
De radioloog heeft de echo gemaakt en in zijn verslag genoteerd dat er sprake was van “Normale doorgankelijkheid van het diepe veneuze systeem vanaf de lies tot en met kuit. Geen aanwijzingen voor trombose”. 
Verweerster heeft na ontvangst van de uitslagen opnieuw overleg gepleegd met de SEH-arts. Op grond van de bijzonder hoge D-dimeer adviseerde de SEH-arts verweerster om overleg te plegen met de dienstdoende internist, wat verweerster telefonisch heeft gedaan. De internist had op dat moment geen duidelijke verklaring voor de klachten en heeft verweerster geadviseerd om de klachten te vervolgen en klager aan te raden bij alarmsymptomen direct terug te komen. 
Om 22.40 uur is klager ontslagen uit het ziekenhuis.
In de brief aan de huisarts van klager staat, voor zover van belang, het volgende: 
“Voorgeschiedenis
2005 stent hart
2007 trombosebeen rechts wv dotter
Anamnese
Rvk: pijn rechter been 
2007 trombosebeen links gehad.
Sinds 9 dgn krampende pijn in de voet/enkel. Sinds gisteren pijn toegenomen, nu ook in onderbeen. Meestal krampende pijn, soms ook stekende pijn als hij met knie gebogen zit. Herkent klachten van begin trombosebeen 2007. 
6 weken geleden op advies cardioloog met acenocoumarol gestopt, omdat er na trombosebeen geen indicatie meer voor bestond. 
(…)
Thuismedicatie 
carbasalaatcalcium 100mg 1d1
perindopril 2mg 1d1
Lichamelijk onderzoek 
Niet zieke, niet pijnlijke man
RR 146/82, pols 85/min, sat 95%, temp 37
st. loc.: rechter onderbeen:
rood-, warm-, oedeem-, lokaliseert pijn voorzijde enkel. Krampende pijn onder de voetzool. 
Long: VAG geen bijgeluiden
Cor: S1S2 geen souffle
Abd: norm peristaltiek, wt, soepele buik, geen drukpijn
Aanvullend onderzoek
Radiologie: duplex rechter been: van lies tot voet geen trombose te vinden. 
Lab: HEMOSTASE
D-Dimeer    13954μg/L;
CHEMIE ALGEMEEN
Kreatinine    94f μmol/L;
GFS        72 ml/min;
Conclusie:
geen DVT rechter been
geen andere aanwijzingen voor verhoogd d-dimeer
Beleid:
Iom dr. [naam] (SEH-arts) en dr. [naam] (internist):
- in eigen regio echo herhalen op 27-12 of 30-12, aanvraag via eigen huisarts. 
- nu geen start fraxi”
Op 29 december 2013 is klager met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Als reden van opname is in de ontslagbrief vermeld “Acute occlusie a. poplitea en a. anterior rechts”. 
Onder ‘Verrichtingen’ is - voor zover hier van belang - genoteerd:
29-12-13: CTA Bekken/benen: Geoccludeerd traject van de arterie poplitea rechts over 8 tot 9 cm met ook een contrastop in de rechter arteria tibialis anterior en rechter arteria fibularis enkele centimeters voorbij de origo van beide. De overige afgebeelde arteriële structuren zijn goed doorgankelijk en er is nauwelijks wandstandig kalk of trombus materiaal. Hierbij multipele hypodense gebieden in beide nieren en ook een in de milt welke kunnen passen bij infarcten. 
31-12-13: Urokinase behandeling waarna angiografisch en klinisch succesvolle trombolyse van het rechterbeen, er rest alleen nog een occlusie van de a. tibialis anterior (preëxistent?).”  
Klager is op 16 januari 2014 uit het ziekenhuis ontslagen. 
3. Het standpunt van klager
Klager verwijt verweerster dat zij:
1.    als opdrachtgever heeft nagelaten om aan de radioloog de opdracht te geven om ook onderzoek te doen naar arteriële trombose;
2.    in onderling overleg de registratie van het contact op de SEH achteraf in elkaar heeft gezet en heeft aangepast.
    Met betrekking tot klachtonderdeel 2 heeft klager in een bijlage bij zijn brief van 22 september 2020 aangegeven dat hij zich neerlegt bij een eerdere uitspraak van dit college in een aan de onderhavige klachtzaak verbonden kwestie (uitspraak van 24 augustus 2020 in de zaak 2061 tegen de radioloog), waarin het college dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat de verslaglegging uitgebreid is en er geen concrete aanwijzingen zijn dat aan de juistheid van de informatie zou moeten worden getwijfeld. 
Ter toelichting op klachtonderdeel 1 heeft klager onder meer het volgende aangevoerd. Zijn klacht was oorspronkelijk gericht tegen de radioloog, omdat klager ervan overtuigd was dat hij alleen de radioloog en niemand anders heeft gezien tijdens zijn bezoek aan het ziekenhuis op 24 december 2013. Omdat de radioloog in zijn verweer had aangevoerd – naar klager meende ten onrechte – dat hij uitsluitend op verzoek van verweerster de echo had gemaakt en verder bij de behandeling van klager niet betrokken is geweest, heeft klager zijn klacht ook tegen verweerster (en twee collega’s) ingediend. Kern van de klacht is dat op 24 december 2013 onderzoek naar een arteriële oorzaak van de klachten van klager achterwege is gebleven, waardoor deze oorzaak niet tijdig is onderkend en klager geen adequate behandeling heeft gekregen. 
In zijn reactie op het verweerschrift heeft klager hieraan nog het volgende toegevoegd. In de anamnese is volstrekt helder vastgelegd welke klachten klager heeft doorgegeven aan verweerster en wat zijn voorgeschiedenis was. Verweerster stelt nu, zonder dat het uit het dossier blijkt en in strijd met de inhoud van het dossier, dat het afnemen van de anamnese niet eenvoudig was. Als verweerster haar bevindingen met de SEH-arts heeft besproken dan had de SEH-arts het initiatief moeten nemen om klager persoonlijk te zien. De bijzonder verhoogde D-dimeer had voor zowel de internist als de SEH-arts en verweerster aanleiding moeten zijn tot nader onderzoek op 24 december 2013. Er had een CT-angiografie gemaakt moeten worden, waarmee de arteriële trombose had kunnen worden uitgesloten dan wel vastgesteld. Het advies om de echo te herhalen had niet zoveel haast, omdat dit onderzoek had uitgewezen dat er geen trombose was te vinden. Het maken van een CT-angiografie had wel haast. Klager betwist dat een vangnetadvies is gegeven.  
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster is van mening dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij heeft in dat kader onder meer het volgende aangevoerd.
Klager was in het ziekenhuis waar verweerster werkte niet bekend. Hij had geen papieren bij zich en het was niet mogelijk om op kerstavond na 17.00 uur informatie bij de huisarts of een behandelend specialist op te vragen. Het afnemen van de anamnese was niet eenvoudig omdat klager onjuiste termen gebruikte en emotioneel was. Verweerster heeft desondanks de voorgeschiedenis zo goed mogelijk gereconstrueerd. 
Verweerster heeft klager uitgebreid onderzocht en geconstateerd dat de benen beiderzijds identiek waren, er was geen sprake van verkleuring en het been was niet koud. Er waren geen aanwijzingen voor een trombose been of een (acuut) bedreigd been. In verband met de discrepantie tussen de klachten van klager en de bevindingen van verweerster heeft de SEH-arts geadviseerd het aanvullend onderzoek te verrichten. Daaruit kwam de bijzonder hoge D-dimeer, die aanleiding was om de internist te raadplegen. Het was op dat moment (nog) niet mogelijk om tot een classificerende of waarschijnlijkheidsdiagnose te komen. Daarom is klager geadviseerd het echo onderzoek op korte termijn te herhalen. De eerstvolgende werkdag waarop dit mogelijk was, was vrijdag 27 december 2013. Verder is een vangnet advies meegegeven. Het verslag van de SEH is aan klager in een envelop meegegeven, zodat hij dat aan zijn huisarts (of als hij zich elders zou presenteren) kon overhandigen. 
Een CT-angio is niet aangevraagd omdat er klinisch geen verdenking was op een bedreigd been en er daarom geen indicatie voor een CT-angio was. Dat later, op 
29 december 2013, wel sprake is geweest van een arteriële occlusie betekent niet dat verweerster op 24 december 2013 een opdracht had moeten of kunnen verstrekken die hierop was gericht.  
5. De overwegingen van het college
Klachtonderdeel 2.
Voor zover de mededeling van klager dat hij zich neerlegt bij een eerdere ongegrondverklaring van een gelijkluidende klacht, die op hetzelfde dossier ziet, al niet betekent dat dit klachtonderdeel als ingetrokken moet worden beschouwd, zal het college dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. De verslaglegging in het dossier is uitgebreid en het college heeft geen concrete aanwijzingen dat aan de juistheid van de informatie daarin zou moeten worden getwijfeld. Het college gaat dan ook van de juistheid van het patiëntendossier uit.
Klachtonderdeel 1.
Uitgangspunten
Het college stelt voorop dat bij het antwoord op de vraag of verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) het persoonlijk handelen van verweerster centraal staat. Handelen of nalaten van een ander dan verweerster kan haar niet worden aangerekend. 
Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard. Daarbij gaat het niet om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Tot slot is van belang dat de klacht over de behandeling op 24 december 2013 uitsluitend moet worden beoordeeld in het licht van wat er op dat moment aan verweerster bekend was en bekend kon zijn omtrent de aard en de ernst van de klachten van klager. Dit betekent dat bij de beoordeling van verweersters handelen in zoverre geen rekening kan worden gehouden met de eerst na die behandeling bekend geworden feiten en omstandigheden. 
Beoordeling
Klager verwijt verweerster dat op 24 december 2013 geen onderzoek is gedaan naar een mogelijke arteriële occlusie. Bij de beantwoording van de vraag of een dergelijk onderzoek, dat plaatsvindt middels een CT-angiografie, op 24 december 2013 aangewezen was dient te worden uitgegaan van de op dat moment bestaande klachten en bevindingen. Vastgesteld is dat klager al langere tijd (9 dagen) pijnklachten had, dat hij zelfstandig (lopend) op de SEH is verschenen en dat er geen andere aanwijzingen waren voor een acuut bedreigd been. Het been was niet rood, wit, warm, koud of dik en het been zag er precies hetzelfde uit en voelde hetzelfde aan als het andere been. Omdat er desondanks pijnklachten waren en de D-dimeer aanzienlijk verhoogd was, is besloten een echo van het been te laten maken. De echo toonde geen aanwijzingen voor een veneuze trombose. 
Op basis van deze bevindingen bestond geen aanleiding om nog diezelfde avond (met spoed) een CT-angiografie te laten maken. Ook de verhoogde D-dimeer gaf daarvoor geen aanleiding. Een hoge D-dimeer kan tal van oorzaken hebben en zegt daarom niet veel over de vraag of mogelijk sprake is van (arteriële) trombose (anders dan een lage D-dimeer, waardoor juist wel acute zaken kunnen worden uitgesloten). In het algemeen krijgt een patiënt met klachten zoals klager die had een verwijzing voor de volgende werkdag naar het vaatfunctie-lab, die dan verder onderzoek zal verrichten, waaronder begrepen onderzoek naar arteriële problematiek. Vanwege de kerst waren de normale afdelingen gesloten en klager bevond zich niet in zijn eigen woonplaats. Onder deze omstandigheden is het uitgezette beleid, waarbij klager is geadviseerd om zich de eerstvolgende werkdag of zo spoedig mogelijk daarna bij zijn eigen huisarts te melden voor herhaald en vervolgonderzoek, juist geweest. Het feit dat verweerster ervoor gezorgd heeft dat klager de brief voor de huisarts met de gegevens en bevindingen meteen in een envelop heeft meegekregen, getuigt van zorgvuldigheid. Klager heeft ook niet bestreden dat hem een envelop is meegegeven met informatie. Mede gelet hierop acht het college aannemelijk dat aan klager ook een vangnetadvies is meegegeven. 
Op grond van het voorgaande dient de klacht in beide onderdelen ongegrond te worden verklaard.”
3.    Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet of in elk geval onvoldoende bestreden.
4.    Beoordeling van het beroep
4.1    Klager is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zijn beroep is alleen gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 1. Klager verzoekt het Centraal Tuchtcollege impliciet om de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te vernietigen en klachtonderdeel 1 alsnog gegrond te verklaren. 
4.2    De toenmalige HAIOS heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep van klager te verwerpen en de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege te handhaven. 
4.3    Klager verwijt de HAIOS met klachtonderdeel 1 in de kern dat op 24 december 2013 geen onderzoek is gedaan naar een mogelijke arteriële occlusie. Hierdoor is de occlusie niet tijdig onderkend en heeft hij geen adequate behandeling gekregen, aldus klager. Bij de beantwoording van de vraag of de betrokken arts voor een dergelijk onderzoek, dat plaatsvindt middels een CT-angiografie, op die datum opdracht had moeten geven, dient het Centraal Tuchtcollege uit te gaan van wat de arts op het moment van haar handelen bekend was en bekend kon zijn. Kennis achteraf kan daarbij geen rol spelen. 
4.4    Toen klager op Kerstavond 2013 zich na overleg met zijn huisarts bij de SEH meldde, had hij al negen dagen last van krampende pijn in zijn rechtervoet, -enkel en  -onderbeen. De op de SEH werkende HAIOS heeft toen de anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. De SEH-arts was die avond de supervisor van de HAIOS. Het Centraal Tuchtcollege beoordeelt het handelen van de SEH-arts (tegen wie een afzonderlijke klacht is ingediend) in het licht van zijn rol als supervisor van de HAIOS en dat van de HAIOS in de context van de opleidingssituatie. 
4.5    Uit hetgeen aan het Centraal Tuchtcollege in dit kader bekend is, blijkt dat de informatie van klager niet helder over het voetlicht kwam. Naar aanleiding van de door de HAIOS afgenomen anamnese heeft zij genoteerd dat bij klager in 2005 een stent in één van de kransslagaderen was geplaatst en dat hij in 2007 een trombosebeen had gehad waarvoor hij een dotterbehandeling had ondergaan. Klager deelde daarbij de HAIOS mee dat zijn pijnklachten vergelijkbaar waren met die van het trombosebeen in 2007 en dat hij inmiddels zes weken was gestopt met de antistollingsmedicatie op advies van de cardioloog. In overleg met de SEH-arts is vervolgens bloedonderzoek verricht, waaruit bleek dat de D-dimeer sterk verhoogd was. Hiermee kon de aanwezigheid van een bloedstolsel niet worden uitgesloten. Om die reden heeft de HAIOS een echo van de lies en het been aangevraagd met de vraagstelling diepe veneuze trombose. De radioloog heeft de echo gemaakt en geconcludeerd dat geen sprake was van een veneuze trombose. De HAIOS heeft vervolgens opnieuw overlegd met de SEH-arts, die toen op grond van de hoge D dimeer adviseerde om overleg te plegen met de dienstdoende internist. De HAIOS heeft dit telefonisch gedaan. De internist had op dat moment geen duidelijke verklaring voor de klachten en heeft de HAIOS geadviseerd de klachten te vervolgen en klager aan te raden bij alarmsymptomen direct terug te komen. Klager heeft diezelfde avond het ziekenhuis verlaten. 
4.6    Gelet op de hiervoor geschetste combinatie van factoren – aanhoudende krampende pijnklachten, vergelijkbaar met de klachten die klager in 2007 had, het feit dat hij toen naar eigen zeggen een “dotterbehandeling had ondergaan voor een trombosebeen”, het recent staken van de antistollingsmedicatie en een verhoogde D dimeer – bestond naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege voldoende aanleiding om na de echo nog diezelfde avond, althans op korte termijn, een CT-angiografie te laten maken om een arteriële occlusie uit te sluiten.
4.7     Over de verwijtbaarheid overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. Met name bij de aanvang van de opleiding heeft een HAIOS enige ruimte voor het maken van inschattings- en beoordelingsfouten. Een aanzienlijk deel van de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor het handelen van de HAIOS rust daardoor op de schouders van de supervisor. Indien een HAIOS niet de ervaring heeft die vereist is voor het zelfstandig verrichten van bepaalde handelingen, zal de supervisor met dat gemis aan bekwaamheid rekening moeten houden door de HAIOS deze handelingen niet zelfstandig te laten verrichten. Daarnaast behoort het tot de taak van de supervisor corrigerend op te treden waar de medische beoordeling van de HAOIS of de beoordeling van de hulpvraag tekortschiet. Naarmate meer aan de HAIOS kan worden toevertrouwd, verschuift die verantwoordelijkheid, en aan het eind van de opleiding zal deze goeddeels bij de HAIOS zelf komen te liggen. In dit geval bevond de HAIOS zich in de derde maand van haar opleiding op de SEH. Zij had op die afdeling dus beperkte praktijkervaring.
Dat de HAIOS de klachten van klager fout heeft ingeschat, acht het Centraal Tuchtcollege aannemelijk. Op 24 december 2013 heeft zij namelijk niet gedacht aan de mogelijkheid van een arteriële oorzaak. Zo schrijft zij in de brief aan de eigen huisarts van klager onder het kopje Voorgeschiedenis: “2007 trombosebeen rechts wv dotter”.  Het had haar echter duidelijk moeten zijn dat de begrippen trombosebeen en dotterbehandeling in de regel niet samengaan. Een dotterbehandeling is een lekenterm voor een intravasculaire interventie die in de praktijk vrijwel altijd plaats vindt als onderdeel van de behandeling van arteriële obstructie en niet van de behandeling van veneuze trombose. De zinsnede in de status dat bij eerdere klachten van het been een “trombosebeen rechts waarvoor dotter” is uitgevoerd, is op zijn minst opmerkelijk en reden voor een arts om nader uit te diepen wat hier precies wordt bedoeld, zeker wanneer een patiënt aangeeft dat de bestaande klachten dezelfde zijn als de eerdere klachten.  Daarom had aan de mogelijkheid van een arteriële herkomst van de klachten (een occlusie) moeten worden gedacht en had daar onderzoek naar moeten worden verricht.
De inschattingsfout die de HAIOS daarbij heeft gemaakt, is haar echter tuchtrechtelijk niet aan te rekenen. Zij heeft namelijk terecht haar supervisor benaderd voor de beoordeling van deze lastige situatie. Die werd gekenmerkt door een complexe en warrige hulpvraag, een onduidelijke vasculaire voorgeschiedenis en onduidelijkheid over de medicatie. Door het meermalen raadplegen van de supervisor en de internist heeft de HAIOS weliswaar de onverenigbaarheid van de “dotterbehandeling bij een trombosebeen” miskend, zij heeft wel adequaat expertise ingeroepen. 
4.8    Dit alles betekent dat het Centraal Tuchtcollege de uitspraak zal vernietigen. Klachtonderdeel 1 wordt (op andere gronden) gegrond verklaard. Aangezien het Centraal Tuchtcollege het handelen/nalaten van de HAIOS in deze fase van haar opleiding in zeer beperkte mate tuchtrechtelijk verwijtbaar acht, ziet het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om een maatregel op te leggen.
4.9     Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal het Centraal Tuchtcollege bepalen dat de onderhavige beslissing op na te noemen wijze bekend wordt gemaakt.
5.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing over klachtonderdeel 1
en doet opnieuw recht:
verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
verstaat dat geen maatregel wordt opgelegd;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter,
M.W. Zandbergen en M.P. den Hollander, leden-juristen en R. Heijligenberg en P.M.T. Pattynama, leden-beroepsgenoten, en H.J. Lutgert, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2022.
        Voorzitter   w.g.                Secretaris  w.g.