Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZCTG:2022:119 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021/1155

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2022:119
Datum uitspraak: 13-06-2022
Datum publicatie: 14-06-2022
Zaaknummer(s): C2021/1155
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een anesthesioloog. Klaagster is in verband met chronische pijnklachten aan het rechteroog voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinair spreekuur van de pijnpolikliniek geweest. Zij is daar onder meer gezien door de anesthesioloog.Klaagster verwijt de anesthesioloog dat hij (met de andere behandelaren) een advies heeft opgesteld dat niet ziet op de reden van haar verwijzing en de vooraf door haar ingevulde vragenlijsten niet bij zijn onderzoek heeft betrokken. Klaagster voelt zich door de behandelaren niet serieus genomen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep voor zover zij een nieuwe klacht in beroep naar voren brengt, en verwerpt het beroep voor het overige.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Zaaknummer Centraal Tuchtcollege: C2021/1155
Zaaknummer Regionaal Tuchtcollege: 176/2020 (ECLI:NL:TGZRZWO:2021:86)
Beslissing in de zaak onder nummer C2021/1155 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., anesthesioloog, (destijds) werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. K.J. de Wolf te Nijmegen. 
1.    Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 20 oktober 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. – hierna de anesthesioloog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 17 september 2021, onder nummer 176/2020, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is op tijd in beroep gekomen tegen deze beslissing. De anesthesioloog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.    
Op 12 april 2022 heeft het Centraal Tuchtcollege nog een brief ontvangen van klaagster (brief d.d. 11 april 2022 met bijlage). 
De zaak is in beroep behandeld op de openbare zitting van het Centraal Tuchtcollege van 16 mei 2022, waar zijn verschenen klaagster, en de anesthesioloog, bijgestaan door mr. De Wolf. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Klaagster en 
mr. De Wolf hebben dat gedaan aan de hand van spreekaantekeningen die zij aan het Centraal Tuchtcollege en de wederpartij hebben overhandigd. 
2.    Waar gaat de zaak over?
2.1    Klaagster is bekend met epilepsie. Zij heeft in 2010 een auto-ongeval gehad, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechteroog. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap onderzocht door meerdere specialisten, waaronder een kno-arts, oogarts en neuroloog. De specialisten hebben geen verklaring kunnen vinden voor de pijnklachten. Klaagster is vervolgens door de oogarts doorverwezen naar de polikliniek Pijnbehandeling van het ziekenhuis waar de anesthesioloog werkzaam is. Op 26 maart 2020 heeft klaagster een telefonische intake gehad bij een arts-assistent anesthesiologie. Deze heeft hiervan een voortgangsverslag opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“in het vragenlijstonderzoek werden aanwijzingen gevonden voor een negatieve invloed van psychologische factoren op de pijnervaring. Op basis van bovenstaande wordt het advies gegeven een psychologisch diagnostisch onderzoek te plannen. .”
[….]
Ik besprak dat een multidisciplinaire benadering aangewezen is om alle factoren die bijdragen aan de pijn in kaart te kunnen brengen om zo een gepast plan te kunnen maken.”
2.2    Klaagster is op 3 juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) van de pijnpolikliniek geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een fysiotherapeut, psycholoog, verpleegkundige en door de anesthesioloog. Deze behandelaren hebben op 10 juni 2020 een schriftelijke terugkoppeling van het MDS gegeven aan de huisarts van klaagster. Hierin is onder meer het volgende advies opgenomen:
“Advies:
•    Er zijn geen aanvullende behandelopties op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied.
•    Bij deze zouden wij willen vragen aan de behandelend psycholoog te E. aanvullende pijneducatie te geven.” 
2.3    Tijdens het mondeling vooronderzoek bij het Regionaal Tuchtcollege op 
7 april 2021 heeft klaagster laten weten dat zij in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het Regionaal Tuchtcollege gestuurd. Daaruit blijkt een verdenking op een hersentumor rechts. Op 13 april 2022 is klaagster geopereerd aan de hersentumor. 
2.4    Klaagster heeft een klacht ingediend tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Zij verwijt de behandelaren gezamenlijk dat zij een advies hebben opgesteld dat niet ziet op de reden van verwijzing van klaagster – namelijk haar pijnklachten – en dat zij niets met deze klachten hebben gedaan. Volgens klaagster is zij niet serieus genomen door de behandelaren. Daarnaast verwijt klaagster de anesthesioloog dat hij de vooraf door klaagster ingevulde vragenlijsten niet bij zijn onderzoek heeft betrokken. 
2.5    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster is het niet eens met die beslissing. Het doel van haar beroep is dat het Centraal Tuchtcollege de zaak in volle omvang beoordeelt en de klacht alsnog gegrond verklaart. 
3.    Het oordeel van het Centraal Tuchtcollege
3.1    Het Centraal Tuchtcollege zal het beroep van klaagster hierna bespreken. De conclusie zal zijn dat de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege in stand blijft en dat het beroep wordt verworpen.  
3.2    Het Centraal Tuchtcollege overweegt allereerst dat het Regionaal Tuchtcollege bij de feiten heeft vastgesteld dat in 2003 bij klaagster een hersentumor is aangetroffen. Klaagster heeft tegen deze vaststelling terecht naar voren gebracht dat de hersentumor niet in 2003 maar in 2020 is aangetroffen. 
3.3    Met de anesthesioloog is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de klacht dat de anesthesioloog niet heeft gedacht aan de mogelijkheid van een tumor als oorzaak voor de pijnklachten, in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege niet is aangevoerd. Dit is een nieuwe klacht. De procedure in beroep is bedoeld om het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over klachten of bepaalde onderdelen daarvan ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen. In beroep kunnen dan ook geen nieuwe klachten aan het Centraal Tuchtcollege worden voorgelegd. Voor dat deel zal het Centraal Tuchtcollege klaagster dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep. 
Inhoud advies, negeren van de pijnklachten en niet serieus nemen van klaagster
3.4    Klaagster verwijt de anesthesioloog- samen met de andere behandelaren- dat hij een advies heeft opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten, dat hij niets met haar pijnklachten heeft gedaan en dat hij haar niet serieus heeft genomen. Net als het Regionaal Tuchtcollege oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat de behandelaren van de pijnpolikliniek niet gehouden waren om nader onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de pijn van klaagster. 
3.5    Voordat klaagster door de anesthesioloog en de andere behandelaren van de pijnpolikliniek werd gezien, was zij al door meerdere andere specialisten onderzocht. Deze hadden geen oorzaak voor haar pijn kunnen vaststellen. Klaagster is uiteindelijk door de oogarts verwezen naar de pijnpolikliniek met de vraag of er opties zijn voor de behandeling van de pijn, waar geen oogheelkundige verklaring voor gevonden kon worden. Op de pijnpolikliniek werd geconstateerd dat er geen behandelopties waren en er werd een advies gegeven voor het omgaan met de pijn. Het Regionaal Tuchtcollege heeft in zijn beslissing onder 5.2 en 5.3 goed onderbouwd dat daarom geen aanleiding was voor nader onderzoek naar de oorzaak van de pijn van klaagster, en dat niet blijkt dat klaagster tijdens het MDS niet serieus is genomen. Het Centraal Tuchtcollege is het met dat oordeel van het Regionaal Tuchtcollege eens.  
De vooraf door klaagster ingevulde vragenlijsten
3.6    Klaagster verwijt de anesthesioloog verder dat hij de vooraf door haar ingevulde vragenlijsten niet bij het onderzoek heeft betrokken. Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat dit klachtonderdeel niet slaagt. 
3.7    Uit het voortgangsverslag van het intakegesprek van 26 maart 2020 blijkt dat de door klaagster ingevulde vragenlijsten inhoudelijk zijn beoordeelt. De anesthesioloog heeft tijdens het mondeling vooronderzoek bij het Regionaal Tuchtcollege over dit klachtonderdeel het volgende verklaard:
“Ik neem niet in alle gevallen zelf alle ingevulde vragenlijsten door. Soms schiet dat erbij in vanwege de drukte, maar ik heb bij voorkeur ook een zo blanco mogelijk eerste gesprek met een patiënt. Bovendien vind ik het belangrijker de onderzoeken en correspondentie die reeds hebben plaatsgevonden, zorgvuldig door te nemen. Tijdens het eerste consult zijn de vragenlijsten met de patiënt doorgenomen. Ik neem de uitwerkingen van dit consult door, zodat ik alsnog (indirect) op de hoogte ben van de inhoud van de vragenlijsten.”
Net als het Regionaal Tuchtcollege ziet het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen. Weliswaar heeft de anesthesioloog de lijsten voorafgaand aan zijn onderzoek niet zelf doorgenomen, wel is hij op andere wijze bekend geweest met de inhoud van die lijsten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft ook dit klachtonderdeel terecht afgewezen. 
Conclusie
3.8    Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster terecht ongegrond verklaard. Het beroep van klaagster zal worden verworpen. 
4.    Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep zoals hiervoor in overweging 3.3 weergegeven;
verwerpt het beroep voor het overige. 
Deze beslissing is gegeven door: J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter; 
T.W.H.E. Schmitz en M.W. Zandbergen, leden-juristen en F.J.P.M. Huygen en 
C.J. van Oort, leden-beroepsgenoten en E. van der Linde, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 13 juni 2022.
        Voorzitter   w.g.            Secretaris   w.g.