Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2022:156 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/702749 DW RK 21/232 LvB/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2022:156
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 04-11-2022
Zaaknummer(s): C/13/702749 DW RK 21/232 LvB/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klacht gegrond. Maatregel: waarschuwing. Het lag op de weg van de gerechtsdeurwaarder om in dit (specifieke) geval (van beslaglegging) te verifiëren of de juiste, door klager opgegeven, debiteur beslagen zou worden. Dit had klager extra kosten gescheeld.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 31 oktober 2022 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/702749  DW RK 21/232 LvB/SM ingesteld door:

[   ], h.o.d.n. [   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

mr. [   ],

gerechtsdeurwaarder te [   ],

beklaagde,

gemachtigde: [   ].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2021, aangevuld op 1 juli 2021, heeft klager een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. Bij verweerschrift, ingekomen op 30 juli 2021, heeft de gerechtsdeurwaarder gereageerd. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 september 2022 alwaar klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 31 oktober 2022.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • Bij vonnis van 18 februari 2020 is klager veroordeeld tot voldoening van een geldsom, waarna het vonnis op 27 maart 2020 aan klager is betekend;
  • Op 20 april 2020 is een betalingsregeling van € 500,00 per maand afgesproken, waarin is bepaald dat de regeling kan worden beëindigd als niet aan de (betalings-)voorwaarden wordt voldaan;
  • Klager heeft in verband met de gevolgen van de coronacrisis binnen enkele weken na het treffen van de regeling gevraagd om een aanpassing van de betaaldag.
  • Klager heeft op eigen initiatief de tweede termijn in twee delen betaald, waarop (de opdrachtgever van) de gerechtsdeurwaarder opdracht heeft gegeven de regeling te beëindigen en over te gaan tot executie.
  • Ten laste van klager is op 15 juli 2020 beslag gelegd onder de ING bank en de Bunqbank. Het beslag onder de Bunqbank heeft doel getroffen voor
    € 1.247,48;
  • Op 22 juli 2020 heeft klager (opnieuw) verzocht om een betalingsregeling. In het telefoongesprek tussen klager en de gerechtsdeurwaarder is ook gesproken over de mogelijkheid om derdenbeslag te leggen onder een debiteur van klager die nog een vordering aan klager moest voldoen. Klager heeft daartoe een screenshot aan de gerechtsdeurwaarder verzonden met daarin de gegevens van deze debiteur.
  • Bij e-mail van 27 juli 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder aan klager gemaild dat het beslag onder de derde (de debiteur van klager) zal worden gelegd.
  • Op 30 juli 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder dit beslag gelegd;
  • Op 12 augustus 2020 heeft klager de gerechtsdeurwaarder (telefonisch) meegedeeld dat beslag is gelegd onder een hem onbekende derde;
  • Op 13 augustus 2020 heeft de gerechtsdeurwaarder zijn bevindingen aan klager gemaild.
  • Op een zekere datum is opnieuw beslag gelegd, nu onder een andere derde.
  • Tussen 25 januari en 20 mei 2021 hebben klager en de gerechtsdeurwaarder gecorrespondeerd over het bezwaar van klager tegen de ten laste van hem gemaakte kosten van het bankbeslag en het onjuist gelegde beslag;
  • Op 3 juni 2021 is de vordering voldaan en de ten uitvoerlegging beëindigd.

2. De klacht

Klager beklaagt zich samengevat over het volgende:

1. de gerechtsdeurwaarder is akkoord gegaan met een betalingsregeling van
€ 500,00 per maand. Klager heeft zich hier netjes aan gehouden totdat Corona uitbrak en hij tijdelijk geen gelden meer tot zijn beschikking had. Klager is
€ 250,00 gaan betalen met de mededeling dat het restant spoedig zou volgen. Daarnaast is een verzoek ingediend om de maandtermijnen tijdelijk te verlagen naar € 250,00 per maand totdat er weer gelden beschikbaar zouden zijn. Klager heeft na ca. twee weken het restant (van de afgesproken
€ 500,00) overgemaakt. Ondanks de restant betaling en het verzoek om een tijdelijke verlaging van de maandtermijn en de onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden (Corona en lockdown) heeft de gerechtsdeurwaarder toch beslag gelegd op twee bankrekeningen en dus ook tweemaal kosten gemaakt;

2. klager heeft aan de gerechtsdeurwaarder de gegevens van een klant waar hij nog gelden van tegoed had opgegeven voor het leggen van een derdenbeslag. Klager heeft duidelijk de naam van deze klant gemaild aan de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft beslag gelegd bij een ander persoon/bedrijf en een verkeerde naam gebruikt. De gerechtsdeurwaarder heeft de kosten voor het foutief gelegde derdenbeslag afgewenteld op klager.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klager heeft zijn klacht ingediend tegen [   ], werkzaam bij [   ]. Op grond van het bepaalde in artikel 34, eerste lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet kan een medewerker niet als beklaagde worden aangemerkt. Bij het onderzoek wie als beklaagde kan worden aangemerkt geldt als leidraad de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:2450). Uit dit arrest volgt dat bij klachten tegen een samenwerkingsverband de tuchtrechter zelf dient te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband is gericht.

4.2 Nu de verweervoerende gerechtsdeurwaarder heeft aangevoerd verantwoordelijk te zijn (geweest) voor de behandeling van het dossier van klager zal hij als beklaagde worden aangemerkt. Hiermee is in de aanhef van de beslissing rekening gehouden. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a. overweegt de kamer als volgt. Tussen klager en de (opdrachtgever van de) gerechtsdeurwaarder was een betalingsregeling afgesproken waaraan klager zich niet heeft gehouden. De gerechtsdeurwaarder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat hij klager op 22 juni 2020 heeft gesommeerd uiterlijk 29 juni 2020 de achterstand te betalen. Klager heeft niet voldaan aan deze sommatie. Nu klager niet voldeed aan de voorwaarden van de betalingsregeling heeft de gerechtsdeurwaarder de betalingsregeling vervallen verklaard. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een schuldenaar zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd het verschuldigde in gedeelten te voldoen. Dit artikel brengt tevens met zich mee dat de schuldeiser gedeeltelijke nakoming kan weigeren. Een betalingsregeling is daarom geen recht van klager. Dat de opdrachtgever eenzijdige aanpassing van de regeling door klager niet heeft getolereerd en dat de gerechtsdeurwaarder in opdracht van zijn cliënt vervolgens de regeling heeft beëindigd is dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar. 

4.4 De gerechtsdeurwaarder heeft vervolgens op 15 juli 2020 beslag gelegd onder twee banken. Op een gerechtsdeurwaarder rust de plicht een vonnis ten uitvoer te leggen als daarom wordt verzocht. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door de titel te executeren. Klager staat op grond van artikel 3:276 BW met zijn hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klager, dus ook op zijn bankrekeningen. Tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis kan klager slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht biedt daarvoor niet de geëigende weg. De kosten van de beslagen komen voor rekening van klager. Klager heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat die kosten niet in overeenstemming zouden zijn met het Besluit tarieven gerechtsdeurwaarders of ten onrechte zijn gemaakt.

4.5 Ten aanzien van klachtonderdeel b. overweegt de kamer als volgt. Vaststaat dat de gerechtsdeurwaarder in eerste instantie niet onder de juiste persoon beslag heeft gelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft klager op 27 juli 2020 een e-mail gestuurd met het voornemen om beslag te gaan leggen onder een eenmanszaak die uit zijn bevindingen naar boven is gekomen. Op 12 augustus 2020 heeft klager de gerechtsdeurwaarder laten weten dat het beslag was gelegd onder niet de juiste derde.

4.6 De kamer is van oordeel dat, uit het oogpunt van zorgvuldigheid, de gerechtsdeurwaarder in dit specifieke geval zijn bevindingen uitvoeriger aan klager had moeten voorleggen. Uit de mededeling van zijn bevindingen bij e-mail van 27 juli 2020 hoefde klager niet te begrijpen dat er een onderzoek is ingesteld tegen een verkeerde derde. Uit de door klager en gerechtsdeurwaarder overgelegde stukken blijkt dat de enige overeenkomst tussen de door klager verstrekte gegevens en de door de gerechtsdeurwaarder gevonden gegevens de handelsnaam ‘ANB’ was. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om zorgvuldiger te verifiëren of het hier daadwerkelijk over de debiteur van klager ging. Klager was erbij gebaat dat de gerechtsdeurwaarder onder de juiste persoon beslag zou leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft als gevolg van zijn handelen kosten voor klager veroorzaakt. Het had op de weg van de gerechtsdeurwaarder gelegen om de onterecht gemaakte kosten te crediteren, maar dat is nadrukkelijk door de gerechtsdeurwaarder geweigerd.

4.7 Gelet op het onder 4.6 overwogene verklaart de kamer de klacht gedeeltelijk gegrond en zal voor het gegronde klachtonderdeel de maatregel van een waarschuwing worden opgelegd.

4.8 Ten overvloede overweegt de kamer dat zij ervan uitgaat dat het hiervoor overwogene de gerechtsdeurwaarder ertoe zal bewegen de kosten van het onjuiste gelegde beslag alsnog aan klager te retourneren.

5. Maatregel

5.1 Onder de voorwaarden dat een klacht (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard en een maatregel wordt opgelegd, kan, ingevolge het bepaalde in artikel 43a lid 1 Gdw en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882), een kostenveroordeling worden opgelegd.

Op grond van voormelde richtlijn is het uitgangspunt dat een kostenveroordeling wordt opgelegd, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn om dat niet te doen. In dit geval ziet de kamer aanleiding om af te zien van een kostenveroordeling, omdat de opgelegde maatregel een zakelijke terechtwijzing inhoudt van de onjuistheid van de handelwijze van gerechtsdeurwaarder, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken. De kamer acht het onder deze omstandigheden niet billijk dat gerechtsdeurwaarder de kosten van de behandeling bij de kamer moet vergoeden.

5.2 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, stelt de kamer vast dat gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 37 lid 7 Gdw het door klager betaalde griffierecht (€ 50,-) aan hem dient te vergoeden. Ook dient gerechtsdeurwaarder aan klager de forfaitaire proceskosten te vergoeden. Voor klager wordt die vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,-

5.3 Op grond van voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:      

  • verklaart klachtonderdeel b. gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
  • bepaalt dat gerechtsdeurwaarder het door klager betaalde griffierecht ad € 50,- vergoedt na onherroepelijk worden van deze beslissing;
  • veroordeelt gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klager, te begroten op € 50,-, te betalen na onherroepelijk worden van deze beslissing.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. C.W.D. Bom en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2022, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.