Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2022:153 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/706075 / DW RK 21/376 LvB/SM

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2022:153
Datum uitspraak: 31-10-2022
Datum publicatie: 04-11-2022
Zaaknummer(s): C/13/706075 / DW RK 21/376 LvB/SM
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er onder meer over dat de gerechtsdeurwaarder, ten onrechte niet in de dagvaarding heeft vermeld dat klager de vordering betwist en dat er sprake is van belangenverstrengeling. Het door klager in verzet aangevoerde tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de betreffende klachtonderdelen toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient ongegrond te worden verklaard.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 31 oktober 2022 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 10 augustus 2021 met zaaknummer C/13/696616 DW RK 21/40 MdV/WdJ en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/706075 / DW RK 21/376 LvB/SM ingesteld door:

[   ],

wonende te [   ],

klager,

tegen:

1. [   ],

2. mr. [   ],

gerechtsdeurwaarders te [   ],

beklaagden,

gemachtigde: mr. [   ].

1. Ontstaan en verloop van de procedure

Bij brief met bijlagen, ingekomen op 26 januari 2021, heeft klager een klacht ingediend tegen beklaagden, hierna: de gerechtsdeurwaarders. Bij verweerschrift, ingekomen op 18 maart 2021, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd. Bij beslissing van 10 augustus 2021 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van 10 augustus 2021. Bij brief, ingekomen op 13 augustus 2021, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Klager heeft schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 19 september 2022 alwaar de gerechtsdeurwaarder sub 1 en zijn gemachtigde zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 31 oktober 2022.

2. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

3. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

  • De gerechtsdeurwaarders zijn belast met een vordering van [   ] B.V. op klager ter zake een onbetaalde tandartsrekening.
  • Bij brief van 12 november 2019 hebben de gerechtsdeurwaarders klager verzocht om binnen vijftien dagen nadat de brief bij klager is bezorgd tot betaling van de openstaande vordering over te gaan.
  • Bij e-mail van 21 november 2019 heeft klager aangegeven dat hij de vordering reeds bij [   ] heeft betwist.
  • Bij exploot van 30 januari 2020 is klager gedagvaard te verschijnen ter zitting van de kantonrechter te Amsterdam tegen 21 februari 2020.
  • Bij e-mail van 29 juni 2020 heeft klager de gerechtsdeurwaarders verzocht om een afschrift van de Factoringsovereenkomst, Algemene Factoringvoorwaarden en overige relevante verwerkingsverslagen. Hierop hebben de gerechtsdeurwaarders bij e-mail van 29 juni 2020 gereageerd.
  • Op 6 juli 2020 heeft klager een incidentele vordering ingediend, teneinde de gevraagde stukken te ontvangen.
  • Bij vonnis van 27 oktober 2020 heeft de kantonrechter te Amsterdam de vordering in incident afgewezen en in de hoofdzaak de vordering in conventie toegewezen en in reconventie de vordering afgewezen en is klager veroordeeld tot het betalen van proceskosten.

4. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:

1. gerechtsdeurwaarder sub 1 ten onrechte niet in de dagvaarding heeft vermeld dat klager de vordering betwist;

2. de processtukken meerdere valse verzwijgingen en verklaringen bevatten;

4. de gerechtsdeurwaarders klager op onkosten hebben gejaagd door de gevraagde stukken pas na zijn incidentele vordering te overleggen;

7. sprake is van belangenverstrengeling.

5. De beslissing van de voorzitter

5.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt. 

4.2 Ten aanzien van klachtonderdelen a en b overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat klager bij e-mail van 21 november 2019 heeft aangegeven dat hij de vordering reeds bij [   ] en de behandelend tandarts heeft betwist. Nadat de gerechtsdeurwaarders aan klager hebben verzocht om zijn bezwaren tegen de vordering, teneinde dit aan [   ] te kunnen voorleggen, heeft klager aangegeven dat die reeds in het bezit zijn van [   ] en de behandelend tandarts. Gelet hierop heeft de betreffende medewerker er voor gekozen om in de dagvaarding op te nemen dat klager de nota zonder protest heeft behouden en dat klager niet inhoudelijk dan wel steekhoudend heeft gereageerd op de nota. Hoewel het zorgvuldiger was geweest als de medewerker bij [   ] had nagevraagd of er daadwerkelijk bezwaren tegen de nota waren ingediend en wat deze bezwaren inhielden, is klager niet in zijn belangen geschaad nu hij verweer bij de rechtbank heeft gevoerd en de rechtbank kennis heeft kunnen nemen van het verweer van klager tegen de vordering. Indien klager het niet eens was met het vonnis van

27 oktober 2020 had het op zijn weg gelegen om hiertegen een rechtsmiddel aan te wenden. De tuchtprocedure is hiervoor niet de geëigende weg. Niet is gebleken dat de gerechtsdeurwaarders wat deze klachtonderdelen betreft tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

4.3 Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt de voorzitter dat uit de overgelegde producties blijkt dat klager, omdat de cessie slechts een beknopte akte van slechts één pagina betreft, de gerechtsdeurwaarders heeft verzocht om nadere stukken waarnaar in de akte uitdrukkelijk wordt verwezen. [   ] heeft de gevraagde stukken bij haar akte uitlaten in conventie, tevens houdende conclusie van dupliek in reconventie overgelegd. Uit de overgelegde producties blijkt dat klager bij de incidentele vordering nog meer (andere) stukken heeft gevorderd. De stelling van klager dat hij door de weigering van de gerechtsdeurwaarders tot het overleggen van de gevraagde stukken genoodzaakt was om een incidentele vordering in te dienen, kan gelet op het voorgaande niet slagen. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de gerechtsdeurwaarders is op dit klachtonderdeel niet gebleken.

4.4 Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt de voorzitter dat de gerechtsdeurwaarders in het verweerschrift uitdrukkelijk ontkennen en dat ook niet aannemelijk is gemaakt of gebleken dat sprake is van een belangenverstrengeling. Het is de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 20 van de Gerechtsdeurwaarderswet toegestaan om naast ambtelijke handelingen ook niet-ambtelijke handelingen te verrichten voor een opdrachtgever. De stelling van klager dat sprake is van verwevenheid tussen de gerechtsdeurwaarders en [   ], met als gevolg dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de gerechtsdeurwaarders in gevaar komt, wordt niet gevolgd. [   ] is niet de (enige) vaste en exclusieve klant van de gerechtsdeurwaarders, zoals door klager wordt gesteld. Ook de omstandigheid dat de gerechtsdeurwaarders een medewerker in dienst hebben genomen die voorheen bij [   ]werkzaam was maakt niet dat sprake zou zijn van een gebrek aan onafhankelijkheid of van partijdigheid. Dit klachtonderdeel dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

5.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

6. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager – samengevat – aangevoerd dat:

7. de gerechtsdeurwaarders hebben geweten van de betwisting vanwege de betrokkenheid van gerechtsdeurwaarder sub 2 bij [   ] en [   ];

8. de voorzitter zonder bewijs of reden veronderstelt dat geen rechtsmiddel zou zijn ingesteld;

10. de uitspraak van de voorzitter over de incidentele vordering feitelijk incorrect is. Klager was genoodzaakt de incidentele vordering in te dienen omdat de gerechtsdeurwaarders weigerden stukken te overhandigen;

13. er wel sprake is geweest van belangenverstrengeling, dan wel van de schijn van belangenverstrengeling;

17. de voorzitter de klacht voor 90% niet heeft behandeld.

7. De beoordeling van de gronden van het verzet

7.1 Ten aanzien van het onder b, c en e. in verzet aangevoerde merkt de kamer op dat de handelwijze van de voorzitter niet ter beoordeling staat in de tuchtprocedure.

7.2 Ten aanzien van het onder a. en d. in verzet aangevoerde overweegt de kamer dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de betreffende klachtonderdelen toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet tegen die beslissing dient ongegrond te worden verklaard.

7.3 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING:

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gegeven door mr. L. van Berkum, plaatsvervangend-voorzitter, en mr. C.W.D. Bom en M.J.C. van Leeuwen, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2022, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, lid 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet geen rechtsmiddel open.