Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2022:118 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/701193 / DW RK 21/167 LV/WdJ

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2022:118
Datum uitspraak: 22-06-2022
Datum publicatie: 23-06-2022
Zaaknummer(s): C/13/701193 / DW RK 21/167 LV/WdJ
Onderwerp: Andere werkzaamheden (art. 20 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Betekenen dagvaarding en executie vonnis niet tuchtrechtelijk laakbaar. De gerechtsdeurwaarder heeft echter het beslag van klaagster op de zorgtoeslag niet bij de collega-gerechtsdeurwaarder aangemeld, met als gevolg dat klaagster een tijd ten onrechte onder de beslagvrije voet heeft geleefd. Klacht gedeeltelijk gegrond, maatregel van berisping en veroordeling in proceskosten.

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 22 juni 2022 zoals bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de klacht met nummer C/13/701193 / DW RK 21/167 LV/WdJ ingesteld door:

[  ],

wonende te [  ],

klaagster,

tegen:

[  ],

gerechtsdeurwaarder te [  ],

beklaagde,

gemachtigde: [  ].

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 23 april 2021, heeft klaagster een klacht ingediend tegen (het kantoor van) beklaagde, hierna: de gerechtsdeurwaarder. Klaagster heeft haar klacht aangevuld bij brieven met bijlagen, ingekomen op 10 mei 2021, 3, 4 en 10 juni 2021. Bij verweerschrift, ingekomen op 6 juli 2021, heeft de gerechtsdeurwaarder op de klacht gereageerd. Klaagster heeft haar klacht vervolgens nog aangevuld bij brieven met bijlagen, ingekomen op 27 juli 2021. Hierop heeft de gerechtsdeurwaarder bij e-mail van 2 augustus 2021 gereageerd. Klaagster heeft haar klacht vervolgens nog aangevuld met e-mails en bijlagen, ingekomen op 21 en 24 januari 2022. De klacht is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 mei 2022 alwaar klaagster telefonisch is gehoord en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder is verschenen. De uitspraak is bepaald op 22 juni 2022.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           Op 10 juli 2018 is klaagster gedagvaard te verschijnen ter zitting van de kantonrechter te Middelburg tegen 25 juli 2018.

-           Bij vonnis van 6 maart 2019 van de kantonrechter te Middelburg is klaagster veroordeeld tot het betalen van een geldbedrag.

-           Bij exploot van 19 augustus 2019 is het vonnis van 6 maart 2019 aan klaagster betekend met gelijktijdig bevel aan de inhoud te voldoen.

-           Op 4 september 2020 is executoriaal derdenbeslag op de zorgtoeslag van klaagster gelegd.

-           Bij exploot van 11 september 2020 is het proces-verbaal van het gelegde beslag aan klaagster betekend.

-           Op 8 juni 2021 heeft de gerechtsdeurwaarder een bedrag van € 838,07 aan klaagster teruggestort.

3. De klacht

Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat de gerechtsdeurwaarder:

a: klaagster heeft gedagvaard ondanks dat zij in september 2018 alle verschuldigde premie inclusief eigen bijdrage voor 2018 had voldaan;

b: direct na het gewezen vonnis beslag op de bankrekening en auto van klaagster heeft gelegd;

c: in september 2020 opnieuw beslag op de zorgtoeslag van klaagster heeft gelegd en teveel heeft geïncasseerd;

d: de eerste beslaglegger niet heeft geraadpleegd en geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en het beslag dat er reeds lag.

4. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5. De beoordeling van de klacht

5.1 Gerechtsdeurwaarders (waaronder mede wordt begrepen waarnemend gerechts­deur­waar­ders, toegevoegd gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaar­ders en degenen die zijn toegevoegd in het kader van de stageverplichting bij de in artikel 25, eerste lid, bedoelde opleiding) zijn ingevolge artikel 34 van de Gerechtsdeurwaar­ders­­wet aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk gerechtsdeurwaarder, waarnemend gerechts­deur­waar­der, toegevoegd gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet betaamt.

5.2 Omdat een kantoor geen beklaagde kan zijn wordt, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 12 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696), de in aanhef vermelde gerechtsdeurwaarder als beklaagde aangemerkt. Het dossier van klaagster kan worden aangemerkt als vallende onder haar verantwoordelijkheid. Ter beoordeling staat of er sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen in de zin van artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

5.3 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder, gelet op haar ministerieplicht, verplicht is om een dagvaarding te betekenen indien daarom wordt verzocht. Het is aan klaagster om verweer te voeren bij de civiele rechter indien zij het niet eens is met de vordering, hetgeen klaagster ook heeft gedaan. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk laakbaar handelen op dit klachtonderdeel.

5.4 Ten aanzien van klachtonderdeel b ontkent de gerechtsdeurwaarder dat haar kantoor beslag heeft gelegd op de bankrekening en auto van klaagster. Nu klaagster haar stelling niet met stukken heeft onderbouwd, dient dit klachtonderdeel als ongegrond te worden afgewezen.

5.5 Ten aanzien van klachtonderdeel c stelt de kamer voorop dat op een gerechtsdeurwaarder een ministerieplicht rust indien hem wordt verzocht een titel ten uitvoer te leggen. De gerechtsdeurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door het vonnis van 6 maart 2019 te executeren. Klaagster staat op grond van artikel 3:276 van het Burgerlijk Wetboek met haar hele vermogen in voor de vordering. Het staat de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 435 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij om beslag te leggen op alle vermogensobjecten van klaagster, dus ook op haar zorgtoeslag. Tegen de tenuitvoerlegging van de titel kan klaagster slechts opkomen door een executiegeschil aan te spannen tegen de opdrachtgever van de gerechtsdeurwaarder. Het tuchtrecht is daarvoor niet de geëigende weg. De door de gerechtsdeurwaarder in rekening gebrachte kosten berusten op door de overheid vastgestelde en in het Besluit tarieven ambtshandeling gerechtsdeurwaarders (Btag) neergelegde tarieven. Van tuchtrechtelijk laakbaar handelen is hierbij niet gebleken.

5.6 Ten aanzien van klachtonderdeel d heeft de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder ter zitting verklaard dat voorafgaand het leggen van het beslag op de zorgtoeslag van klaagster het Digitaal Beslagregister is geraadpleegd. Hieruit kon worden afgeleid dat er reeds beslag op de uitkering van klaagster was gelegd. Volgens (het ten tijde van de beslaglegging vigerende) artikel 475b lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet de totale beslagvrije voet pro rato worden omgeslagen per inkomstenbron. Nu de gerechtsdeurwaarder het beslag van klaagster op de zorgtoeslag niet bij de collega-gerechtsdeurwaarder heeft aangemeld, heeft klaagster vanwege het missen van de zorgtoeslag ten onrechte een tijd onder de beslagvrije voet geleefd. Dit is tuchtrechtelijk laakbaar. De gerechtsdeurwaarder heeft weliswaar op 8 juni 2021 een bedrag van € 838,07 aan klaagster teruggestort, maar omdat het beslag op de zorgtoeslag van klaagster vóór de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudigde beslagvrije voet op 1 januari 2021 was gelegd, mocht dit beslag gehandhaafd blijven en had de gerechtsdeurwaarder eerder genoemd bedrag niet hoeven terugstorten. Het voorgaande staat overigens los van het gegeven dat de collega-gerechtsdeurwaarder niet wist dat de beslagvrije voet bij diens beslag op de uitkering verhoogd had moeten worden vanaf het moment dat er geen zorgtoeslag meer door klaagster werd ontvangen, en klaagster daardoor onder de voor haar geldende beslagvrije voet heeft geleefd.

5.7 Voor zover klaagster schadevergoeding verzoekt, dient zij zich te wenden tot de civiele rechter. Het tuchtrecht is hiervoor niet de geëigende weg.

5.8 De kamer zal de klacht gelet op voorgaande gedeeltelijk gegrond verklaren. De kamer acht de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden.

5.9 De kamer zal de gerechtsdeurwaarder op grond van artikel 43a lid 1 onder a en b van de Gerechtsdeurwaarderswet jo de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamer voor gerechtsdeurwaarders (Staatscourant 1 februari 2018, nr. 5882) tevens veroordelen in de proceskosten. Voor klaagster worden die begroot op een forfaitair bedrag van € 50,-. Voor de procedure worden de kosten begroot op het forfaitaire bedrag van € 1.500,-.

5.10 Op grond van artikel 37 lid 7 van de Gerechtsdeurwaarderswet bepaalt de kamer dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht vergoedt.

5.11 Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart klachtonderdeel d gegrond;
  • verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
  • legt de gerechtsdeurwaarder voor het gegronde deel van de klacht de maatregel van berisping op;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de proceskosten van klaagster, te begroten op € 50,-, te betalen na onherroepelijk worden van deze uitspraak;
  • veroordeelt de gerechtsdeurwaarder in de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer, te begroten op € 1.500,-, met aanzegging dat de ex artikel 43 lid 6 van de Gerechtsdeurwaarder te bepalen termijn en de wijze waarop de gerechtsdeurwaarder het bedrag van de kostenveroordeling moet voldoen, na het onherroepelijk worden van deze beslissing per brief aan de gerechtsdeurwaarder zal worden medegedeeld;
  • bepaalt dat de gerechtsdeurwaarder aan klaagster het betaalde griffierecht ad

€ 50,- vergoedt, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. W.M. de Vries, voorzitter, mr. C.W.D. Bom en

mr. J.N. Reijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 juni 2022, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing, hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.