Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGDKG:2022:104 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/707959 / DW RK 21/441 MdV/RH

ECLI: ECLI:NL:TGDKG:2022:104
Datum uitspraak: 06-05-2022
Datum publicatie: 13-05-2022
Zaaknummer(s): C/13/707959 / DW RK 21/441 MdV/RH
Onderwerp: Ambtshandelingen (art. 2 Gdw)
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Beslissing op verzet. Oorspronkelijke beslissing over het leggen van beslag op klagers onroerende zaak voor een relatief geringe vordering blijft in stand. 

KAMER VOOR GERECHTSDEURWAARDERS TE AMSTERDAM

Beslissing van 6 mei 2022 zoals bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet inzake de beslissing van 21 september 2021 met zaaknummer C/13/698558 / DW RK 21/92 en het daartegen ingestelde verzet met zaaknummer C/13/707959 / DW RK 21/441 MdV/RH ingesteld door:

[..],

wonende te [..],

klager,

tegen:

1. [..],

toegevoegd-gerechtsdeurwaarder te [..],

2. [..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

3. [..],

gerechtsdeurwaarder te [..],

beklaagden,

gemachtigde: [..].

Ontstaan en verloop van de procedure

Bij klachtenformulier met bijlagen, ingekomen op 4 maart 2021, heeft klager een klacht ingediend tegen het gerechtsdeurwaarderskantoor. Bij verweerschrift, ingekomen op 8 april 2021, hebben de gerechtsdeurwaarders op de klacht gereageerd.

Bij beslissing van 21 september 2021 heeft de voorzitter de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Aan klager is een afschrift van de beslissing van de voorzitter toegezonden bij brief van diezelfde datum. Bij brief, ingekomen op 4 oktober 2021, heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Het verzetschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 maart 2022 alwaar klager en  gerechtsdeurwaarder sub 2, mede namens gerechtsdeurwaarders sub 1 en sub 3, zijn verschenen. De uitspraak is bepaald op 6 mei 2022.

1. De ontvankelijkheid van het verzet

Klager heeft verzet ingesteld binnen veertien dagen na de dag van verzending van een afschrift van voormelde beslissing van de voorzitter, zodat hij in het verzet kan worden ontvangen.

2. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden:

-           bij vonnis van 2 oktober 2020 van de rechtbank Rotterdam is klager veroordeeld tot betaling van een geldsom;

-           de gerechtsdeurwaarders is door [..] opgedragen om het vonnis te executeren;

-           op 7 oktober 2020 heeft gerechtsdeurwaarder sub 1 de grosse van het vonnis met bevel tot betaling aan klager betekend;

-           op 30 oktober 2020 hebben gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 3 in opdracht van de opdrachtgever beslag gelegd op de onroerende zaak van klager;

-           bij brief van 12 november 2020 heeft klager geklaagd bij gerechtsdeurwaarders sub 2 en sub 3 dat het beslag disproportioneel is. Tevens volgt uit de brief dat hij de geldsom en gemaakte executiekosten heeft voldaan;

-           bij schrijven van 19 november 2020 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 gereageerd op de klacht;

-           bij schrijven van 23 februari 2021 heeft gerechtsdeurwaarder sub 2 inhoudelijk gereageerd op de klacht die het gerechtsdeurwaarderskantoor op 1 februari 2021 heeft ontvangen.

3. De oorspronkelijke klacht

Klager beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarders:

a.         hem een te korte betalingstermijn, namelijk twee dagen, hebben gegeven waarbinnen de vordering moest worden voldaan;

b:         gelet op de hoogte van de vordering disproportioneel hebben gehandeld door beslag te leggen op zijn woning.

4. De beslissing van de voorzitter

4.1 De voorzitter heeft als volgt op de klacht overwogen:

4.1 Indien door een klager een klacht wordt ingediend tegen een gerechtsdeurwaarderskantoor, dient te worden vastgesteld, tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) de klacht zich richt. In eerdere jurisprudentie oordeelde het gerechtshof Amsterdam dat het in zo’n geval niet aan dat kantoor is toegestaan zelf een - willekeurige - gerechtsdeurwaarder naar voren te schuiven die de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid op zich neemt. Bij klachten tegen een samenwerkingsverband dient de tuchtrechter zelf te onderzoeken tegen welke gerechtsdeurwaarder(s) van het samenwerkingsverband de klacht zich richt (ECLI:NL:GHAMS:2014:3696).
Uit de overgelegde producties volgt dat de betekening van de grosse is uitgevoerd door de in de aanhef genoemde gerechtsdeurwaarder 1. De voorzitter acht daarom dat klachtonderdeel a is gericht tegen deze toegevoegd-gerechtsdeurwaarder.
Uit de klacht alsmede de overgelegde producties kan niet worden opgemaakt tegen welke gerechtsdeurwaarder klachtonderdeel b is gericht dan wel welke gerechtsdeurwaarder de beklaagde handeling heeft verricht. Om die reden worden ook alle aan het gerechtsdeurwaarderskantoor verbonden gerechtsdeurwaarders als beklaagde aangemerkt. Daarom worden gerechtsdeurwaarder 2 en 3 ook aangemerkt als beklaagden. Hiermee is in de aanhef van de beschikking al rekening gehouden.

4.2 Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt de voorzitter als volgt. De betalingstermijn van 2 dagen in het betekende exploot van 7 oktober 2020 is wettelijk vastgelegd in artikel 502 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Pas na verloop van die termijn kan een gerechtsdeurwaarder beslag leggen op onroerende zaken. Klager kan het gerechtsdeurwaarder 1 niet verwijten dat de betalingstermijn bij een bevel tot betaling is vastgesteld op 2 dagen. Daarom is naar het oordeel van de voorzitter dit klachtonderdeel ongegrond.

4.3 Betreffende klachtonderdeel b overweegt de voorzitter als volgt. Klager is op 2 oktober 2020 bij vonnis veroordeeld en heeft nadien nagelaten de vordering vrijwillig te voldoen. Op grond van artikel 435 lid 1 Rv staat het de gerechtsdeurwaarder vrij
beslag te leggen op alle voor beslag vatbare goederen, waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen. Het door gerechtsdeurwaarder 2 en 3 ten laste van klager gelegde beslag op de woning is dan ook niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm.

4.4 Ten aanzien van de proportionaliteit van het gelegde beslag geldt dat de beslaglegger aansprakelijk kan zijn voor de gevolgen van een beslag omdat het beslag is gelegd voor een te hoog bedrag, lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd. Dat moet echter worden beantwoord aan de hand van criteria die gelden voor misbruik van recht en wel in beginsel aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de debiteur door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Het is echter niet aan de tuchtrechter om hierover een oordeel te geven maar aan de gewone rechter.

4.2 Op grond hiervan heeft de voorzitter de klacht van klager als kennelijk ongegrond afgewezen.

5. De gronden van het verzet

In verzet heeft klager het volgende aangevoerd.

5.1 Klager moest een bedrag van € 699,16 betalen zijnde een veroordeling in de proceskosten. Door het beslag dat is gelegd op de woning van klager is dit bedrag verhoogd met € 441,89. Indien beslag was gelegd op een ander goed, bijvoorbeeld op de auto of bankrekening, dan waren de kosten lager geweest.

5.2 Wat de termijn van twee dagen betreft, heeft de voorzitter alleen rekening gehouden met wettelijke kaders, maar niet met de menselijke kant van de zaak. Er is geen rekening gehouden met de corona pandemie. Klager kon zijn advocaat niet bereiken omdat deze afwezig was in verband met een coronabesmetting waardoor hij niet binnen twee dagen kon betalen.

6. De beoordeling van de gronden van het verzet

6.1 De kamer overweegt dat de voorzitter bij de beoordeling van de inleidende klacht de juiste maatstaf heeft toegepast. De gronden van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter en de mondelinge toelichting door partijen ter terechtzitting leveren geen nieuwe gezichtspunten op die maken dat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht toekomt. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en het verzet dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

6.2 Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING:

De kamer voor gerechtsdeurwaarders:

  • verklaart het verzet ongegrond.