Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:9 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/63

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:9
Datum uitspraak: 27-01-2022
Datum publicatie: 11-03-2022
Zaaknummer(s): 2020/63
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Twee dierenartsen wordt verweten dat zij zich ten aanzien van het paard van klaagster onvoldoende hebben ingespannen om een besmetting met droes te voorkomen en dat zij tekort zijn geschoten in de behandeling van het paard, nadat de besmetting met droes was vastgesteld. Ongegrond.

X,     klaagster,

tegen
 

A,     beklaagde sub 1 (zaaknr. 2020/63)

B,     beklaagde sub 2 (zaaknr. 2020/64)

beide dierenartsen tezamen ook te noemen: beklaagden

1. DE PROCEDURE

Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling vond plaats op 25 november 2021. Klaagster en beklaagden, vergezeld door hun gemachtigde, waren daarbij aanwezig. De zaken zijn gelet op hun onderlinge verwevenheid ter zitting tegelijk behandeld met de zaken met de nummers 2020/52, 2020/53, 2020/61 en 2020/62. In die zaken wordt heden eveneens uitspraak gedaan.

2. DE KLACHT

Het college heeft de klacht tegen beide dierenartsen aldus verstaan, in hoofdzaak en samengevat, dat zij zich ten aanzien van het paard van klaagster onvoldoende hebben ingespannen om een besmetting met droes te voorkomen en dat zij tekort zijn geschoten in de behandeling van het paard, nadat de besmetting met droes was vastgesteld.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om het paard van klaagster, een merrie met de naam Dy. Het paard zou in de aanloop naar en gedurende de zomerperiode van 2019 op een opfokbedrijf verblijven, tezamen met de paarden Na en Ni, in eigendom toebehorend aan twee kennissen van klaagster.

3.2. Op 8 mei 2019 zijn de drie paarden bij het opfokbedrijf gearriveerd. Op dezelfde locatie is ook een paardenkliniek gevestigd. Beklaagden zijn verbonden aan het opfokbedrijf en, als dierenartsen, aan de paardenkliniek. De paarden zijn in een weidegroep geplaatst met diverse andere paarden (hierna: de weidegroep). Afgesproken werd dat één van de kennissen van klaagster, de eigenaresse van het paard Ni, tijdens het verblijf van de drie paarden op het opfokbedrijf als contactpersoon zou fungeren voor alle drie de eigenaren van de paarden.

3.3. Op zaterdag 24 augustus 2019 heeft dierenarts B telefonisch contact opgenomen met de contactpersoon (eigenaresse van het paard Ni). Klaagster stelt dat zij vervolgens door de contactpersoon werd geïnformeerd over de melding van dierenarts B dat de paarden een ‘virusje’ hadden, maar dat zij zich daarover geen zorgen hoefde te maken. Dierenarts B heeft een ander verloop van het telefoongesprek met de contactpersoon geschetst en gesteld dat zij heeft gemeld dat alleen Na, het paard van de andere kennis van klaagster, vieze ogen, uitvloeiing uit het linker neusgat en koorts had en dat dit paard om die reden met Metacam was behandeld. In het in het geding gebrachte patiëntenverslag is hierover genoteerd:

“Na, inspectie: zondert zich af, graast niet. linker neusgat lichte mate van uitvloeiing, gelig. beiderzijds vieze ogen, geen verdikte Inn. Mandi. Longaus: geen bijz.geen hoest, normale mest hart: 28, crt < 1 sec, slvl normaal. T 40.1. overleg eigenaar: Ddx virus, infectie behandeling injectie metacam, opvolgende controles, Afspraak inplannen met p…..(noot college: bedoeld wordt de contactpersoon) voor komende maandag/dinsdag. Zondag bellen indien paard verslechterd.

inspectie rest van koppel: geen uitvloeiing neus/ vergrote Inn zichtbaar. eten/ drinken goed.”

3.4. Op zondag 25 augustus 2019 was de gezondheidssituatie van Na blijkens het patiëntenverslag licht verbeterd. Het paard had nog wel koorts, matige eetlust, vieze ogen en een vieze neus, maar oogde actiever dan de vorige dag. Bij de paarden Ni en Dy werd die zondag een lichte oogontsteking geconstateerd. Voor het overige hadden deze twee paarden geen klachten. In het in het geding gebrachte patiëntenverslag is hierover genoteerd:

“Na T 39,4 matige eetlust, vieze ogen beiderzijds, vieze neus, longen schoon, geen hoest.

actiever dan gister, mest en eet. vervolg IV metacam. morgen met p. (noot college: bedoeld wordt de contactpersoon) afspraak inplannen.

Ni, Dy goede eetlust, mest ok. gaan met koppel mee, beide lichte oogontsteking. Geen koorts.”

3.5. Op maandag 26 augustus 2019 is bij het paard Na de waarschijnlijkheidsdiagnose droes gesteld, zich uitend in een zwelling van de lymfeknopen, 38,5 °C koorts, verminderde eetlust en een vieze neus. In de volgende dagen is geconcludeerd dat de vieze ogen van Ni en Dy eveneens door droes werden veroorzaakt. Over de ingestelde behandeling hebben partijen verschillende lezingen gegeven. Het college zal hier bij de beoordeling van de klacht(en) nader op ingaan. Het college heeft begrepen dat de overige paarden in de weidegroep geen droes hebben gekregen, behoudens wellicht een vosmerrie waarvan klaagster stelt dat dit paard de droes in de weidegroep heeft verspreid, hetgeen beklaagden echter hebben weersproken.

3.6. Op 3 september 2019 is Na, het paard van een van de kennissen van klaagster, onverwacht overleden, ondanks dat in de dagen daarvoor blijkens het patiëntenverslag verbetering was geconstateerd, in die zin dat het paard beter at, minder benauwd was en de lymfeklieren minder gezwollen waren. Er is geen sectie op het stoffelijk overschot van dit paard verricht. Omdat klaagster en haar twee kennissen hierna geen vertrouwen meer in beklaagden hadden, zijn de paarden Ni en Dy op 4 september 2019 bij het opfokbedrijf opgehaald en naar een andere kliniek gebracht. Daar zijn deze twee paarden afgezonderd in een stal geplaatst en dagelijks met medicatie (Metacam) behandeld en uiteindelijk hersteld.

3.7. Gebleken is dat klaagster beklaagden aansprakelijk heeft gesteld voor de geleden schade door de droesbesmetting en de in haar visie verkeerde behandeling ervan. De verzekeraar van beklaagden heeft aansprakelijkheid afgewezen, waarna klaagster de onderhavige tuchtprocedure is gestart. Ook de twee kennissen van klaagster zijn afzonderlijke tuchtprocedures tegen beklaagden gestart, die bij het college zijn geregistreerd onder de hiervoor reeds genoemde zaaknummers 2020/52, 2020/53, 2020/61 en 2020/62.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op hun verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Vooraf

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klaagster, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van de dierenartsen beter had gekund, maar of zij in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien, als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoten zijn opgetreden.

5.2. Naar vaste jurisprudentie geldt dat klachten over de wijze waarop een dierenarts met een diereigenaar communiceert buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. Het college oordeelt verder niet over (de hoogte van) facturen of over verzoeken om financiële compensatie. Geschilpunten daarover zullen om die reden in deze tuchtprocedure onbesproken blijven.

5.3. Een ander uitgangspunt in het veterinair tuchtrecht is dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van een collega. Voor zover dierenarts A heeft gesteld dat de klacht tegen hem niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij behoudens één telefoongesprek met de contactpersoon op 27 augustus 2019 over een verzoek om de drie paarden op stal te zetten, geen overig contact met de contactpersoon heeft gehad en niet de behandelend dierenarts van de drie paarden is geweest, volgt het college hem daar niet in. Ter zitting is voldoende gebleken dat dierenarts A in veterinaire zin zodanig betrokken is geweest bij de besluitvorming en advisering over het te volgen behandelplan voor de drie paarden, dat hij daar naar het oordeel van het college in tuchtrechtelijk opzicht tezamen met dierenarts B (mede)verantwoordelijk voor kan worden gehouden.

5.4. Tot slot wordt door het college bij de inhoudelijke beoordeling van de klacht betekenis toegekend aan het in het geding gebrachte patiëntenverslag. Hoewel van de zijde van beklaagden ter zitting is erkend dat het patiëntenverslag later is opgemaakt, ziet het college geen aanleiding om ervan uit te gaan dat dit verslag geen getrouwe uitwerking zou vormen van de primaire (klad)aantekeningen die dierenarts B in een schrift had genoteerd.Voor zover de namen van Ni en Dy in het verslag zijn verwisseld, gaat het college ervan uit dat dit abusievelijk is gebeurd en rechtvaardigt dit nog niet de conclusie dat het verslag achteraf bewust onjuist en niet waarheidsgetrouw is opgemaakt. Ook geldt voor deze twee paarden dat zij een vergelijkbaar ziektebeeld hebben gehad en het verschil met name is gelegen in de data waarop zij volgens het verslag Metacam toegediend hebben gekregen.

Inhoudelijk

5.5. Het college stelt voorop dat de beoordeling van de klachten en de waarheidsvinding uitermate worden bemoeilijkt doordat partijen over nagenoeg al hetgeen zich met betrekking tot de drie paarden in de periode van 8 mei 2019 tot en met 4 september 2019 op het opfokbedrijf heeft voorgedaan tegenstrijdige lezingen hebben gegeven. Zo is er bijvoorbeeld tegenspraak over de vraag i) of het paard van klaagster op 24 augustus 2019 al ziekteverschijnselen vertoonde, ii) of beklaagden kort voor de vaststelling van droes hun eigen paarden uit de weidegroep hebben gehaald, iii) of er kort voor de droesuitbraak nieuwe paarden aan de weidegroep zijn toegevoegd, waarvan er één, een vosmerrie, op 27 augustus 2019 al open abcessen zou hebben gehad, iv) wie als eerste (de contactpersoon of dierenarts B) droes ter sprake heeft gebracht, v) of en zo ja, in welke vorm - na de geconstateerde droesbesmetting - een ‘hygiënesluis’ voor de toegang tot het opfokbedrijf is gemaakt, vi) in hoeverre bezoekers van de paardenkliniek en de naastgelegen Bed & Breakfast toegang tot het opfokbedrijf hadden, vii) of beklaagden bereid waren een andere dierenarts op het terrein toe te laten en viii) hoe vaak en op welke momenten de paarden door dierenarts B klinisch zijn beoordeeld.

5.6. Ook over omstandigheden die feitelijk zouden moeten kunnen worden vastgesteld bestaat er tegenspraak tussen partijen. Zo is er discussie over het gedeelte van het perceel (dat was verdeeld in ‘taartpunten’) dat de weidegroep tot zijn beschikking had, het (wel of geen) gebrek aan gras en schaduw c.q. beschutting op dat weidegedeelte, de locatie en de hoogte van de op het terrein aanwezige bomen, de afstand van de paarden tot de waterbak en over de aanwezigheid van wind op het perceelgedeelte. Op basis van de door partijen aangeleverde informatie in het procesdossier heeft het college hierover geen uitsluitsel kunnen krijgen. Ook de hoorzitting heeft hierin geen verdere duidelijkheid gebracht. Volgens vaste tuchtrechtspraak betekent dit dat de geuite verwijten met betrekking tot al deze te onduidelijke kwesties niet gegrond kunnen worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van een klager minder geloof verdient dan dat van een beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd. Het college zal de beoordeling daarom beperken tot de klachtonderdelen waarvan de onderliggende feiten wel voldoende duidelijk althans niet in geschil zijn, te weten de beslissing om af te zien van isolatie van de drie paarden, de weigering om de drie paarden na de geconstateerde droesbesmetting op stal te zetten, het verwijt dat er geen adequate behandeling heeft plaatsgevonden en het verwijt dat beklaagden de contacten over het ziekteverloop van Dy hebben onderhouden via de contactpersoon en niet met klaagster zelf.

5.7. Droes betreft een zeer besmettelijke ziekte bij paarden, die wordt veroorzaakt door een bacterie, Streptococcus equi equi. Deze bacterie veroorzaakt een infectie van de voorste luchtwegen, waarbij in veel gevallen gezwollen lymfeklieren ontstaan en abcessen, hetgeen tot slikproblemen, benauwdheid, pijnklachtenen daarmee gepaard gaande conditionele verzwakking kan leiden. De eerste symptomen zijn vaak niet heel specifiek, maar veelal is sprake van sloomheid en verminderde eetlust. Ook is vaak sprake van koorts, een vieze neus en ontstoken oogleden. Gezwollen lymfeklieren en abcesvorming zijn duidelijke tekenen die wijzen op een droesbesmetting. In een volgend stadium van het ziekteverloop rijpen de abcessen en breken deze door. Droes is, gelet op het zeer besmettelijke karakter, een infectie die veel paarden reeds op jonge leeftijd doormaken. Er bestaat geen specifiek geregistreerde medicatie voor droes (behoudens het eventueel voorkomen ervan middels vaccinatie) en als er abcessen zijn gevormd, is het gebruik van antibiotica contra-geïndiceerd. De behandeling bestaat met name uit het creëren van gunstige leefomstandigheden met voldoende ventilatie, het aanbieden van zacht krachtvoer en vers drinkwater en monitoring in de vorm van het regelmatig blijven controleren van de hoogte van de lichaamstemperatuur en het klinisch beeld. Van belang is dat abcessen in de lymfeklieren doorbreken, die vervolgens dagelijks worden gespoeld. Zonodig wordt pijnstillende medicatie ingezet, ook om het slikken te vergemakkelijken en geïnfecteerde paarden worden afgezonderd van andere paarden, om verdere besmetting te voorkomen. Het is van belang dat diegenen die met droes besmette paarden verzorgen strikte hygiëne en ontsmettingsmaatregelen in acht nemen en dat zij niet in aanraking komen met gezonde paarden.

5.8. Klaagster verwijt beklaagden niet te hebben gehandeld overeenkomstig de ‘Leidraad Droes’, zoals die op 3 december 2018 op de website van de KNMvD is gepubliceerd. Daarin is beschreven dat bij een droesbesmetting de op een bedrijf aanwezige paarden zo mogelijk in drie groepen worden ingedeeld. De ‘rode’ groep zijn de klinisch verdachte en met droes gediagnosticeerde paarden, de ‘oranje’ groep zijn de paarden die direct of indirect contact met deze paarden hebben gehad en de ‘groene’ groep wordt gevormd door de paarden die geen contact met paarden uit de ‘rode’ groep hebben gehad.

5.9. Beklaagden hebben aangevoerd dat zij er op maandag 26 augustus 2019 – nadat was geconcludeerd dat de klachten van het paard Na door droes werden veroorzaakt – voor hebben gekozen de gehele weidegroep, als zijnde de ‘rode’ groep, te isoleren van de andere op het bedrijf aanwezige paarden (de ‘groene’ groep) en om af te zien van het creëren van een ‘oranje’ groep. Aangezien de paarden Ni en Dy op 26 augustus 2019 al een eerste symptoom vertoonden dat aan droes kon worden gerelateerd en zij volgens de genoemde leidraad derhalve tot de ‘rode’ groep behoorden, had het op die dag nog instellen van een ‘oranje’ groep voor deze twee paarden naar het oordeel van het college geen verschil meer gemaakt. Voor zover klaagster zich op het standpunt heeft gesteld dat haar paard op zaterdag 24 augustus 2019, nadat Na klachten had gekregen, direct van Na had moeten worden afgezonderd, volgt het college haar daar niet in. Op die zaterdag had Na weliswaar koorts, verminderde eetlust, een lichte mate van uitvloeiing uit een van de neusgaten en vieze ogen, maar geen verdikte lymfeklieren, reden waarom door beklaagden in eerste instantie nog is uitgegaan van een virale infectie. Verder geldt dat, als die zaterdag al droes bij Na zou zijn gediagnosticeerd, het in de visie van het college niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is om te kiezen voor het bij elkaar houden van de oorspronkelijke groep paarden en alleen een onderscheid te maken tusseneen ‘groene’ en één ‘rode/oranje’ groep, zonder verdere differentiatie. Daarbij speelt een rol dat het veelal onmogelijk is om verdere verspreiding van droes onder paarden die direct contact hebben gehad met een besmet paard te voorkomen. Terzijde wordt opgemerkt dat het verwijderen van een jong paard uit de groep niet bevorderlijk is voor het welzijn van dat paard. Voor zover van de zijde van klaagster is gesteld dat de droesinfectie is begonnen bij een vosmerrie die kort daarvoor aan de groep zou zijn toegevoegd, is dit door beklaagden betwist, zowel voor wat betreft de toevoeging aan de weidegroep als voor wat betreft het begin van de infectie. Beklaagden hebben gesteld dat de vosmerrie op 26 augustus 2019 slechts een enkel klein korstje, een ‘rafel’, bij de neus had en zeker geen open abcessen. Bij gebrek aan bewijs voor het tegendeel is voor het college niet komen vast te staan dat beklaagden een met droes besmette vosmerrie aan de weidegroep hebben toegevoegd.

5.10. Tussen partijen is niet in geschil dat de contactpersoon op 27 augustus 2019 heeft verzocht om de drie paarden binnen op stal te plaatsen en dat beklaagden daartoe niet zijn overgegaan. Voor het college is het echter niet mogelijk gebleken om vast te kunnen stellen of de stal van het opfokbedrijf eind augustus 2019 een betere plek voor paarden met droes was dan het weiland. Duidelijk is dat het in de hierbedoelde periode erg warm was. Desondanks kan het ook in zo’n situatie beter zijn voor paarden met droes om buiten te verblijven. Dat is enerzijds afhankelijk van de kwaliteit van en bijvoorbeeld de ventilatie in de stal, waarover in dit geval te weinig bekend is, en anderzijds van de vraag of er voldoende schaduw c.q. beschutting en wind in het weiland was, waarover tegenspraak tussen partijen bestaat. Beklaagden hebben toegelicht dat bij de keuze om de paarden buiten te laten verblijven ook een rol heeft gespeeld dat het op stal staan van paarden een verhoogd risico op (verslik)pneunomie of een slokdarmverstopping met zich meebrengt, hetgeen het college kan volgen, en dat de paarden – gelet op hun lichaamstemperatuur, die blijkens het patiëntenverslag ná 25 augustus 2019 op geen enkel moment hoger werd gemeten dan 38,6 °C – hun warmte buiten goed kwijt leken te kunnen. Alles is aanmerking nemende kan door het college niet worden geconcludeerd dat de keuze om de paarden niet op stal te zetten veterinair onjuist en tuchtrechtelijk verwijtbaar is geweest. Voor zover is gesteld dat dierenarts A hier niet toe bereid is geweest omdat hij dan de stal achteraf had moeten desinfecteren, is dit betwist en niet komen vast te staan.

5.11. Uit de stukken leidt het college af dat klaagster met de klacht omtrent het achterwege blijven van een adequate behandeling met name doelt op de terughoudendheid van dierenarts B om Metacam in te zetten. Dierenarts B heeft ter zitting toegelicht dat zij per dag de afweging heeft gemaakt of toediening van Metacam aangewezen was, waarbij zij zich baseerde op de hoogte van de lichaamstemperatuur (die behoudens op 24 en 25 augustus 2019 bij het paard Na, voor het overige niet hoger dan 38,6°C is geweest) en het algemeen klinisch beeld (eten, drinken, mesten, zwelling, mate van eventuele benauwdheid), hetgeen een in de visie van het college acceptabele werkwijze is geweest. Het college trekt ook niet in twijfel dat de paarden dagelijks klinisch zijn beoordeeld, zoals uit het patiëntenverslag volgt. Blijkens dat verslag hebben de paarden ook op verschillende dagen Metacam toegediend gekregen en voor het college is niet komen vast te staan dat de ziekteverschijnselen of pijnklachten bij de paarden van dien aard waren dat er vaker Metacam had moeten worden ingezet dan volgens het patiëntenverslag is gebeurd.

5.12. Hiernaast wordt beklaagden verweten dat zij klaagster niet persoonlijk op de hoogte hebben gebracht van de ziekteverschijnselen bij haar paard en het verdere verloop. Dit klachtonderdeel slaagt niet. Niet bestreden is dat de kennis van klaagster, eigenaar van het paard Ni, als de contactpersoon voor alle drie eigenaren zou fungeren tijdens het verblijf bij het opfokbedrijf, zodat begrijpelijk is geweest dat de communicatie over het ziekteverloop van Dy door beklaagden via deze contactpersoon is verlopen. Dat klaagster in mei 2019 ook haar eigen telefoonnummer aan beklaagden heeft verstrekt, maakt dat niet anders. Ook is niet gesteld of gebleken dat het klaagster niet vrijstond om zelf contact met beklaagden op te nemen voor nadere vragen over Dy.

5.13. Voor zover nog over andere kwesties is geklaagd, vallen deze verwijten ofwel buiten de reikwijdte van het tuchtrecht, ofwel zijn deze niet komen vast te staan dan wel van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.14. De slotsom is dan dat door het college niet kan worden geconcludeerd dat beklaagden tekort zijn geschoten in de aan het paard van klaagster verleende veterinaire zorg, althans niet zodanig dat dit tuchtrechtelijke consequenties zou moeten hebben. De klachten worden aldus ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaken met de nummers 2020/63 en 2020/64;

verklaart de klachten ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. L.B.M. Klein Tank, voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak en drs. J. Hilvering, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2022.