Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:44 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2021/47

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:44
Datum uitspraak: 29-09-2022
Datum publicatie: 09-11-2022
Zaaknummer(s): 2021/47
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten tekort te zijn geschoten in de behandeling van en de nazorg aan een kreupel Konik-paard, behorend tot een kudde die leeft in het Oostvaardersplassengebied. Klacht ongegrond.

X,       klaagster,

tegen
 

Y,       beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek, de dupliek en van daarna van beide zijden nog ingekomen stukken. De mondelinge behandeling vond plaats op 30 juni 2022. Partijen waren daarbij aanwezig. Klaagster werd vertegenwoordigd door haar voorzitter, A, vergezeld door medebestuurslid B en hoefsmid C. . Beklaagde werd bijgestaan door zijn advocaat, mr. T.A.M. van Oosterhout en door D, werkzaam bij SBB en E, inspecteur bij de NVWA. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Het college heeft de klacht aldus verstaan, in hoofdzaak en samengevat, dat beklaagde tekort is geschoten in de behandeling van en de nazorg aan een kreupel Konik-paard, behorend tot een kudde die leeft in het natuurgebied “De Etalage” (Oostvaardersplassengebied).

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Klaagster is een dierenwelzijnsorganisatie die ten doel heeft dierenleed in de Oostvaardersplassen te voorkomen.

3.2. Het gaat in deze zaak om een Konik-merrie , die ten tijde van de gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid een veulen had van ongeveer 3,5 maand oud. De merrie en het veulen behoren tot een kudde paarden, die leven in het  natuurgebied ‘de Etalage’ (Oostvaardersplassengebied), een afgebakend gebied dat verboden is voor derden. Getracht wordt de kudde zoveel mogelijk op een ‘natuurlijke manier’ te laten leven. Staatsbosbeheer (hiervoor en hierna: SBB) is verantwoordelijk voor het beheer van de Oostvaardersplassen. Voor wat betreft de veterinaire ondersteuning van de kudde is het beleid van SBB om in situaties waarin een éénmalige interventie c.q. behandeling het verschil kan maken, deze te laten plaatsvinden, maar om van ingrijpen af te zien in situaties waarin op voorhand al duidelijk is dat een langdurige behandeling nodig is of als er onvoldoende verbetering te verwachten is. In die situaties wordt het betrokken dier alleen geobserveerd en gemonitord. Als daarbij wordt vastgesteld dat het dierenwelzijn in gevaar komt, omdat het dier bijvoorbeeld (chronische) pijn heeft, dan is het beleid dat tot euthanasie wordt overgegaan.

3.3. Beklaagde is als dierenarts betrokken bij het Oostvaardersplassengebied. Hij heeft toegelicht dat SBB contact opneemt als één van de dieren veterinaire zorg nodig heeft of als er behoefte bestaat aan (medisch) advies. Ook komt het voor dat beklaagde met SBB het gebied ingaat om de dieren te observeren. Vanwege het bijzondere karakter van het gebied en de daarin levende dieren, wordt over alle veterinaire acties vooraf overleg gevoerd met de kuddebeheerder van SBB, de gebiedsbeheerder, de externe kuddebeheerder, collega-dierenartsen van de eigen praktijk en zonodig met de veterinaire commissie Oostvaardersplassen.

3.4. Op 17 of 18 maart 2021 is beklaagde telefonisch door SBB benaderd over een Konik-merrie die kreupel liep. Beklaagde heeft de kudde bezocht en de merrie geobserveerd en aan de hand van de manier waarop de merrie liep de waarschijnlijkheidsdiagnose pododermatitis gesteld, ook wel hoefzweer of zoolzweer genoemd. In overleg met SBB is besloten om de merrie op korte termijn onder narcose te brengen voor nader onderzoek en, indien mogelijk, behandeling. Vervolgens is een en ander door de betrokken partijen voorbereid. Beklaagde heeft ervoor gekozen zich tijdens de ingreep te laten bijstaan door een collega-dierenarts.

3.5. Het onderzoek en de behandeling hebben op vrijdag 19 maart 2021 plaatsgevonden. De collega-dierenarts was omstreeks 13.00 uur ter plaatse. Beklaagde zelf arriveerde korte tijd later. Naast de twee dierenartsen waren ook de kuddebeheerder van SBB en een boswachter van SBB aanwezig om zonodig bij de behandeling te assisteren. De collega-dierenarts heeft de merrie omstreeks 13.45 uur gesedeerd met een combinatie van Zoletil en Detomidine. Daarbij is gebruik gemaakt van ‘tele-immobilisatie’, ofwel het op afstand onder narcose brengen van dieren, met gebruikmaking van verdovingspijlen die worden afgeschoten met een verdovingsgeweer. Van de zijde van klaagster is gesteld dat de merrie zich op het moment van schieten in de nabijheid van bomen bevond. Tijdens de inductiefase heeft de merrie zich nog verplaatst. Op enig moment viel zij neer, waarna beklaagde de merrie nog een nadosering met Ketamine en Detomidine heeft toegediend. Vervolgens heeft de merrie nog een kleine afstand afgelegd, waarna zij uiteindelijk terecht is gekomen in een gebied met uitstekende boomstronkjes c.q. stobben. Partijen verschillen van mening over de hoogte van deze stronkjes. Van de zijde van klaagster is gesteld dat het om stronkjes van 30 tot 50 cm ging die de merrie hadden kunnen doorspiezen, terwijl beklaagde stelt dat het om enkele lage stobbetjes ging van maximaal 10 cm hoog. De feiten hieromtrent zijn door het college niet vast te stellen. Hoe het ook zij, in ieder geval is tussen partijen niet in geschil dat de merrie niet op een van deze stronkjes terecht is gekomen. De merrie is door beklaagde vervolgens te midden van de kudde onderzocht en behandeld. Gedurende de ingreep stonden de andere paarden op ongeveer vijf à tien meter afstand. Beklaagde heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat er inderdaad sprake was van een zoolzweer en deze behandeld. Het bijkomen uit de narcose verliep voor de merrie letterlijk met vallen en opstaan. Partijen hebben ter zitting verklaard dat de merrie, zij het wankel, omstreeks 15:45 uur weer op haar benen stond. Kort daarna werd de merrie benaderd door een aantal andere dieren uit de kudde en werd zij door een jonge hengst bestegen. Nadat deze hengst weer afstand van de merrie had genomen, hebben de twee dierenartsen en de twee medewerkers van SBB zich zodanig gepositioneerd dat de merrie niet nogmaals kon worden lastig gevallen.

3.6. Omstreeks 17.00 uur hebben beklaagde, de collega-dierenarts en de medewerkers van SBB het terrein verlaten. Beklaagde stelt dat hij zich er tevoren van heeft verzekerd dat de merrie het veulen weer accepteerde en in staat was zich te verweren tegen de andere dieren in de kudde en dat hij SBB heeft geïnstrueerd de merrie te blijven monitoren. Beklaagde heeft  gesteld dat omstreeks 18.00 uur, omstreeks 19.00 uur en omstreeks 07.00 uur de volgende ochtend, medewerkers van SBB de kudde en de merrie hebben geobserveerd, dat hij ook nog diverse keren telefonisch overleg met SBB over de merrie heeft gehad en dat op zijn verzoek ook video-opnames van de merrie zijn gemaakt. Verder stelt beklaagde dat hij de kudde op zaterdagmiddag 20 maart 2021 ook zelf nog heeft bezocht en daarbij heeft geconstateerd dat de kreupelheid van de merrie aanzienlijk was verminderd (van 4 uit 5 naar 1 uit 5). Van de zijde van klaagster is daartegenover gesteld dat er die vrijdagavond tot het invallen van de duisternis in het gebied geen medewerkers van SBB zijn gezien, dat de merrie ook na het vertrek van beklaagde, de collega-dierenarts en SBB door hengsten is bestegen en dat de merrie de volgende dag alleen vanaf de weg is geobserveerd.  

3.7. Klaagster stelt zich op het standpunt dat beklaagde de merrie in levensgevaar heeft gebracht door de wijze waarop de ingreep is verlopen en door de gebrekkige nazorg die er is verleend. Daarin heeft klaagster aanleiding gezien de onderhavige tuchtprocedure te starten.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

Ontvankelijkheid

5.1. Het Veterinair beroepscollege heeft eerder (VB 2020/09, ECLI:NL:TDIVBC:2020:9) geoordeeld, kortgezegd, dat ook rechtspersonen middels een tuchtprocedure kunnen opkomen voor de belangen die zij krachtens hun statutaire doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden behartigen. Klaagster komt blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden op voor de dieren die leven in het Oostvaardersplassengebied. Zij is derhalve ontvankelijk in haar klacht.

Omvang van het geding

5.2. Het college stelt voorop dat beklaagde in het klaagschrift concreet verwijten worden gemaakt ten aanzien van de behandeling van de merrie Mika. Het klaagschrift bevat daarnaast verwijzingen naar andere gebeurtenissen waarbij beklaagde eveneens betrokken zou zijn geweest. Het college heeft deze verwijzingen echter gelezen en beschouwd als kleuring en ondersteuning van de klacht over de merrie Mika. Dit is aan de vertegenwoordigers van klaagster ter zitting medegedeeld.

5.3. Een van de uitgangspunten in het veterinair tuchtrecht is dat een dierenarts alleen voor zijn of haar eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting concludeert het college dat de collega-dierenarts het verdovingsgeweer heeft gehanteerd en zelfstandig het moment van het schieten van de verdovingspijl heeft bepaald alsook de locatie waarop dat is gebeurd (daar waar de paarden zich op dat moment bevonden). Voor zover de klachten daarop betrekking hebben, zullen deze daarom buiten de beoordeling blijven. Weliswaar is van de zijde van klaagster ter zitting gesteld dat beklaagde als ‘huis-dierenarts’ van SBB in deze eindverantwoordelijk is, echter maakt het feit dat SBB cliënt bij beklaagde is en dat hij zijn collega-dierenarts heeft ingeschakeld voor het schieten van de verdovingspijl, naar het oordeel van het college nog niet dat beklaagde in tuchtrechtelijke zin ook verantwoordelijk is voor het handelen van deze collega-dierenarts.

Inhoudelijk

5.4. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de merrie waarvoor zijn hulp was ingeroepen, dan wel of hij anderszins tekort is geschoten in de uitoefening van zijn beroep, waardoor er ernstige schade voor de diergezondheid kon ontstaan, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Bij de beoordeling van de klacht geldt als uitgangspunt dat de in het veterinair tuchtrecht te toetsen zorgvuldigheidsnorm niet zo streng is dat alleen de meest optimale diergeneeskundige zorg voldoet. De maatstaf is dus niet of het handelen van de dierenarts beter had gekund, maar of hij in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien, als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.5. Voorts geldt dat het vaste tuchtrechtspraak is dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde zaken en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd. Ten aanzien van de verwijten waarvan de onderliggende feiten niet zijn vast te stellen, zal het college zich dan ook van een oordeel onthouden.

5.6. Het college is middels berichtgeving in de media ambtshalve bekend met de maatschappelijke discussie die al jaren wordt gevoerd over de wijze waarop het Oostvaardersplassengebied wordt beheerd, met name met betrekking tot de grote grazers in dat gebied. In deze tuchtprocedure ligt echter alleen het veterinair handelen van beklaagde in zijn hoedanigheid van dierenarts met betrekking tot de merrie Mika ter beoordeling voor.

5.7. Klaagster verwijt beklaagde de merrie in levensgevaar te hebben gebracht door de merrie op een ongunstige locatie (tussen de bomen en in de buurt van boomstronkjes) vanaf een afstand te verdoven en te midden van de kudde op open terrein te behandelen, in plaats van gebruik te maken van de aan het einde van de Etalage aanwezige vangkraal, of van een mobiele vangkraal dan wel van de met schapengaas omheinde en met bomen omzoomde weide die vlakbij (100 meter) de plek is gelegen waar de merrie is geschoten.

5.8. Nadat beklaagde telefonisch van SBB de melding had ontvangen dat een van de Konik-merries sinds een paar dagen kreupel liep, heeft hij de kudde en de merrie (van afstand) geobserveerd. Uit de manier waarop de merrie liep, heeft beklaagde afgeleid dat er waarschijnlijk sprake was van een zoolzweer. Het college kan zich verenigen met het advies van beklaagde aan SBB om de merrie te laten onderzoeken in het kader van een te stellen definitieve diagnose en een eventuele behandeling. Voor een dergelijk onderzoek en behandeling is een vorm van fixatie noodzakelijk. Beklaagde heeft aangegeven betrokken te zijn geweest bij de beslissing over de wijze van fixatie, zodat hij daarvoor (mede) verantwoordelijk kan worden gehouden. Het college acht voldoende aannemelijk dat het fixeren van een Konik-paard middels het – al dan niet met gebruikmaking van een halster – vasthouden van het paard (en een plaatselijke verdoving) geen reële optie betreft en risicovol is. Hoewel wellicht de discussie kan worden gevoerd hoe wild deze Konik-paarden feitelijk zijn, gaat het in ieder geval om dieren met een aanzienlijk gewicht (350-400 kg), die niet in de hand gesteld zijn en die gewend zijn om zich zonder (al te veel) menselijk ingrijpen en aanraking vrijelijk door een groot gebied te bewegen. Dat maakt dat dergelijke dieren (veel) onvoorspelbaarder zijn dan gedomesticeerde dieren en dat in het kader van een beoogde behandeling meer of andere voorzorgsmaatregelen nodig zijn om de veiligheid van de behandelend dierenarts en het paard zelf te waarborgen. Het is naar het oordeel van het college dan ook begrijpelijk en aanvaardbaar geweest dat beklaagde tezamen met de andere betrokkenen heeft gekozen om het onderzoek en de behandeling onder volledige narcose uit te voeren. Het college volgt beklaagde in zijn betoog dat aan het onder narcose brengen van niet-gedomesticeerde dieren risico’s kleven en dat geen van de mogelijkheden die in dat verband ter beschikking staan ideaal is. Zo speelt bij tele-immobilisatie de moeilijkheid dat het gewicht van het dier niet exact kan worden bepaald en moet worden geschat, dat de reactie van het dier op de ‘dart’ met het narcosemiddel niet te voorspellen is en dat niet kan worden voorkomen dat het dier zich na het schot nog verplaatst. Ook het toedienen van een narcosemiddel in de relatief beschutte omgeving van een (vang)kraal is echter verre van ideaal. Aangezien de merrie deel uitmaakt van een kudde, daarin een van de leidende merries is en een veulen aan de voet had, was het scheiden van de merrie en de kudde niet alleen lastig, maar ook onwenselijk omdat dit veel stress voor de merrie en de kudde met zich meebracht, waarbij nog komt dat stress een negatieve invloed op de werking van de narcose kan hebben. Dit betekent dat de merrie in de directe nabijheid van de kudde zou moeten worden behandeld. Het leiden van de kudde naar de vangkraal aan het einde van de Etalage had betekend dat de kudde enkele kilometers had moeten lopen met veel ongemak en mogelijk pijn voor de kreupele merrie. Als alternatief had een mobiele vangkraal kunnen worden opgebouwd, hetgeen echter tijd kost. Daarbij geldt dat paarden niet altijd vrijwillig een vangkraal inlopen en dan moeten worden opgedreven, hetgeen eveneens voor stress zorgt. Het in een relatief kleine ruimte opsluiten van paarden die gewend zijn vrij rond te lopen is sowieso stressvol. Verder kan ook in een vangkraal niet worden voorspeld hoe een dier op de narcose zal reageren. Indien de merrie in reactie op de narcose in paniek op de vlucht slaat, kan zij zich in een vangkraal ernstig bezeren en zou de hele kudde in paniek kunnen raken, met alle gevolgen van dien. Door klaagster is nog gewezen op de met schapengaas omheinde weide die vlakbij de plek lag waarop de merrie is geschoten. Naast de hiervoor genoemde nadelen en risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van een vangkraal, geldt voor deze weide nog specifiek dat die blijkens de verklaringen ter zitting is omsloten met schapengaas van ongeveer 1 meter 25 hoog, hetgeen voor het opsluiten van paarden te laag is en waarbij overigens ook het gaas onvoldoende stevig is. Alles in aanmerking nemende kan het college zich verenigen met de keuze voor tele-immobilisatie op open terrein, omdat dit naar verwachting tot de minste stress voor de merrie, het veulen en de kudde zou leiden en de grootste kans bood om de merrie goed te kunnen behandelen.

5.9. Zoals in 5.3 reeds is overwogen is ter zitting komen vast te staan dat een collega-dierenarts het verdovingsgeweer heeft gehanteerd en dat deze dierenarts ook de locatie (daar waar de paarden op dat moment feitelijk liepen) en het moment van schieten heeft bepaald, zodat beklaagde daar in tuchtrechtelijke zin niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden. Dat de merrie zich na het schot nog minutenlang heeft verplaatst is niet altijd te voorkomen. Het enige dat in die situatie door beklaagde en de andere aanwezigen dan kon worden gedaan is te trachten de merrie te (be)geleiden en haar bij gevaarlijke plekken weg te houden. Beklaagde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat dit zo goed als mogelijk is gebeurd en de merrie heeft ook geen verwondingen opgelopen. Nadat de merrie onder narcose was gebracht, is zij onderzocht en behandeld met betrekking tot de zoolzweer, waarover verder geen klachten zijn aangevoerd. Wel wordt beklaagde verweten onvoldoende nazorg te hebben verleend, waardoor het mogelijk was dat hengsten uit de kudde de merrie konden bestijgen.

5.10. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat de merrie onder narcose is gebracht met een dart met Zoletil en Detomidine en dat vervolgens als nadosering nog een combinatie van Detomidine en Ketamine is toegediend. Om de merrie en het veulen snel weer te kunnen herenigen is het alpha 2 gedeelte van de verdoving (Detomidine) geantagoneerd met Atipamezole. Zoletil en Ketamine moeten vanzelf uitwerken. Een dergelijk proces kan letterlijk met ‘vallen en opstaan’ gepaard gaan. Daarbij is niet altijd te voorkomen dat het paard enkele passen loopt en vervolgens weer neervalt, mogelijk op een ongunstige plek. Verder is inherent aan het behandelen van een merrie in een kudde dat zij daarna op enig moment weer door kuddegenoten benaderd wordt. Indien op dat moment blijkt dat de merrie nog niet in staat is zichzelf tegen ongewenste aandacht te verdedigen, kan alleen worden gewacht tot de merrie weer met rust wordt gelaten om vervolgens te trachten haar af te schermen, hetgeen ook is gebeurd. Niet in geschil is dat de merrie - zij het wankel - omstreeks 15.45 uur weer op haar benen stond en dat beklaagde het gebied omstreeks 17.00 uur, derhalve een uur en een kwartier later, heeft verlaten. Door het college wordt in redelijkheid aangenomen dat de narcose op dat moment was uitgewerkt. Beklaagde stelt de merrie voor zijn vertrek nog tezamen met het gehele team (waaronder de collega-dierenarts en de medewerkers van SBB) over vele honderden meters te hebben gevolgd en geobserveerd, totdat werd geconcludeerd dat zij het veulen accepteerde en voldoende in staat was zichzelf te handhaven en te verdedigen in de kudde. Naar het oordeel van het college is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar geweest dat beklaagde na die vaststelling het gebied heeft verlaten. Dit geldt temeer nu het college niet in twijfel trekt dat beklaagde SBB heeft geïnstrueerd om de merrie te blijven monitoren, dat hij die avond en de volgende ochtend diverse keren telefonisch contact met SBB over de merrie heeft gehad, dat op zijn verzoek ook video-opnamen van de merrie zijn gemaakt en dat hij de merrie de volgende middag ook zelf nog heeft geobserveerd en toen heeft vastgesteld dat de kreupelheid aanzienlijk was verminderd (naar 1 uit 5) en dat het genezingsproces derhalve naar verwachting verliep. Het college gaat er overigens vanuit dat de observaties en controles door SBB ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Van de zijde van klager is onvoldoende gesteld om van het tegendeel uit te moeten gaan. Dat de controles door SBB en beklaagde vanaf de weg werden gedaan, acht het college niet onacceptabel, mede in het licht van het uitgangspunt om het leven van de kudde zo min mogelijk te verstoren. Uiteraard is daarbij wel van belang dat vanaf de weg, al dan niet met behulp van een verrekijker, een goed oordeel over de gezondheidstoestand en het welzijn van de merrie kon worden gevormd. Niet gebleken is dat dit in de onderhavige situatie niet het geval is geweest. Dat het (verdere) herstel volgens klaagster nog een week zou hebben geduurd doet hier niet aan af, met de toevoeging dat SBB het in die week kennelijk niet noodzakelijk heeft gevonden om nog de hulp van beklaagde in te roepen, dat niet gesteld of  gebleken is dat de merrie zich in die periode niet kon handhaven in de kudde en dat het college ervan uitgaat dat het herstelproces ook verder op normale wijze is verlopen.

5.11. Voor zover nog over andere kwesties is geklaagd, vallen deze verwijten ofwel buiten de reikwijdte van het tuchtrecht, ofwel zijn deze betwist en niet komen vast te staan, dan wel van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.12. Op grond van het voorgaande en met in achtneming van de bijzondere situatie ter plaatse en het feit dat het hier ging om een niet-gedomesticeerd paard, is het college van oordeel dat beklaagde geen veterinair tekortschieten kan worden verweten dat tuchtrechtelijke consequenties zou moeten hebben. De klacht wordt aldus ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. J.A.M. van Gils en drs. B.J.A. Langhorst-Mak, in aanwezigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2022          .