Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:42 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2021/75

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:42
Datum uitspraak: 15-09-2022
Datum publicatie: 09-11-2022
Zaaknummer(s): 2021/75
Onderwerp: Honden
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Klachten tegen drie dierenartsen. De eerste dierenarts wordt verweten dat zij een wond, die was ontstaan nadat haar collega een vetbult aan de buik van de hond van klager had verwijderd, verkeerd heeft gehecht. Deze klacht is ongegrond verklaard. De tweede dierenarts wordt verweten dat zij met betrekking tot het verwijderen van de vetbult veterinair onjuist heeft gehandeld en tekort is geschoten in de nazorg. Deze klacht is deels gegrond verklaard, met oplegging van een waarschuwing. De derde dierenarts wordt verweten dat hij, nadat klager zich met de hond op enig moment tot een andere dierenarts had gewend, als praktijkeigenaar zou hebben verboden contact met de opvolgend dierenarts te hebben. Deze klacht is ongegrond verklaard.

W,      klager,

tegen

X,  beklaagde sub 1 (zaaknummer2021/75),

Y,  beklaagde sub 2 (zaaknummer 2021/76),

Z,  beklaagde sub 3 (zaaknummer 2021/77).

1. DE PROCEDURE

Het college heeft in de zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De zaken zijn op een gelijktijdig tijdstip geagendeerd voor een mondelinge behandeling, die op 30 juni 2022 heeft plaatsgevonden. Ter zitting zijn klager en zijn echtgenote verschenen, bijgestaan door hun adviseur, dierenarts V. In de zaken 2021/75 en 2021/76 zijn beklaagden niet verschenen. In de zaak 2021/77 is beklaagde, dierenarts sub 3, wel verschenen, tezamen met zijn gemachtigde, drs. ing. T.E. van den Ven. Na de zittting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

2.1 Dierenarts sub 1 wordt verweten dat zij een wond, die was ontstaan nadat dierenarts sub 2 een vetbult aan de buik van de hond van klager had verwijderd, verkeerd heeft gehecht.

2.2 Dierenarts sub 2 wordt verweten dat zij met betrekking tot het operatief verwijderen van de vetbult bij de hond veterinair onjuist heeft gehandeld en tekort is geschoten in de nazorg.

2.3 Dierenarts sub 3 wordt verweten dat hij, nadat klager zich met de hond op enig moment tot een andere dierenarts, V, had gewend, dierenarts sub 2 zou hebben verboden contact met dierenarts V te hebben, waardoor de hond geen optimale nazorg heeft gekregen.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1 Het gaat in deze zaak om de hond van klager, een labrador retriever, die ten tijde van de eerste gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid, ruim 9 jaar oud was.

3.2 Op 18 maart 2021 heeft dierenarts sub 2 de hond gevaccineerd en bij controle een vetbult geconstateerd aan de linkerflank van de buik van de hond. Klager heeft verzocht om de vetbult te verwijderen, met als reden dat de hond er last van had. Uit de patiëntenkaart volgt dat dierenarts sub 2 dit niet noodzakelijk vond. Klager wilde dat, als er een afspraak zou worden gemaakt voor het verwijderen van de vetbult, er dan tevens een gebitsbehandeling bij de hond zou worden uitgevoerd.

3.3 Op 19 april 2021 heeft de echtgenote van klager telefonisch contact opgenomen met de praktijk om een afspraak te maken voor het verwijderen van de vetbult en de gebitsbehandeling.

3.4 Op 19 mei 2021 is de hond onder algehele narcose geopereerd en is de vetbult door dierenarts sub 2 verwijderd. Omdat daarbij een grote wond ontstond, is deze door de daarin meer ervaren dierenarts sub 1 gehecht. Daarnaast is een gebitsbehandeling uitgevoerd. De hond heeft vervolgens een petshirt aangekregen en is op verzoek in de middag van de praktijk opgehaald, omdat de hond erg onrustig was. Dierenarts sub 2 heeft bij het ophalen van de hond uitleg gegeven over de wond en geadviseerd om de hond niet te laten traplopen, spelen, springen en hem rustig te houden. Zij heeft ook aanvullende pijnstillende medicatie (Tramadol) voorgeschreven. Afgesproken werd dat direct contact zou worden opgenomen als de wond open zou gaan en dat het petshirt aan moest blijven tot het controleconsult, dat op vrijdag 21 mei 2021 zou plaatsvinden. Hiernaast is voor vertrek van de hond uit de praktijk Rycarfa en Noroclav voorgeschreven.

3.5 Op 20 mei 2021 heeft de heer V, een door klager benaderde andere dierenarts, de hond bij klager thuis onderzocht. Dierenarts V heeft vastgesteld dat de hond veel hijgde, een polsfrequentie van 180 slagen per minuut had en dat de slijmvliezen bleek waren. Hij constateerde dat de wond groot (15-20 cm) was, met veel spanning op het midden, maar niet pijnlijk. Er kwam licht bloederig vocht uit de wond. Hij heeft geadviseerd om te stoppen met Tramadol, om de hond rustig te houden (enkel uit te laten) en gekookte kippenlever te voeren. De volgende dag is dierenarts V naar de praktijk van beklaagden gekomen voor contact met dierenarts sub 2. Dit contact is toen niet tot stand gekomen.  

3.6 Klager heeft het eerder afgesproken controleconsult op vrijdag 21 mei 2021 geannuleerd, met als reden dat dit te stressvol voor de hond zou zijn. Telefonisch werd afgesproken om digitaal foto’s van de wond naar de praktijk te sturen.

3.7 Op 21 mei 2021 heeft er een telefonisch consult plaatsgevonden waarbij van de zijde van klager is gemeld dat dierenarts V had geconstateerd dat de hond bloedarmoede had en dat was  geadviseerd om te stoppen met Tramadol, omdat de hond daar onrustig van werd. De hond had op dat moment volgens klager geen pijn. Dierenarts sub 2 heeft daarop aangegeven dat de hond niet veel bloed had verloren tijdens de operatie en heeft klager althans zijn echtgenote gevraagd om de kleur van de slijmvliezen te controleren en aan haar door te geven. Deze waren rood-roze, waarin dierenarts sub 2 geen directe aanwijzing zag voor bloedarmoede. Zij heeft geadviseerd om de slijmvliezen te blijven controleren en contact met de praktijk op te nemen als de slijmvliezen van kleur zouden veranderen c.q. bleek zouden zijn, maar ook als er andere vragen of twijfels waren.

3.8 In de dagen hierna zijn er door klager meerdere foto’s van de wond naar dierenarts V gestuurd. In de patientenkaart van dierenarts V staat vermeld dat er nog steeds vocht uit de wond kwam, maar dat er weinig zwelling of roodheid waarneembaar was. Wel was sprake van korstvorming op de operatiewond en rondom de ontspanningssnedes. Dierenarts V heeft strikte rust geadviseerd en om de wond schoon te houden met lauw water.

3.9 Op 3 juli 2021 heeft dierenarts V op basis van door klager aan hem verstuurde foto’s van de wond geconcludeerd dat deze licht open was gegaan. De volgende dag, op 4 juli 2021, heeft dierenarts V de hond bij klager thuis bezocht en vastgesteld dat sprake was van veel wondvocht, dat de wond in het midden open was gegaan, dat er veel spanning op de hechtingen stond en dat sprake was van holtevorming. Die dag zijn de patiëntenkaart en de facturen bij de praktijk van beklaagden opgevraagd en ook aan klager verstrekt. Blijkens de stukken heeft klager ook in de dagen hierna foto’s van de wond gestuurd naar dierenarts V, die verdere nazorg aan de hond heeft verleend. Het college heeft begrepen dat het herstel van de wond nog tot december 2021 heeft geduurd.

3.10 Op 9 juli 2021 heeft er op de praktijk een gesprek plaatsgevonden tussen enerzijds klager en dierenarts V en anderzijds dierenarts sub 2 en dierenarts sub 3 over de uitgevoerde ingreep en de ontstane complicaties. Dit gesprek heeft niet tot een vergelijk geleid. Op enig moment hierna is klager de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op hun verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

3.1 In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen hadden behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klager, met betrekking tot welk dier hun hulp was ingeroepen, of dat zij anderszins tekort zijn geschoten in de uitoefening van hun beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend, maar geldt als criterium of een dierenarts in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

3.2 Het college stelt voorop dat naar vaste tuchtrechtspraak geldt dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken en op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van een klager minder geloof verdient dan dat van een beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover wordt geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd. Ten aanzien van de verwijten waarover tegenspraak bestaat en de feiten niet met zekerheid kunnen worden vastgesteld, onthoudt het college zich dan ook van een oordeel. Het college zal de klachten hierna per dierenarts bespreken.

Ten aanzien van dierenarts beklaagde sub 1 (zaaknummer 2021/75)

3.3 Klager verwijt beklaagde dat zij de wond niet juist heeft gehecht, omdat achteraf door dierenarts V is vastgesteld er teveel spanning op de wond stond en de wond boven en onder lelijke huidplooien vertoonde. Ook was er volgens klager, nadat de wond op 3 juli 2021 open was gegaan, een groot gat zichtbaar. Beklaagde wordt voorts verweten dat na het hechten van de wond geen drukverband is aangebracht en geen drain is aangelegd.

3.4  Beklaagde heeft toegelicht dat het een grote wond betrof, zodat spanning bij het sluiten van de wond niet te voorkomen was en dat zij meerdere spanningsverminderende handelingen heeft verricht (zoals de huid ondermijnen, het werken met T- en Z-plastie en het maken van spanningsverminderende snedes) om de druk op de wond zo laag mogelijk te houden. Hiernaast heeft zij de onderhuid gehecht met meerdere enkelvoudige matrashechtingen om holtevorming te voorkomen en om de spanning op de wond beter te verdelen. Vervolgens heeft zij een doorlopende cushing hechting aangebracht zodat, als een matrashechting los zou laten, dan niet direct de gehele spanningsverdeling zou wegvallen. Daarna heeft zij een subcutane hechting aangebracht, vervolgens een interdermale hechting en daar bovenop nog losse knoophechtingen. Beklaagde heeft toegelicht dat er enkel sprake was van een minimale plooi op het uiteinde van de T-plastie en dat er op het moment van het sluiten van de wond geen sprake was van holtevorming. Het college ziet geen aanleiding in twijfel te trekken dat de wond is gehecht op de wijze zoals door beklaagde is toegelicht en acht de beschreven werkwijze en toegepaste techniek veterinair niet onjuist. Het college trekt verder niet in twijfel dat de plooien zo goed als mogelijk zijn weggewerkt en dat er ten tijde van het hechten geen sprake was van holtevorming. Daarvan uitgaande is naar het oordeel van het college verdedigbaar  geweest om geen drukverband aan te brengen en geen drain aan te leggen, maar om de hond wel een petshirt te laten dragen.Tot slot geldt dat er na iedere ingreep complicaties kunnen optreden zonder dat daar per definitie onjuist veterinair handelen van de dierenarts aan ten grondslag hoeft te liggen en dat het open gaan van de wond diverse oorzaken kan hebben gehad. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.

Ten aanzien van dierenarts beklaagde sub 2 (zaaknummer 2021/76)

3.5 Het college stelt voorop dat partijen over een aantal kwesties tegenstrijdige lezingen hebben gegeven. Zo is er tegenspraak over de vraag of er voor de operatie is gesproken over de noodzaak van het verwijderen van de vetbult, de mogelijke complicaties en of er voorafgaande aan de operatie nog onderzoek is verricht. Nu de feiten dienaangaande door het college niet kunnen worden vastgesteld, onthoudt het college zich van een oordeel over deze kwesties. Voor zover beklaagde wordt verweten dat zij voorafgaand aan de operatie geen kostenraming heeft gemaakt, geldt naar vaste jurisprudentie dat het college niet oordeelt over financiële geschilpunten.

3.6 Klager verwijt beklaagde dat zij tijdens de ingreep teveel huid heeft weggenomen, waardoor de wond veel groter is geworden dan nodig was. Uit het verweer van beklaagde volgt dat zij ook zelf erkent dat zij een verkeerde inschatting heeft gemaakt met betrekking tot het wegnemen van de hoeveelheid huid rondom de bult. Dit klachtonderdeel acht het college gegrond.

3.7 Ten aanzien van de klacht dat de hond te vroeg mee naar huis is gegeven en dat beklaagde Tramadol heeft voorgeschreven, overweegt het college als volgt. De hond was na de operatie onrustig in de opname, maar was wel wakker en in staat om te lopen. Omdat de hond onrustig c.q. angstig was, heeft beklaagde de hond door klager laten ophalen, zodat het dier in de eigen vertrouwde thuisomgeving minder stress zou ervaren, hetgeen in het belang van het herstel was. Het college kan beklaagde in deze argumentatie volgen. Ook met betrekking tot het voorschrijven van Tramadol is naar het oordeel van het college geen sprake geweest van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Tramadol kan worden voorgeschreven naast een NSAID, zoals in dat geval Rycarfa, indien een hond pijn heeft. Overigens blijkt uit de patiëntenkaart dat aan de hond al eerder, in 2019, Tramadol was voorgeschreven en dat er toen geen bijwerkingen zijn opgetreden. Hiernaast staat vast dat de hond reeds voor de toepassing van Tramadol onrustig was, reden waarom de hond ook is opgehaald van de praktijk. Dat het gebruik van Tramadol tot rusteloosheid van de hond heeft geleid, is voor het college niet vast komen te staan.

3.8 Ook het verwijt dat beklaagde op eigen initiatief en uit eigen beweging in het kader van de  nazorg had moeten voorstellen om de hond bij klager thuis te bezoeken, acht het college ongegrond. Klager heeft er zelf voor gekozen om niet met de hond naar het afgesproken controleconsult op 21 mei 2021 te komen en heeft vervolgens afgesproken om digitaal foto’s van de wond naar de praktijk te sturen. Beklaagde heeft op 21 mei 2021 met klager telefonisch contact gehad. Dat de naar de praktijk verstuurde foto’s aanleiding hadden moeten vormen voor een visite aan huis, is voor het college niet gebleken, terwijl klager zelf ook niet specifiek om een huisvisite heeft verzocht. Hiernaast is door beklaagde tijdens het telefoongesprek op 21 mei 2021 gemeld dat contact met de praktijk moest worden opgenomen als de conditie van de hond zou verslechteren of als er vragen waren over de genezing van de wond en is ook in die zin geen sprake geweest van nalatig handelen.

3.9 Ten slotte wordt beklaagde verweten dat zij geen contact heeft opgenomen met dierenarts V na diens verzoek om collegiaal overleg. Voor het college is onduidelijk gebleven wat er debet is geweest aan het feit dat het contact niet tot stand is gekomen. De feiten hieromtrent kunnen niet worden vastgesteld. Hiernaast geldt dat dierenarts V op het moment dat hij om contact verzocht, niet de behandelend dierenarts van de hond was en voor het college is niet gebleken dat beklaagde de verdere nazorg niet op zich wilde nemen. Beklaagde heeft tijdens het telefoongesprek op 21 mei 2021, nadat de toegestuurde foto’s waren beoordeeld, met klager afgesproken om met de praktijk contact op te nemen bij veranderingen met betrekking tot de wond of bij welke twijfel dan ook, maar klager heeft er zelf voor gekozen om dat niet te doen en de patiëntenkaart bij de praktijk op te vragen en niet meer met de hond naar de praktijk van beklaagden te komen. Gelet op het voorgaande kan door het college niet worden geconcludeerd dat dierenarts sub 2 met betrekking tot dit klachtonderdeel en met betrekking tot de (bereidheid tot het verlenen van) nazorg nalatig handelen kan worden verweten.

Ten aanzien van dierenarts beklaagde sub 3 (zaaknummer 2021/77)

3.10 Beklaagde wordt met name verweten dat hij dierenarts sub 2, nadat dierenarts V had verzocht om collegiaal overleg, zou hebben verboden om contact met deze dierenarts op te nemen, waardoor de nazorg van de hond zou zijn belemmerd. Beklaagde heeft uitdrukkelijk betwist dat hij dierenarts sub 2 niet heeft toegestaan contact met dierenarts V op te nemen. Gelet op de vele onduidelijkheden en tegenspraak hierover tussen partijen, kunnen de feiten op dit punt niet met zekerheid door het college worden vastgesteld en kan deze klacht niet slagen. Voorts geldt dat de nazorg van de hond de persoonlijke verantwoordelijkheid van dierenarts De sub 2 betrof en niet die van dierenarts sub 3. Zoals hiervoor reeds is overwogen, is voor het college niet komen vast te staan dat dierenarts sub 2 kan worden verweten dat zij met betrekking tot de nazorg tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht tegen dierenarts sub 3 wordt ongegrond verklaard.

3.11 Voor zover nog over andere kwesties is geklaagd, vallen deze verwijten ofwel buiten de reikwijdte van het tuchtrecht, ofwel zijn deze niet komen vast te staan dan wel van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

3.12 Op grond van het voorgaande worden de klachten tegen de dierenartsen sub 1 en sub 3 ongegrond verklaard. De klacht tegen dierenarts sub 2 is deels en in zoverre gegrond, dat haar kan worden verweten dat zij te veel huid heeft weggehaald bij het verwijderen van de vetbult. Na te melden maatregel acht het college passend.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaak 2021/75, tegen dierenarts sub 1;

verklaart de klacht ongegrond;

In de zaak 2021/76, tegen dierenarts sub 2;

verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, als samengevat in 5.12;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a van de Wet dieren;

In de zaak 2021/77, tegen dierenarts sub 3:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs.B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2022.