Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:41 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2021/18

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:41
Datum uitspraak: 15-09-2022
Datum publicatie: 09-11-2022
Zaaknummer(s): 2021/18
Onderwerp: Honden
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Niet ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Dienstdoend dierenarts wordt verweten niet tijdig en niet adequaat te hebben gehandeld met betrekking tot de hond van klaagster, dat zij  onvoldoende informatie heeft verstrekt en in de nazorg tekort is geschoten. Klacht deels gegrond, in die zin dat de dierenarts kan worden verweten dat zij na het stellen van de diagnose, een maagtorsie, onredelijk lang heeft gewacht met het instellen van een behandeling. Volgt waarschuwing.

X,       klaagster,

tegen:

Y,       beklaagde (zaaknr. 2021/18),

Z,       beklaagde  (zaaknr.2021/19).

1. DE PROCEDURE

1.1. In de eerste plaats wordt overwogen dat klaagster aanvankelijk ook een klacht had ingediend tegen dierenarts B (zaaknummer 2021/19). In de schriftelijke fase van die procedure is echter gebleken dat dierenarts B geen veterinaire handelingen bij de hond van klaagster heeft verricht, maar enkel achteraf betrokken is geweest bij de klachtafhandeling door de praktijk. Over de wijze waarop die afhandeling is verlopen kan bij het tuchtcollege niet worden geklaagd. Om die reden is aan klaagster bericht dat de procedure tegen dierenarts Kingma niet zou worden voortgezet. Dit wordt bij deze bevestigd. Deze klacht wordt niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. In de zaak tegen dierenarts A (zaaknummer 2021/18), heeft het college kennisgenomen van het klaagschrift en het verweerschrift. Ondanks verzoeken daartoe heeft klaagster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een akte van repliek in te dienen. Hierna is de schriftelijke fase van de procedure gesloten en heeft op 30 juni 2022 een hoorzitting plaatsgevonden. Beklaagde is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. V. Daniëls. Klaagster is niet verschenen. Na de zitting is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt verweten als dienstdoend dierenarts niet tijdig en niet adequaat te hebben gehandeld met betrekking tot de hond van klaagster, dat zij  onvoldoende informatie heeft verstrekt en dat zij in de nazorg tekort is geschoten.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een koningspoedel (teef) met de naam Xaqueen.

3.2. Op zondagochtend 27 december 2020 bleek de hond ziek. In het klaagschrift is beschreven dat de hond niet helder uit haar ogen keek en een hard aanvoelende buik en een openstaande anus had. Ook had de hond koorts. Klaagster althans haar partner heeft die ochtend contact opgenomen met de praktijk waar beklaagde op die dag dienst had. Het college heeft uit het verhandelde ter zitting begrepen dat de afspraak voor het consult niet met beklaagde zelf is gemaakt, maar met haar collega van wie zij de dienst op die zondag overnam. Onduidelijk is gebleven of en zo ja, in hoeverre de in het klaagschrift beschreven symptomen van de zijde van klaagster zijn gemeld bij het afspreken van het consult en wat er door de betreffende collega aan beklaagde is doorgegeven. In ieder geval mocht de hond direct naar de praktijk komen en is de partner van beklaagde, naar het college heeft begrepen even na 9:00 uur, met de hond op de praktijk aangekomen.

3.3. Beklaagde was op dat moment, naar zij stelt, nog bezig met de behandeling van een patiënt en zij heeft daarnaast in het kader van haar weekenddienst telefonisch enkele diereigenaren met een hulpvraag kort te woord gestaan.

3.4. Beklaagde heeft ter zitting gesteld dat zij bij binnenkomst van de hond van klaagster wel direct heeft gezien dat de hond een dikke buik had, maar dat ze niet ernstig ziek oogde en naast de partner van klaagster in de wachtkamer zat.

3.5. Omstreeks 09:30 uur heeft beklaagde de hond onderzocht en daarbij ook de buik gepalpeerd. Deze voelde hard aan en verdere palpatie was niet mogelijk omdat dit erg pijnlijk voor de hond was. De slijmvliezen waren bleek en de CRT bedroeg 1 seconde. Omdat de partner van klaagster kort daarvoor thuis nog de lichaamstemperatuur van de hond had opgenomen, die toen 40 graden Celsius bedroeg, heeft beklaagde dit niet nogmaals gedaan. De hond was sloom en uit de anamnese bleek dat er sinds de vorige nacht ook sprake was van braakklachten. Beklaagde heeft na haar onderzoek aangegeven dat zij uitging van een maagtorsie (maagdilatatie-volvulus), maar dat de partner van klaagster erop stond dat er nog een buikecho werd gemaakt, hetgeen zij heeft gedaan, ondanks dat zij daar zelf de meerwaarde niet van inzag en geen uitgebreide ervaring heeft met het maken van een echo. Er is hierna in overleg besloten om de hond te sonderen en de maag te legen, waartoe de hond door de partner van klaagster op de praktijk is achtergelaten. Beklaagde stelt aan de partner van klaagster te hebben aangegeven dat, als het sonderen succesvol zou verlopen en de maag volledig leeg was, zou worden afgewacht hoe de situatie zich zou ontwikkelen en dat er bij recidive alsnog een operatie zou plaatsvinden.

3.6. Beklaagde is vervolgens niet direct overgegaan tot het sonderen van de maag, maar heeft gewacht tot er een opgeroepen assistente op de praktijk aanwezig was. In afwachting daarvan stelt beklaagde twee andere dieren te hebben behandeld. Omstreeks 10:30 uur is bij de hond door beklaagde met hulp van de assistente een infuus aangebracht en is de hond onder narcose gebracht (met Methadon en Propofol). Vervolgens is de maag per sonde geleegd. De hond heeft medicatie toegediend gekregen in de vorm van Metacam, Metomotyl en Losec.

3.7. De partner van klaagster heeft omstreeks 11:00 uur en 11:20 uur telefonisch contact opgenomen met de praktijk. Hij heeft daarbij aan beklaagde gevraagd in hoeverre een operatie nog nodig was. Beklaagde heeft geantwoord dat dit naar haar verwachting niet nodig zou zijn.

3.8. Aan het begin van de middag is aan klaagster althans haar partner bericht dat de hond om 15:30 uur kon worden opgehaald. Bij een controle hieraan voorafgaand bleken de ademhaling, de polsslag en de lichaamstemperatuur stabiel. Bij vertrek uit de praktijk is medicatie (Metomotyl en Omeprazol) verstrekt, met de instructie om met de toediening daarvan de volgende dag te starten, omdat de hond reeds medicatie via het infuus toegediend had gekregen. Daarnaast heeft beklaagde onbestreden gesteld dat zij de instructie heeft gegeven om de nog zieke hond thuis om het uur slechts geringe beweging te geven (om het uur enkele minuten laten opstaan, dan weer liggen en niet te lang in dezelfde houding liggen) en de hond kleine porties voer verspreid over de dag te laten eten. Verder stelt beklaagde te hebben aangegeven om bij twijfel of bij verslechtering van de gezondheidsgesteldheid van de hond direct weer contact op te nemen. In dat verband heeft beklaagde ter zitting verklaard dat zij heeft geïnstrueerd om te blijven controleren of de hond alert was en of de buik niet weer opgezet raakte.

3.9. Omstreeks 20:00 uur heeft de partner van klaagster contact opgenomen met beklaagde met een vraag over de nota van de behandeling. Beklaagde heeft gesteld dat de partner van klaagster toen desgevraagd aan haar heeft gemeld dat het goed ging met de hond.

3.10. De partner van klaagster heeft op enig moment hierna telefonisch contact opgenomen met een dierenarts van een andere praktijk. Deze dierenarts kon echter geen informatie verstrekken omdat zij de hond niet kende en niet had gezien. Deze dierenarts heeft hierover wel contact opgenomen met beklaagde. Naar aanleiding hiervan heeft beklaagde op eigen initiatief omstreeks 21:00 uur met de partner van klaagster telefonisch contact gehad. Beklaagde stelt dat de partner van klaagster tijdens dat telefoongesprek, ondanks haar vragen daarover, niet heeft verteld dat het niet goed ging met de hond. Wel bleek tijdens het gesprek dat met de hond werd gewandeld, hetgeen in de optiek van beklaagde niet goed voor de genezing was. Hierover stelt zij haar zorgen te hebben geuit en te hebben aangegeven dat het voor het herstel van de hond van belang was om geen wandelingen te maken, maar om de hond om het uur enkel geringe beweging te geven. Beklaagde heeft gesteld dat zij hiernaast heeft aangeboden om, als (de partner van) klaagster twijfels of zorgen had, de hond die avond nogmaals te onderzoeken op de praktijk.

3.11. De  partner van klaagster heeft beklaagde omstreeks middernacht telefonisch bericht dat de hond was overleden. Op enig moment hierna is de onderhavige klacht ingediend.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal, voor zover nodig, hierna worden ingegaan.

5.  DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagde tekort is geschoten in de zorg die zij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van de hond van klaagster, met betrekking tot welk dier haar hulp was ingeroepen, dan wel of zij anderszins tekort is geschoten in de uitoefening van haar beroep, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

5.2. Het college stelt vast dat beklaagde in haar verweerschrift een beschrijving van de gang van zaken op die bewuste zondag heeft gegeven, die voor een groot deel steun vindt in de patiëntenkaart, welke beschrijving door klaagster vervolgens niet meer is weersproken. Ondanks herhaaldelijk verzoek is van de zijde van klaagster geen gebruik gemaakt  van de mogelijkheid om op het verweerschrift te reageren middels een akte van repliek en is klaagster (en/of haar partner) ook ter zitting niet verschenen en heeft klaagster daarmee ook de gelegenheid voorbij laten gaan om de stellingen van beklaagde mondeling tegen te spreken. Het college stelt verder vast dat niet is gebleken dat er sectie op het stoffelijk overschot van de hond is verricht, waardoor er geen zekerheid bestaat over de precieze doodsoorzaak.

5.3.  Als gezegd is de partner van klaagster in de ochtend van zondag 27 december 2021 op de praktijk aangekomen, naar het college heeft begrepen iets na 9:00 uur. Beklaagde was op dat moment nog bezig met een (spoed)patiënt en zij heeft onbestreden gesteld dat zij al wel had gezien dat de hond van klaagster bij binnenkomst een dikke buik had, maar dat de hond niet ernstig ziek oogde en bijvoorbeeld niet liggend de praktijk is binnengekomen, maar gewoon naast de partner van klaagster in de wachtkamer zat. Gelet hierop valt naar het oordeel van het college te billijken dat beklaagde niet direct een algemeen klinisch onderzoek heeft uitgevoerd en dat zij eerst de behandeling van een patiënt heeft afgerond en kennelijk telefonisch nog kort enkele diereigenaren te woord heeft gestaan. Dat zij ook nog een doos zou hebben ingepakt, is betwist en niet komen vast te staan. Uit de stukken althans het verhandelde ter zitting heeft het college begrepen dat de behandeling van de andere hond omstreeks 9:25 uur is afgerond en dat beklaagde vervolgens de hond van klaagster heeft onderzocht. In de geschetste omstandigheden acht het college het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat beklaagde omstreeks 9:30 uur met haar onderzoek van de hond van klaagster is begonnen.

5.4. Dat het vervolgens echter nog tot 10:30 uur heeft geduurd voordat de hond daadwerkelijk is behandeld, acht het college wél verwijtbaar. Beklaagde heeft vastgesteld dat palpatie van de opgezette en hard aanvoelende buik erg pijnlijk voor de hond was, dat uit de anamnese bleek dat er sinds de vorige nacht sprake was van braakklachten en dat de lichaamstemperatuur 40 graden Celsius bedroeg. Beklaagde heeft verder verklaard dat de polsfrequentie erg hoog was (meer dan 180 slagen per minuut), dat de hond erg hijgde en tegelijkertijd sloom was. Het college kan zich verenigen met de conclusie van beklaagde dat de verschijnselen duidden op een maagtorsie. Bij een dergelijke aandoening, met de hiervoor beschreven ernstige symptomen, is het zaak om snel in te grijpen. Beklaagde had er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om middels het inbrengen van een naald de druk op de maag direct te verlichten of met bijstand van de partner van klaagster eerder tot sonderen over te gaan. Beklaagde heeft echter gewacht met sonderen tot de opgeroepen assistente op de praktijk aankwam, waarmee naar het oordeel van het college onnodig veel tijd verloren is gegaan tussen het moment waarop de diagnose werd gesteld en het tijdstip waarop de behandeling is begonnen. In zoverre is de klacht gegrond. Terzijde geldt dat naar het oordeel van het college niet goed valt in te zien waarom er voor is gekozen om het sonderen onder algehele narcose uit te voeren en is van een noodzaak daartoe (bijvoorbeeld als een hond erg veel weerstand biedt) niet gebleken.

5.5. Met behulp van de assistente is het infuus aangelegd en is de hond onder narcose gebracht (met Methadon en Propofol). Ook is aan de hond Metacam, Metomotyl en Losec toegediend. Na het sonderen en het legen van de maaginhoud, heeft beklaagde geconcludeerd dat een operatie, om de maag vast te zetten, vooralsnog niet nodig was en dat zij verwachtte dat de geleegde maag vanzelf in de normale positie zou geraken. Nadat de hond uit de narcose was ontwaakt, is vastgesteld dat de hond stabiel was, dat de lichaamstemperatuur was gedaald (naar 38,8 graden Celsius), dat de CRT was verlaagd (< 1), dat de slijmvliezen roze van kleur waren en dat de eerder opgezette buik tot een normale omvang was geslonken. De hond is volgens beklaagde stabiel en lopend mee naar huis gegaan en het college kan zich verenigen met de door beklaagde na de behandeling voorgeschreven en verstrekte medicatie (Metomotyl en Omeprazol) en met de door haar verstrekte instructies met betrekking tot het beperkt en verspreid over de dag laten eten, drinken en het beperkt laten bewegen van de hond. Dat beklaagde niet direct voor een operatie heeft gekozen acht het college verdedigbaar en tuchtrechtelijk niet verwijtbaar, ervan uitgaande dat de maag volledig was geleegd en klaagster althans haar partner is geïnstrueerd te blijven controleren of de hond alert bleef en of de buik niet opnieuw opliep.

5.6. Beklaagde heeft onbetwist gesteld dat zij tijdens het telefoongesprek in de avond, omstreeks 21:00 uur, aan de partner van klaagster heeft gevraagd hoe het met de hond ging, waarop deze toen niet aangaf dat het niet goed ging. Volgens beklaagde gaf hij wel aan dat hij slechts voor algemene informatie telefonisch contact met een andere dierenarts had opgenomen. Beklaagde heeft verder onbestreden gesteld dat zij heeft aangeboden om, als er bij klaagster of haar partner enige twijfel was, de hond die avond op de praktijk (kosteloos) te onderzoeken en eventueel op te nemen en dat van die mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. Op grond van het voorgaande is voor het college niet komen vast te staan dat beklaagde met betrekking tot haar informatieverstrekking, de instructies na de behandeling of meer algemeen in de nazorg tekort is geschoten.

5.7. De eindconclusie is dat beklaagde kan worden verweten dat zij na het stellen van haar diagnose, een maagtorsie, onredelijk lang heeft gewacht met het instellen van een behandeling. In zoverre is de klacht gegrond. Het college acht oplegging van na te melden maatregel passend.

6. DE BESLISSING   

Het college:

In de zaak tegen dierenarts B, zaaknummer 2021/19;

verklaart de klacht niet ontvankelijk;

In de zaak tegen dierenarts A, zaaknummer 2021/18;

verklaart de klacht deels gegrond, als omschreven in 5.7:

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout voorzitter, en door de leden drs. J.A.M. van Gils, drs. M. Lockhorst, drs. M. Lockhorst en drs. J. Hilvering, en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2022.