Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:37 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2021/68

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:37
Datum uitspraak: 22-08-2022
Datum publicatie: 09-11-2022
Zaaknummer(s): 2021/68
Onderwerp: Paarden
Beslissingen: Ongegrond
Inhoudsindicatie: Dierenarts wordt verweten bij een paard onvoldoende onderzoek te hebben verricht naar de oorzaak van koliekklachten en dat het paard onnodig is geopereerd. Ongegrond.

X,       klaagster,

tegen

Y,       beklaagde.

1. DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. De mondelinge behandeling vond plaats op 19 mei 2022. Daarbij zijn klaagster en haar echtgenoot verschenen en beklaagde met zijn gemachtigde, mr. M.E.M. van Eeden. Hierna is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

Beklaagde wordt, in hoofdzaak, verweten onvoldoende onderzoek te hebben gedaan naar de oorzaak van de koliekklachten van het paard van klaagster en dat het paard onnodig is geopereerd.

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1 Het gaat in deze zaak om het paard van klaagster, dat ten tijde van de eerste gebeurtenissen die tot de onderhavige procedure hebben geleid 7 jaar oud was.

3.2 Op 21 mei 2021 heeft de eigen dierenarts van het paard koliekachtige verschijnselen bij het paard vastgesteld en pijnstillende medicatie, Flunixine, en darmontspannende medicatie, Buscopan, toegediend. Omdat de volgende dag geen verbetering was opgetreden en de koliekklachten onverminderd aanhielden, heeft de eigen dierenarts het paard doorverwezen naar de kliniek waar beklaagde werkzaam is.

3.3 Bij aankomst van het paard op de kliniek op 22 mei 2021 heeft een collega dierenarts van beklaagde verschillende onderzoeken uitgevoerd, waaronder een algemeen klinisch onderzoek, een bloedonderzoek en een rectaal onderzoek. Er is onder meer geconstateerd dat de darmen van het paard dik en opgezet waren, dat het paard een bolle buik had en dat er sprake was van een verhoogd lactaatgehalte in het bloed, 7,5 mmol/l. Een eventuele draaiing of beknelling van de darmen werd niet uitgesloten. Omdat het paard redelijk rustig was en er met betrekking tot de overige bloedwaarden geen bijzonderheden waren, is eerst besloten een infuusbehandeling toe te passen en het paard te sonderen met laxeerzout, medicatie tegen de pijn (Flunixine) toe te dienen, met het paard te stappen en het verdere verloop te monitoren. Daarbij is aangegeven dat een operatie mogelijk nodig kon zijn.

3.4 Klaagster heeft die dag omstreeks het middaguur telefonisch contact opgenomen met de kliniek omdat zij het paard wilde bezoeken. Beklaagde heeft klaagster hierover teruggebeld en aangegeven dat bezoek in principe niet of enkel beperkt op afspraak mogelijk was in verband met de op dat moment geldende maatregelen in verband met het coronavirus en het feit dat het weekend was. Met klaagster is vervolgens toch afgesproken dat zij om 13.30 uur op de kliniek langs kon komen. Uit de patiëntenkaart volgt dat het paard die middag rustig was, tussen 12.00 en 13.00 uur in zijn stalbox heeft gelegen en dat uit bloedonderzoek was gebleken dat het lactaatgehalte was gedaald naar 3 mmol/l.

3.5 Omstreeks 17.00 uur die dag heeft beklaagde opnieuw een infuusbehandeling toegepast en het paard per sonde gelaxeerd met zout. De conditie van het paard was onveranderd (het paard was rustig en attent, had een bolle buik een enige hoogtonige darmgeluiden), behoudens dat het lactaatgehalte weer iets was gestegen, naar 3,8 mmol/l.

3.6 Later die avond was het paard onrustig en bleef het liggen en rollende bewegingen maken. Beklaagde heeft omstreeks 23.00 uur het paard Buscopan en Flunixine toegediend. Omdat de situatie gedurende de nacht verslechterde (het paard bleef plat liggen en de buikomvang nam toe) en mede gelet op de duur en toename van de koliekklachten, is geadviseerd tot een laparotomie en is het paard, na overleg met klaagster, de volgende ochtend, op 23 mei 2021, omstreeks 5.00 uur geopereerd.

3.7 Beklaagde heeft tijdens de operatie veel gasvorming in de darmen vastgesteld, maar de oorzaak ervan niet kunnen achterhalen. Er bleek geen sprake van een verdraaiing of beknelling van de darmen of van een verstopping  of oedemateuze darm. Beklaagde heeft het gas verwijderd.

3.8 Klaagster is die ochtend door beklaagde geïnformeerd over het verloop van de operatie en klaagster heeft haar paard bezocht. Na de operatie is een behandelplan opgesteld, bestaande uit het toedienen van medicatie (infuusbehandeling, antibiotica en NSAID’S), het aanbieden van kleine porties voer, het enkele keren per dag stappen met het paard en het monitoren en observeren van de darmfunctie. Die middag was het paard rustig en is met hem gestapt, is een infuusbehandeling toegepast en is Buscopan en Flunixine toegediend. In de avond bleek de conditie van het paard niet verbeterd, wilde het nog geen gras eten en had het nog niet gemest. Gedurende die nacht is het paard rustig gebleven.

3.9 Op 24 mei 2021 heeft een dienstdoende collega dierenarts van beklaagde het paard klinisch onderzocht. Het paard was nog rustig en had een normale buikomvang. Echter gedurende die dag verslechterde de situatie, met verergerde koliekklachten en weer een toenemende buikomvang. Deze dierenarts heeft een heroperatie voorgesteld, echter heeft klaagster daar geen toestemming voor gegeven. Omdat het paard pijnklachten bleef houden, die niet met medicatie konden worden onderdrukt, is ervoor gekozen om het paard te laten inslapen.

3.10 Hierna heeft klaagster haar bezwaren geuit over de behandeling van het paard door beklaagde. De contacten hierover met de kliniek hebben niet tot een vergelijk geleid. Op enig moment hierna is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1 In het geding is de vraag of beklaagde te kort is geschoten in de zorg die hij als dierenarts had behoren te betrachten ten opzichte van het paard van klaagster, met betrekking tot welk dier zijn hulp was ingeroepen, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren. Naar vaste jurisprudentie wordt bij de beoordeling van die vraag niet getoetst of de meest optimale zorg is verleend, maar geldt als criterium of de dierenarts in de specifieke omstandigheden van het geval en in retrospectief bezien als redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot is opgetreden.

5.2 Naar vaste jurisprudentie geldt dat klachten over de bejegening van en communicatie met een diereigenaar door een dierenarts buiten de reikwijdte van het veterinair tuchtrecht vallen, tenzij de zorg voor het dier hieronder heeft geleden. Hierop zal hierna nog worden ingegaan. Verder geldt in het veterinair tuchtrecht dat een dierenarts alleen voor zijn eigen diergeneeskundig handelen verantwoordelijk kan worden gehouden en niet voor het veterinair handelen van collega dierenartsen. Voor zover er verwijten zijn gemaakt over het handelen van andere dierenartsen, zoals dat er bij aankomst op de kliniek geen anamnese zou zijn afgenomen en dat klaagster niet zou zijn geïnformeerd over het behandelplan met bijbehorende medicatie na de resultaten van de eerste onderzoeken, is beklaagde daar niet bij betrokken geweest en kan hij daar in tuchtrechtelijke zin niet voor verantwoordelijk worden gehouden. Ook geldt naar vaste tuchtrechtspraak dat, wanneer partijen elkaar tegenspreken over bepaalde feiten en op grond van de beschikbare gegevens door het college niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel omtrent de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het veterinair handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke maatregel kan slechts op zodanige feiten en omstandigheden worden gebaseerd.

5.3 Klaagster verwijt beklaagde dat hij onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat het paard onnodig is geopereerd. In dat verband wordt overwogen dat niet in geschil is dat het paard koliek had. Gedurende de eerste dag van de opname verbeterde de situatie niet wezenlijk, ondanks de ingezette (medicamenteuze) behandeling. Het college kan beklaagde volgen in zijn visie dat de oorzaak van de koliekklachten zou kunnen zijn gelegen in een draaiing of beknelling van de darmen, waardoor gasophoping ontstaat. Ondanks de toegepaste medicamenteuze behandeling was er onvoldoende verbetering en trad er die bewuste nacht een verslechtering op in de zin van een verder oplopende buik en toenemende klachten (het paard bleef plat liggen), waardoor afwachten niet verantwoord meer werd bevonden. Gelet hierop en mede gelet de duur en de ernst van de koliek, kan het college zich verenigen met het voorstel van beklaagde om tot een operatie over te gaan. Middels een operatie (een proeflaparotomie) kon over een eventuele draaiing of beknelling van de darmen uitsluitsel worden verkregen en dit mogelijk worden verholpen. Beklaagde is met toestemming van klaagster overgegaan tot de operatie. Beklaagde heeft tijdens de operatie echter geen draaiing of beknelling van de darmen geconstateerd, maar wel veel gas aangetroffen en dat verwijderd. Dat er in dit geval geen duidelijke oorzaak voor de ophoping van het gas kon worden vastgesteld, betekent niet dat de operatie onnodig is uitgevoerd en niet geïndiceerd was, ook al heeft die operatie geen duidelijkheid verschaft over de oorzaak van de klachten. Het college heeft ook geen redenen om aan te nemen dat beklaagde zou kunnen worden verweten dat hij tijdens de operatie zaken over het hoofd heeft gezien. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.4 Beklaagde wordt voorts onder meer verweten dat voorafgaande aan de operatie niet met het paard is gestapt. In de middag voorafgaande aan de operatie heeft klaagster het paard bezocht en blijkens haar eigen stellingen zelf met het paard gestapt c.q. gewandeld. Hoewel in de patiëntenkaart niet is vermeld dat met het paard daarna nog is gestapt, heeft beklaagde ter zitting toegelicht dat het standaardprotocol van de kliniek is om dat enkele keren per dag  (10 minuten per keer) te doen om daarmee de activiteit van de darmen te stimuleren. Als hij weekenddienst heeft dan gebeurt dit door beklaagde zelf of door een assistent en beklaagde heeft verklaard dat hij die zaterdag na het vertrek van klaagster ook zelf nog met het paard heeft gestapt. Gelet op de tegenstrijdige lezingen die partijen hierover hebben gegeven, wordt dit klachtonderdeel afgewezen. Het enkele feit dat beklaagde over het stappen met het paard geen notitie heeft gemaakt in de patiëntenkaart, rechtvaardigt naar het college nog niet de conclusie dat deze standaardmatige handeling in de middag en/of avond voorafgaande aan de operatie niet zou zijn uitgevoerd. Het college beveelt beklaagde wel aan om van het stappen met een paard steeds notitie te maken in de patiëntenkaart, zeker als een eigenaar van een dier daar niet bij aanwezig is, waarmee ook discussies hierover achteraf kunnen worden voorkomen.

5.5 Klaagster verwijt beklaagde voorts dat zij het paard niet mocht bezoeken wanneer zij dat wilde, dat zij bewust werd geweerd en dat zij onvoldoende is betrokken bij de behandeling. Hierdoor is volgens klaagster onnodig stress bij het paard ontstaan en heeft het paard niet de aandacht gehad die het nodig had. Het college stelt eerstens vast dat klaagster  het paard elke dag een keer heeft kunnen bezoeken en dat beklaagde op 22 en 23 mei 2021 meermaals telefonisch contact met haar heeft gehad over de behandeling, de operatie en de voortgang. Dat die gesprekken door klaagster kennelijk als minder aangenaam zijn ervaren, doet er niet aan af dat niet is gebleken dat de zorg voor het paard hieronder heeft geleden. Klaagster heeft onvoldoende onderbouwd dat zij bewust is geweerd en is ‘weg gehouden’ van haar paard en dat er onvoldoende contact, uitleg en communicatie over de behandeling heeft plaatsgevonden. Daarbij komt dat het college geloofwaardig acht, zoals beklaagde heeft gesteld, dat klaagster niet altijd direct te woord kon worden gestaan, omdat hij ook nog de (spoed)zorg had voor andere paarden en niet steeds direct telefonisch beschikbaar was, maar haar dan wel op een later tijdstip heeft terug gebeld. Dat de bezoekmomenten beperkt en in beginsel alleen op afspraak mogelijk waren omdat het weekend was en er coronamaatregelen golden, valt naar het oordeel van het college alleszins te begrijpen. Voor zover klaagster heeft gesteld dat het paard te weinig zorg en aandacht heeft gekregen door te weinig personeel tijdens het drukke Pinksterweekend, is dit betwist en voor het college niet komen vast te staan. Dit klachtonderdeel wordt ongegrond verklaard.

5.6 Ook het verwijt van klaagster dat het paard in een vieze stalbox stond waarin zich mest bevond van een ander paard is betwist en bij gebrek aan bewijs niet komen vast te staan. Overige verwijten zijn naar het oordeel van het college van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.7 Op grond van het voorgaande wordt de klacht ongegrond verklaard.

6. DE BESLISSING

Het college:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs. M. Lockhorst, drs. B.J.A. Langhorst-Mak, drs. J. Hilvering en drs. J.A.M. van Gils, in tegenwoordigheid van mr. J.B.M. Keijzers, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2022.