Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TDIVTC:2022:27 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/117

ECLI: ECLI:NL:TDIVTC:2022:27
Datum uitspraak: 30-06-2022
Datum publicatie: 16-09-2022
Zaaknummer(s): 2020/117
Onderwerp: Honden
Beslissingen:
  • Gegrond met waarschuwing
  • Ongegrond
Inhoudsindicatie: Klachten tegen twee dierenartsen. Een van hen wordt verweten nalatig te hebben gehandeld bij het onderzoek van een hond en de invulling en afgifte van een dierenpaspoort. Deze klacht is gegrond verklaard met oplegging van een waarschuwing. De andere dierenarts wordt verweten bij een onderzoek te hebben gemist dat de hond een hartruis had, die later door andere dierenartsen wel is opgemerkt en op een aangeboren hartafwijking wees. Deze klacht is ongegrond verklaard. 

X,       klaagster,

tegen
 

Y,       beklaagde sub 1 (zaaknr. 2020/117)

Z,       beklaagde sub 2 (zaaknr. 2021/67)

1. DE PROCEDURE

Het college heeft in beide zaken kennisgenomen van het klaagschrift, het verweer, de repliek en de dupliek. Bij de mondelinge behandeling zijn beklaagden en hun gemachtigde, mr. M.E.M. van Eeden, verschenen. Klaagster heeft zich voor de zitting afgemeld. Ter zitting is door het college besloten de zaken aan te houden, om beklaagden nog in de gelegenheid te stellen om een verklaring van een specialist cardioloog in het geding te brengen. Hiervan is een afschrift naar klaagster verzonden. De zaken zijn vervolgens door het college in raadkamer besproken en er is uitspraak bepaald.

2. DE KLACHT

2.1. Dierenarts sub 1 wordt verweten dat zij nalatig heeft gehandeld bij het onderzoek van de hond van klaagster en bij de invulling en afgifte van het dierenpaspoort.

2.2. Dierenarts sub 2 wordt verweten dat zij nalatig heeft gehandeld bij het onderzoek van de hond, met name doordat zij heeft gemist dat de hond een hartruis had, die later door andere dierenartsen wel is opgemerkt en op een aangeboren hartafwijking wees.  

3. DE VOORGESCHIEDENIS

3.1. Het gaat in deze zaak om de hond van klaagster, een Chihuahua geboren op 8 juli 2020.

3.2. Uit de stukken leidt het college af dat klaagster de hond op 24 augustus 2020 van een fokker heeft gekocht. De hond behoorde tot een nest van vier pups en is, samen met drie  andere pups uit dat nest, op 24 augustus 2020 op verzoek van de fokker op de praktijk van beklaagden onderzocht en gevaccineerd. Dierenarts sub 2 heeft het klinisch onderzoek uitgevoerd en daarbij geen afwijkingen geconstateerd, waarna op haar aanwijzing een assistente de betreffende gegevens in het dierenpaspoort van de pup heeft aangekruist c.q. ingevuld. In de rubriek ‘Klinisch onderzoek en controles’ is aangegeven dat de hond op alle genoemde onderdelen ‘goed’ scoorde. In het paspoort is met betrekking tot de verantwoordelijk dierenarts voor de gezondheidscontrole en de vaccinatie de naam en handtekening van dierenarts sub 1 vermeld. Het college heeft begrepen dat de hond diezelfde dag door de fokker aan klaagster is overgedragen.

3.3. In verband met de opvolgende vaccinaties (na 12 weken) is bij een controle van de pup op 6 oktober 2020 door een dierenarts van een andere praktijk een ernstige hartruis (3-4 uit 6) geconstateerd. Daarnaast werd onder meer geconcludeerd dat de testikels van de pup niet waren ingedaald, dat er geen wormkuur was voorgeschreven en dat het in het paspoort genoteerde gewicht van de pup niet correct zou zijn. In de patiëntenkaart van deze dierenarts staat onder meer genoteerd:  “… Balletjes niet ingedaald, twijfel of ik er eentje wel heb gevoeld. Forse syst souffle 3-4/6, overal zeer luid, PM re? (niet zeker, geen groot verschil)…”. Deze dierenarts heeft klaagster in verband met de hartruis verwezen naar een tweedelijnskliniek.

3.4. Op 14 oktober 2020 is bij een tweedelijnskliniek een echocardiografisch onderzoek uitgevoerd. Onder andere werd geconstateerd dat de linker hartkamer sterk verwijd was, dat de linker boezem aan de ruime kant was en dat er sprake was van lekkage van de klep tussen de linker kamer en linker boezem. Er is een hartruis waargenomen, veroorzaakt door een aangeboren hartaandoening, te weten PDA (patente ductus arteriosus, links-rechts shunted). Er is geadviseerd om via hartcatheterisatie de PDA te sluiten door een specialist veterinaire cardiologie.

3.5. Op 19 oktober 2020 is de hond door een specialist geopereerd. Blijkens het operatieverslag is de PDA succesvol gesloten. Bij een postoperatieve echo-controle is vastgesteld dat de ductus vrijwel geheel dicht was en dat deze op termijn waarschijnlijk volledig zou sluiten.

3.6. Klaagster heeft hierna diverse keren contact opgenomen met de praktijk van beklaagden en haar beklag gedaan over de uitgevoerde gezondheidscontrole van de pup tijdens het consult op 24 augustus 2020. De contacten hebben niet tot een vergelijk geleid. Op enig moment is klaagster de onderhavige tuchtprocedure gestart.

4. HET VERWEER

Beklaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Op hun verweren zal hierna, voor zover nodig, worden ingegaan.

5. DE BEOORDELING

5.1. In het geding is de vraag of beklaagden tekort zijn geschoten in de zorg die zij als dierenartsen jegens de hond hadden behoren te betrachten dan wel of zij op andere wijze te kort zijn geschoten in hetgeen van hen als beoefenaar van de diergeneeskunde mocht worden verwacht, een en ander als bedoeld in artikel 8.15 juncto artikel 4.2 van de Wet dieren.

Vooraf

5.2. Van de zijde van beklaagden is bepleit dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klacht, omdat zij op het moment waarop het vermeende veterinair onjuist handelen plaatsvond, tijdens het consult op 24 augustus 2020, nog geen eigenaar of houder van de pup was en dat de fokker als toenmalige eigenaar de opdrachtgever van de gezondheidscontrole en de vaccinatie was. In eerdere jurisprudentie is echter meermaals uitgedragen dat bij een keuring van een dier in combinatie met de afgifte van een diergeneeskundige gezondheidsverklaring, ook anderen dan alleen de eigenaar of houder van het dier als belanghebbenden in de zin van artikel 8.15, tweede lid, van de Wet dieren kunnen worden aangemerkt, bijvoorbeeld een aspirant koper als klaagster, die na het consult op die  dag eigenaar van de hond werd. Klaagster kan dan ook in haar klacht worden ontvangen.

5.3. Naar vaste jurisprudentie geldt dat financiële geschilpunten tussen partijen in een tuchtprocedure buiten de beoordeling blijven.

Inhoudelijk

5.4. Het college zal de klachten per dierenarts bespreken.

Ten aanzien van dierenarts sub 1 (zaaknr. 2020/117)

5.5. Hoewel klaagster haar klacht over de op 24 augustus 2020 uitgevoerde gezondheidscontrole aanvankelijk heeft gericht tegen dierenarts sub 1, is gaandeweg de tuchtprocedure gebleken dat deze dierenarts de pup niet zelf heeft onderzocht. Klaagster is bij de indiening van de klacht afgegaan op de naam en handtekening van de dierenarts (sub 1) die in het paspoort met betrekking tot het onderzoek en de vaccinatie stonden vermeld. Aangezien klaagster, nadat zij ermee bekend raakte dat dierenarts sub 1 de controle niet zelf had verricht, eveneens haar ongenoegen heeft geuit over de werkwijze bij de invulling van het dierenpaspoort, zal het college de handelwijze van beklaagde ten aanzien van de invulling van dat paspoort in de beoordeling betrekken.

5.6. Gebleken is dat beklaagde voorafgaande aan het consult reeds haar naam in het dierenpaspoort heeft genoteerd en na afloop van het door haar collega (dierenarts sub 2) uitgevoerde klinisch onderzoek, haar handtekening in het dierenpaspoort heeft geplaatst, terwijl zij de hond niet zelf heeft onderzocht en gevaccineerd. Beklaagde heeft toegelicht dat de afspraak voor de gezondheidscontrole en het vaccineren van de pup bij haar stond ingepland en dat zij uit praktische overwegingen tevoren in het dierenpaspoort reeds haar naam had genoteerd. Beklaagde heeft er op gewezen dat dierenpaspoorten, om tijd te besparen, op onderdelen tevoren deels kunnen worden ingevuld (zoals met betrekking tot de algemene gegevens van de pup en de fokker) en dat zij in dit geval vanwege het uitlopen van een spoedoperatie op die dag niet zelf meer in de gelegenheid was om de pup te onderzoeken en te vaccineren. Om de fokker niet te laten wachten, is besloten om het onderzoek door haar collega (sub 2) uit te laten voeren. Beklaagde stelt haar handtekening in het paspoort te hebben geplaatst nadat het onderzoek door haar collega was afgerond.

5.7. Gelet op het belang dat aan een juist ingevuld dierenpaspoort in het maatschappelijk verkeer wordt gehecht, is het college van oordeel dat bij een gezondheidscontrole als hier aan de orde, in het dierenpaspoort de naam en handtekening dienen te worden opgenomen van de dierenarts die feitelijk het klinisch onderzoek heeft verricht en de vaccinatie(s) heeft toegediend. Dat er in het onderhavige geval geen aanwijzingen zijn gebleken van kwalijke intenties, doet hier niet aan af. De dierenarts hoort er op toe te zien dat er een correct ingevuld en afgetekend dierenpaspoort aan een diereigenaar wordt verstrekt, ook voor wat betreft de juiste personalia en handtekening van de betrokken en verantwoordelijk dierenarts. In zoverre is deze klacht gegrond. Het college acht met betrekking tot de op te leggen maatregel een waarschuwing op zijn plaats.

Ten aanzien van dierenarts sub 2 (zaaknr. 2021/67)

5.8. Klaagster verwijt beklaagde tekort te zijn geschoten met betrekking tot het onderzoek van de pup tijdens het bewuste consult op 24 augustus 2020. Het college begrijpt uit de stukken dat beklaagde met name wordt verweten dat zij geen hartruis bij de pup heeft waargenomen, zoals die nadien door andere dierenartsen wel is vastgesteld en die op een aangeboren, ernstige hartafwijking wees.

5.9. Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat zij bij de pup een gebruikelijk algemeen klinisch onderzoek heeft uitgevoerd, waarbij de controles hebben plaatsgevonden op de onderdelen die in het paspoort worden vermeld en dat zij daarbij ook het hart van de pup aan beide zijden heeft beluisterd. Hierna heeft zij de pup gevaccineerd. Beklaagde heeft gesteld dat zij bij de hartauscultatie niets afwijkends heeft waargenomen. Beklaagde heeft toegelicht dat eeen gezondheidscontrole een momentopname betreft en dat tijdens het groeiproces van een pup er veranderingen kunnen optreden en het mogelijk is dat bij een ongeveer 6 weken oude pup een hartruis (nog) niet hoorbaar is, maar dat dit enkele weken later wel het geval kan zijn. Ter onderbouwing van die stelling is een e-mailbericht van een specialist cardiologie in te geding gebracht. Daarin staat vermeld:

“1. Een PDA is natuurlijk een aangeboren hartaandoening. Op het moment van ausculteren was de aandoening natuurlijk aanwezig. De vraag is hier of de aandoening op het moment van ausculteren een verborgen gebrek was.

2. De meeste honden met een links-rechts shuntende PDA hebben een luide hartruis. Maar dit is niet altijd zo. Vooral als het shunt volume klein is, of de richting van de shunt-stroom is niet richting de borstwand, dan kan de ruis zeer lastig te horen zijn, en zich pas later ontwikkelen tot een luidere ruis. Het bekendste voorbeeld is de hond van Stephen Ettinger (een van de beroemdste veterinaire cardiologen) die een PDA bij zijn eigen hond gemist heeft, pas later werd de ruis duidelijker. Dit zijn wel de uitzonderingen op de regel. Dit lijkt me echter een reële mogelijkheid als een dierenarts collega al 40 jaar auscultaties uitvoert, en er nog nooit eerder iets soortgelijks heeft voorgedaan. Andere redenen om een eventuele ruis te missen zijn: niet linkszijdig op de hartebasis luisteren, en omgevingsgeluid (pratende eigenaar, piepende pups); ik weet niet of hier sprake van was.  …”.

5.10. Hoewel bij de aangeboren aandoening PDA in de grote meerderheid van de gevallen een zeer duidelijke en kenmerkende holosystolische souffle hoorbaar is, kan door het college in dit geval niet met absolute zekerheid worden uitgesloten dat de souffle tijdens het consult bij beklaagde nog niet hoorbaar is geweest, maar zich eerst in een later stadium heeft ontwikkeld tot een hoorbare ruis. Dit betekent dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat beklaagde kan worden verweten dat zij tijdens het consult geen hartruis bij de pup heeft waargenomen. Op grond hiervan wordt deze klacht ongegrond verklaard.

5.11. Gebleken is dat het aanvankelijke verwijt van klaagster dat het gewicht van de pup in het paspoort niet correct was genoteerd op een vergissing berust en dat beklaagde in dat opzicht bij nader inzien geen verwijt treft. Beklaagde heeft verder gesteld dat de teelballen van de pup tijdens het onderzoek in aanzet voelbaar waren en het tegendeel kan door het college op basis van de stukken niet met zekerheid worden aangenomen. Overige verwijten zijn naar het oordeel van het college van onvoldoende gewicht om er tuchtrechtelijke consequenties aan te moeten verbinden.

5.12. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

6. DE BESLISSING

Het college:

In de zaak tegen dierenarts sub 1, zaaknummer 2020/117:

verklaart de klacht gegrond;

geeft beklaagde daarvoor een waarschuwing, als bedoeld in artikel 8.31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet dieren;

in de zaak tegen dierenarts sub 2, zaaknummer 2021/67:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld te ’s-Gravenhage door mr. A.J. Kromhout, voorzitter, en door de leden drs M. Lockhorst, drs. J. Hilvering, drs. J.A.M. van Gils en drs. B.J.A. Langhorst-Mak en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2022.