Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TAHVD:2022:132 Hof van Discipline 's Gravenhage 220199

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2022:132
Datum uitspraak: 18-08-2022
Datum publicatie: 19-08-2022
Zaaknummer(s): 220199
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Hof van Discipline verklaart beklag van [klaagster] tegen de weigering van de deken in Den Haag om een advocaat aan te wijzen gegrond. Europese sancties staan aan het verlenen van rechtsbijstand in procedures vooralsnog niet in de weg. De weigering om een advocaat aan te wijzen leidt ertoe dat [klaagster] toegang tot de rechter onmogelijk wordt gemaakt. Dat is in strijd met het fundamentele beginsel van de Nederlandse rechtstaat dat een ieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben.

BESLISSING

van 18 augustus 2022
in de zaak 220199
 
naar aanleiding van het beklag van:

  
klaagster
 
tegen:

de deken


1 HET BEKLAG

Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. De deken heeft dit verzoek afgewezen bij beslissing van 22 juli 2022. Klaagster heeft op 1 augustus 2022 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (verder: het hof).


2 DE PROCEDURE BIJ HET HOF

2.1  Het beklag is (in het Engels) op 1 augustus 2022 ontvangen door de griffie van het hof. Desgevraagd is de Nederlandse vertaling ontvangen op 4 augustus 2022.

2.2  Verder bevat het dossier:
- het verzoek tot aanwijzing van een advocaat van 9 juni 2022 (in het Engels);
- de op het verzoek gegeven toelichting van 30 juni 2022 (in het Engels);
- de beslissing van de deken van 22 juli 2022;
- het verweerschrift van de deken van 15 augustus 2022 met bijlagen;
- de e-mail van klaagster van 16 augustus 2022 10.48 uur met bijlagen;
- de e-mail van klaagster van 16 augustus 2022 17.04 uur;
- de e-mail van klaagster van 17 augustus 2022 met bijlagen;
- de op voorhand door klaagster toegezonden spreekaantekeningen, ontvangen op 17 augustus 2022.

2.3  Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens een digitale zitting via Teams op 17 augustus 2022. Daar is verschenen de heer M. Vinogradov,  namens de Procureur Generaal van klaagster, bijgestaan door [naam tolk], tolk. Verder zijn namens klaagster verschenen [naam directeur rechtsbescherming] (directeur rechtsbescherming) en [naam hoofdassistent van de directeur rechtsbescherming] (hoofdassistent van de directeur rechtsbescherming). Voorts is verschenen de deken, vergezeld van [naam stafjurist], stafjurist van het bureau van de orde in het arrondissement Den Haag. Ter zitting hebben klaagster en de deken hun standpunten toegelicht, waarbij klaagster heeft verwezen naar de op voorhand toegezonden spreekaantekeningen.


3 FEITEN

3.1  Klaagster werd in een vijftal civielrechtelijke procedures bij het Gerechtshof Den Haag (verder: het gerechtshof) bijgestaan door een in Amsterdam gevestigd advocatenkantoor. Het advocatenkantoor dat klaagster in genoemde procedures bijstond heeft zich in maart 2022 als advocaat van klaagster onttrokken, naar verluidt in verband met het conflict tussen Rusland en Oekraïne. Klaagster heeft geen andere advocaat bereid gevonden haar in deze procedures verder bij te staan.

3.2  Op 9 juni 2022 heeft klaagster de deken verzocht om ingevolge artikel 13 Advocatenwet een advocaat aan te wijzen in genoemde appelprocedures die op dat moment aanhangig waren bij het gerechtshof.

3.3  In één zaak heeft het gerechtshof op 28 juni 2022 (bij vervroeging) arrest gewezen. In de vier overige zaken heeft het gerechtshof op 19 juli 2022 arrest gewezen. Klaagster wenst in deze zaken cassatieberoep in te stellen bij de Hoge Raad.  Daarvoor is bijstand van een advocaat bij de Hoge Raad vereist. De cassatietermijn in de zaak waarin op 28 juni 2022 arrest is gewezen is acht weken, eindigend op 23 augustus 2022. In de overige vier zaken geldt een cassatietermijn van drie maanden.

3.4  De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen, omdat zij betwijfelt of klaagster een beroep toekomt op artikel 13 Advocatenwet. Dat artikel is, aldus de deken, niet geschreven voor situaties als de onderhavige, waarbij de eerdere advocaten hun werkzaamheden hebben neergelegd als gevolg van een politieke conflict tussen de [klaagster] en Oekraïne en de onderliggende geschillen uitsluitend om economische belangen van klaagster gaan.

3.5  Voor zover artikel 13  Advocatenwet wel van toepassing is, kan, zo blijkt uit de afwijzing van de deken, niet verlangd worden een advocaat aan te wijzen omdat:
- het verlenen van bijstand door advocaten wordt gezien als een economisch middel dat onder de door de Europese Unie vanwege het conflict tussen de [klaagster] en Oekraïne opgelegde sancties valt. Mogelijk zou dat betekenen dat een advocaat de Nederlandse Staat om ontheffing moet vragen, wat een schending van de geheimhoudingsverplichting met zich mee brengt. De Nederlandse Staat heeft daarover onvoldoende duidelijkheid verschaft;
- de door advocaten afgelegde eed, inhoudende dat zij geen zaken behandelen of belangen behartigen die zij in gemoede niet rechtvaardig achten, de moreel ethische bezwaren die binnen de (Haagse) balie bestaan tegen het behartigen van Russische belangen, waarvan blijkt uit de door meerdere advocatenkantoren onderschreven ‘Verklaring Stand Firm’ aan aanwijzing van een advocaat in de weg staan;
- de vereiste specialistische kennis en de capaciteit om de complexe (cassatie-)zaken te behartigen binnen de Haagse balie niet voorhanden is en, voor zover die capaciteit wel voorhanden zou zijn, de rest van de praktijk van de aangewezen advocaat in gevaar komt doordat het lastig zal zijn ondersteuning van kantoorgenoten te krijgen;
- het voorstelbaar is dat een aangewezen advocaat te maken krijgt met reputatierisico’s en risico op verlies van cliënten en zaken, zeker als het gaat om een kantoor dat zich heeft geschaard achter de Stand Firm Verklaring;
- een aanwijzing mogelijk dekkingsproblemen met zich brengt bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar of problemen bij de bankier van de aangewezen advocaat;
- in het geval van een ongunstige uitkomst voor klaagster er vragen kunnen rijzen over de veiligheid en eventuele beveiliging van (het kantoor van) de aangewezen advocaat.


4 BEOORDELING

Beklag – standpunt klaagster

4.1 Klaagster heeft aangevoerd dat het recht op rechtsbijstand een fundamenteel recht is, vastgelegd in artikel 17 en 18 van de Grondwet. Door klaagster het recht op bijstand te onthouden wordt de fundamentele basis van het Nederlandse rechtsstelsel ernstig bedreigd. Feitelijk wordt klaagster de toegang tot de rechter ontzegd.
 
4.2  De afwijzing bevat ook geen ‘gegronde redenen’. De deken noemt in haar besluit - louter speculatief - problemen waar advocaten mogelijk mee te maken kunnen krijgen als ze door haar aangewezen zouden worden. Het zijn denkbeeldige en niet goed onderbouwde veronderstellingen. Klaagster gaat ervan uit dat de deken geen daadwerkelijke poging heeft ondernomen om een advocaat te vinden.

4.3  Met betrekking tot de door de deken gegeven argumenten voert klaagster aan:
- het verlenen van rechtsbijstand is niet onderworpen aan sancties op EU-niveau. Er wordt door de deken niet verwezen naar bestaande regelgeving die gevolgen zou kunnen hebben voor de aan te wijzen advocaat;
- in de preambule (7) van de EU-verordening 2022/1269 wordt verwezen naar Besluit 2022/1271, waarin een vrijstelling van het verbod op transacties met de Russische overheid is voorzien indien dat noodzakelijk is om toegang tot gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedures te verzekeren. Klaagster verwijst ook naar artikel 10 van dezelfde Verordening over dergelijke procedures;
- de Stand Firm Verklaring geeft het standpunt weer van een deel van de Nederlandse advocatenkantoren en is geen universeel standpunt van de Nederlandse Orde van Advocaten. De Nederlandse advocatuur is zeker niet beperkt tot de kantoren die zich bij de verklaring hebben aangesloten;
- zelfs als Nederlandse advocaten een eed hebben afgelegd dat zij geen zaken behandelen of belangen behartigen die zij in gemoede niet rechtvaardig achten, geldt dat alleen voor specifieke zaken en mag het niet worden gebruikt als rechtvaardiging voor discriminatie van een specifieke cliënt, zoals klaagster;
- de zaken van klaagster zijn inderdaad complex en omvangrijk, maar de advocaten bij de Hoge Raad kunnen zich laten bijstaan door andere leden van hun teams of door andere kantoren. De enkele omvang van de dossiers kan niet gelden als reden om het recht op rechtsbijstand niet in acht te nemen;
- de deken heeft er zes weken over gedaan om te beslissen, welke tijd zij beter had kunnen besteden aan het zoeken naar potentieel aan te wijzen advocaten;
- de deken wijst niet op enig specifiek geval van een verzekeraar die geen dekking verleent bij rechtsbijstand aan een Russische entiteit. Klaagster is bereid om over concrete voorwaarden te onderhandelen, die zowel partijen als de verzekeraar tevreden stellen;
- klaagster wenst geen commentaar te geven op de zonderlinge stelling van de deken over de veiligheid in het geval van een voor klaagster nadelige uitkomst.

4.4  Klaagster vermeldt voorts dat een soortgelijk verzoek aan de deken te Amsterdam positief is beoordeeld en dat daar een vervangende Nederlandse advocaat is aangewezen. Tot slot wijst zij op de urgentie van deze zaak, omdat er cassatietermijnen lopen, waarvan er een op 23 augustus 2022 verstrijkt.

Verweer – standpunt deken

4.5 De Deken heeft verweer gevoerd en verzocht het beklag af te wijzen. Naast de reeds in haar beslissing genoemde argumenten heeft de deken - samengevat - onder meer het volgende aangevoerd.

4.6 Het verwijt dat zij geen pogingen heeft ondernomen om een advocaat te vinden, is onterecht. Zij heeft daartoe oriënterende gesprekken gevoerd die niet tot resultaat hebben geleid om de in het besluit genoemde redenen. Omwille van de belangen van klaagster heeft zij het gerechtshof om uitstel/aanhouding van de arresten gevraagd. Daaraan is gehoor gegeven tot 19 juli 2022.

4.7   Een aantal kantoren binnen het Haagse arrondissement heeft zich bij de Stand Firm Verklaring aangesloten en weigert klaagster bij te staan. Uit de door klaagster overgelegde lijst van door haar zelf aangezochte kantoren van 20 juni 2022 blijkt dat ook kantoren die de Stand Firm Verklaring niet hebben ondertekend bijstand aan klaagster geweigerd hebben. Dit leidt - subsidiair - tot de praktische bezwaren die in het afwijzingsbesluit zijn vermeld, aldus de deken. De grote(re) kantoren in het arrondissement hebben alle bijstand geweigerd. De kleine(re) en eenmanskantoren hebben niet de capaciteit om de complexe zaken van klaagster te behandelen. De mogelijkheden tot aanwijzing zijn verkend. De deken heeft weliswaar de bevoegdheid om een advocaat tegen zijn zin aan te wijzen, maar in de gegeven omstandigheden kan dat niet van haar worden gevergd.

4.8 Voor zover klaagster heeft verzocht het Amsterdamse kantoor aan te wijzen dat de zaken eerder voor klaagster heeft behartigd en de rechtsbijstand heeft neergelegd, wijst de deken erop dat zij niet bevoegd is een kantoor buiten haar eigen arrondissement aan te wijzen.

4.9 Dat de Amsterdamse deken in andere zaken ten behoeve van klaagster een advocaat aangewezen heeft, moge zo zijn, maar dat betreft geen cassatiezaak/zaken, dus gaat het niet om een soortgelijk verzoek.

4.10 Klaagster beroept zich op EU-verordeningen van 21 juli 2022, die haar beslissing hebben gekruist. Deze verordeningen laten onverlet dat er nog geen definitieve beslissing is van de Europese Commissie. Afgezien daarvan laat dit de ethische en morele bezwaren van de Haagse balie onverlet, evenals bezwaren van beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars en banken, die de deken kenbaar zijn geworden in haar verkenning van de mogelijkheden.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


Toetsingskader

4.11  Het hof stelt voorop dat één van de essentiële kenmerken van de Nederlandse rechtsstaat is dat een ieder toegang tot de rechter moet kunnen hebben. Daarbij geldt ook als uitgangspunt dat niemand het recht ontzegd mag worden aanspraak te maken op juridische bijstand om toegang tot die rechter te kunnen verkrijgen of om zich in rechte te kunnen verdedigen. Dat recht op juridische bijstand is (onder meer) vastgelegd in artikel 13 Advocatenwet. Dit artikel vormt voor het hof het toetsingskader.

4.12  Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende, die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek om een advocaat aan te wijzen. De deken kan zo’n verzoek alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

Artikel 13 Advocatenwet van toepassing?
4.13  De deken heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd dat klaagster geen beroep toekomt op artikel 13 Advocatenwet, omdat dit artikel niet bedoeld is voor situaties als de onderhavige, waar het niet gaat om individuen, maar om een vreemde mogendheid, in dit geval de [klaagster] die - door eigen toedoen - verwikkeld is in een conflict met Oekraïne en rechtsbijstand wenst in zaken van economisch belang, aldus nog steeds de deken. Voor de gedachte dat de wetgever met de term ‘rechtzoekende’ slechts bedoeld heeft om natuurlijke personen toegang tot de rechter te geven, dan wel vreemde mogendheden die (al dan niet door eigen toedoen) in oorlog zijn met andere landen uit te sluiten, is geen aanwijzing in de wet(sgeschiedenis) te vinden. Het hof is van oordeel dat onder rechtzoekenden ook niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen, bestuursorganen en ook (vreemde)mogendheden moeten worden begrepen. Dat klaagster (al dan niet door eigen toedoen) in een conflict met een andere mogendheid is verwikkeld, doet daaraan niet af. Een andere uitleg, die er toe zou kunnen leiden dat een rechtzoekende niet-natuurlijk persoon, in dit geval klaagster, feitelijk de toegang tot de Nederlandse rechter wordt ontnomen, conflicteert met het Nederlandse (en ook het Europese) rechtsbestel. Klaagster komt dan ook een beroep op artikel 13 Advocatenwet toe.

Staan sancties EU aan rechtsbijstand in de weg?
4.14 Vervolgens rijst de vraag of de door de Europese Unie getroffen sancties wegens het conflict met Oekraïne met zich brengen dat aan klaagster geen rechtsbijstand mag worden verleend voor het voeren van juridische procedures in de EU-landen. Anders dan door de deken in algemene termen en niet onderbouwd is aangevoerd, zien de sancties niet op het verlenen van rechtsbijstand in procedures waarin dergelijke bijstand verplicht is. Dit is in de EU-verordening 2022/1269 van 21 juli 2022 van de getroffen sancties uitgezonderd. Ook blijkens het door de Minister van Buitenlandse Zaken op 22 juli 2022 ingenomen (voorlopig) standpunt valt, onder verwijzing naar de fundamentele rechten binnen de EU en Nederland, verplichte juridische bijstand in procedures niet onder de sancties. Weliswaar is dat standpunt door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ter toetsing aan de Europese Commissie voorgelegd, maar daarop is thans nog niet beslist. Dat betekent dat het er naar de huidige stand van zaken voor moet worden gehouden dat de binnen de EU geldende sancties als zodanig niet aan het verlenen van juridische bijstand aan klaagster in procedures in de weg staan. Op dit moment moet er dus vanuit gegaan worden dat de door de EU jegens klaagster getroffen sancties geen belemmering vormen om het verzoek tot aanwijzing van een advocaat in behandeling te nemen. Overigens is dat ook niet wat de deken heeft betoogd, nu het verzoek om toepassing te geven aan artikel 13 van de Advocatenwet niet buiten behandeling is gesteld, maar is afgewezen.

Overige bezwaren?
4.15  Het voorgaande leidt ertoe dat het hof toekomt aan de door de deken aangevoerde overige bezwaren tegen de aanwijzing van een advocaat, waarin zij gegronde redenen heeft gezien om het verzoek af te wijzen.

4.16 Dat een aantal advocatenkantoren de Stand Firm Verklaring heeft onderschreven, betekent niet dat deze verklaring door alle advocaten bij de Hoge Raad wordt ondersteund, noch dat er geen advocaat bereid gevonden zou kunnen worden om klaagster bij te staan. Maar wat daar ook van zij, deze verklaring staat naar het oordeel van het hof niet aan aanwijzing van een advocaat door de deken in de weg. Ook de door advocaten afgelegde eed (conform artikel 3 lid 2 Advocatenwet) brengt niet in algemene zin met zich mee dat geen advocaat kan worden aangewezen.
Dat alle advocaten bij de Hoge Raad, vanwege de door de deken opgeworpen mogelijk bezwaren zodanig worden belemmerd in het verlenen van rechtsbijstand aan klaagster, dat die bezwaren aan aanwijzing redelijkerwijs in de weg staan, is niet voldoende onderbouwd en evenmin gebleken. Die stelling lijkt zich ook niet te verdragen met het gegeven dat de deken in het arrondissement Amsterdam wel tot aanwijzing is overgegaan. De enkele omstandigheid dat het daarbij om procedures in feitelijke instantie en niet om procedures in cassatie gaat is daartoe, anders dan de deken heeft betoogd, geen afdoende verklaring. Het gaat immers in alle gevallen om procedures waarvoor vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is voorgeschreven.

4.17  De overige argumenten van de deken, waaronder de complexiteit van de zaken, de mogelijke repercussies voor betrokken advocaten en/of het ontbreken van dekking van de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zijn niet, althans onvoldoende, onderbouwd om als gegronde redenen voor afwijzing van het verzoek van klaagster te kunnen gelden. Voor zover deze argumenten wel nader onderbouwd zouden zijn hadden ze de weigering van de deken om een advocaat aan te wijzen ook niet kunnen dragen, nu het omstandigheden betreft die in de verhouding tussen klaagster en de aangewezen advocaat aan de orde kunnen komen. Het is niet aan de deken om daar op voorhand haar besluit van te laten afhangen.

4.18 Het hof zal het beklag gegrond verklaren. Anders dan door klaagster is verzocht kan het hof zelf geen advocaat aanwijzen. De Advocatenwet biedt daarvoor geen ruimte.

Slotsom

4.19 De slotsom is dat het beklag gegrond wordt verklaard.
 

5 BESLISSING

Hof van Discipline:

5.1 verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 22 juli 2022 van de Deken van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag gegrond.

Deze beslissing is gegeven door  mr. E.W de Groot, voorzitter,  mrs. J.D. Streefkerk en
G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2022.

griffier  voorzitter   
 


De beslissing is verzonden op 18 augustus 2022.