Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSHE:2022:166 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-224/DB/ZWB

ECLI: ECLI:NL:TADRSHE:2022:166
Datum uitspraak: 28-11-2022
Datum publicatie: 29-11-2022
Zaaknummer(s): 22-224/DB/ZWB
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Dat tussen het aanvaarden van klaagsters verzoek om rechtsbijstand en het verzenden van de laatste versie van de dagvaarding  meerdere  maanden zijn verstreken, kan verweerder gelet op niet alleen de complexiteit van de zaak maar vooral het aanhoudende en zeer uitvoerige commentaar van klaagster naar het oordeel van de raad niet worden aangerekend. Dat verweerder niet al het commentaar en niet alle wijzigingsvoorstellen van klaagster heeft verwerkt is naar het oordeel van de raad evenmin tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch

van 28 november 2022

in de zaak 22-224/DB/ZWB

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op  29 september 2021 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 16 maart 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K21-092 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 oktober 2022. Daarbij was verweerder, bijgestaan door mr. P, aanwezig. Klaagster is, als aangekondigd bij e-mail d.d. 10 oktober 2022, niet ter zitting verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klaagster van 30 maart 2022, met bijlagen, de e-mail van verweerder d.d. 15 september 2022, met bijlagen, en hetgeen overigens ter zitting is verhandeld. De door klaagster vlak voor aanvang van de mondelinge behandeling aan de raad toegezonden spreekaantekeningen zijn, zoals bij brief d.d. 11 oktober 2022 door de raad aan klaagster is medegedeeld, niet toegevoegd aan het dossier. De spreekaantekeningen zijn niet als zodanig aangemerkt, aangezien klaagster niet ter mondelinge behandeling is verschenen en de spreekaantekeningen derhalve niet ter mondelinge behandeling zijn voorgedragen. Evenmin kunnen de spreekaantekeningen worden aangemerkt als een nadere schriftelijke toelichting, aangezien de raad klaagster niet in de gelegenheid heeft gesteld tot het alsnog indienen van een nadere schriftelijke toelichting, en klaagster daartoe evenmin toestemming aan de raad heeft gevraagd.

2 FEITEN

2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.2     Klaagster heeft zich in februari 2020 tot verweerder gewend met het verzoek aan haar rechtsbijstand te verlenen in een geschil met de Rabobank. Eerder had al een andere advocaat aan de zaak gewerkt en in dat verband een conceptdagvaarding opgesteld. Klaagster is voor de kosten van rechtsbijstand verzekerd bij Achmea, die de zaak heeft uitbesteed aan verweerder. Verweerder heeft op 20 februari 2020 schriftelijk aan Achmea bevestigd dat hij klaagster verder zou bijstaan. Op 24 maart 2020 heeft verweerder de voor Achmea bestemde inhoudelijke taxatie van de zaak in concept aan klaagster toegestuurd. Klaagster stemde niet in met doorzending daarvan aan Achmea.

2.3     Verweerder heeft aan de hand van het door zijn voorganger vervaardigde concept  een concept dagvaarding opgesteld, die hij op 24 april 2020 aan klaagster heeft gestuurd.

2.4     In de periode van 19 mei 2020 tot en met 5 juni 2020 heeft klaagster haar commentaar op de dagvaarding in zeven etappes aan verweerder toegestuurd.

2.5     Bij e-mail van 26 augustus 2020 heeft verweerder klaagster als volgt bericht:

         “(…) Voor de goede orde: hoe meer commentaar jij levert, hoe langer ik bezig ben. Er bestaat geen enkele garantie dat de werkzaamheden binnen het budget van Achmea verricht kunnen worden. Als je zelf de kans wilt vergroten dat dat lukt dan lever je alleen het noodzakelijke commentaar aan.”     

2.6     Op 7 september 2020 heeft verweerder een aangepast concept aan klaagster gestuurd.

2.7     Nadat verweerder op 21 september 2020 een rappel aan klaagster had gestuurd heeft klaagster bij e-mail van 22 september 2022 aan verweerder verzocht om al haar commentaar te verwerken. Bij e-mail van 5 oktober 2020 heeft klaagster dit verzoek herhaald en heeft zij tevens nieuw commentaar aan verweerder toegestuurd.

2.8     Bij e-mails van 3 en 4 november 2020 heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat hij niet al het commentaar kan verwerken omdat het commentaar deels onbegrijpelijk is. Ook heeft verweerder klaagster bericht dat het vanwege het kostenaspect niet wenselijk is om al het commentaar te verwerken, terwijl dit de kwaliteit van de dagvaarding ook niet ten goede zou komen. Verweerder heeft aan klaagster voorgesteld om samen op kantoor gedurende vier uur de dagvaarding puntsgewijs door te lopen en waar nodig nog aan te passen. Klaagster is niet op verweerders voorstel ingegaan.

2.9     Bij e-mail van 6 november 2020 heeft verweerder aan klaagster de aangepaste dagvaarding toegestuurd waarbij hij opnieuw heeft voorgesteld om de dagvaarding in onderling overleg tijdens een bespreking op kantoor gereed te maken.

2.10   Klaagster is op dat voorstel wederom niet ingegaan. Bij e-mail d.d. 22 november 2020 heeft klaagster haar onvrede geuit over de wijze waarop verweerder te werk is gegaan en heeft zij gevraagd om een volledig gecorrigeerde versie.

2.11   In november en december 2020 heeft verweerder per e-mail aan klaagster voorgehouden dat het nodig is om na te gaan of er nog voldoende vertrouwen bestaat.

2.12   Bij e-mail van 8 december 2020 heeft klaagster verweerder een ingebrekestelling in het vooruitzicht gesteld.

2.13   Bij e-mail van 12 december 2020 heeft verweerder opnieuw aan klaagster voorgesteld om de dagvaarding in onderling overleg tijdens een bespreking op kantoor aan te passen. Klaagster heeft verweerders kantoor daarop telefonisch laten weten dat zij pas naar kantoor wilde komen voor een bespreking zodra de dagvaarding af was.

2.14   Bij e-mail van 15 januari 2021 heeft klaagster verweerder gevraagd wanneer zij de dagvaarding tegemoet kon zien.

2.15   Bij e-mail d.d. 22 januari 2021 heeft klaagster verweerder een rappel gestuurd en twee aanvullingen op de bewijsstukken.

2.16   Verweerder heeft wederom wijzigingen in de dagvaarding doorgevoerd en heeft de concept dagvaarding op 1 februari 2021 aan klaagster toegestuurd.

2.17   Bij e-mails van 2 en 3 februari 2021 heeft klaagster nieuw commentaar op de dagvaarding aan verweerder toegestuurd.  

2.18   Op 25 maart 2021 heeft verweerder klaagster gemaild met het verzoek om documentatie van de makelaar.

2.19   Bij e-mail d.d 19 april 2021 heeft klaagster verweerder wederom verzocht om wijzigingen aan te brengen:

         “Ben er doorheen gekomen. Dank voor de verbeteringen – daarbij toch nog een enkele vraag (zie hieronder en in bijlage).

         Tevens kwam ik nog aardig wat eerder gesignaleerde typo’s en foutjes tegen, dus nogmaals gemarkeerd en een herzending van eerder aangeleverd commentaar dat wellicht nog aan je aandacht was ontsnapt. Geen halszaak, maar voor de goede ordeafwerking. Lukt het je om deze week een definitief concept te sturen?”

2.20   Verweerder heeft wederom wijzigingen in de dagvaarding doorgevoerd en heeft de conceptdagvaarding op 21 april 2021 aan klaagster toegestuurd, waarbij hij opnieuw aan klaagster heeft voorgesteld om de dagvaarding in onderling overleg tijdens een bespreking op kantoor aan te passen.

2.21   Bij e-mail d.d. 23 april 2021 heeft klaagster nieuw commentaar aan verweerder toegestuurd.

2.22   Bij e-mail d.d. 10 mei 2021 heeft klaagster haar ongenoegen geuit over de voortgang.

2.23   Bij e-mail d.d. 27 mei 2021 heeft verweerder de definitieve dagvaarding aan klaagster toegestuurd.

2.24   Tijdens een telefoongesprek op 4 juni 2021 heeft klaagster opnieuw aan verweerder haar onvrede kenbaar gemaakt. Bij e-mails van 4 juni 2021 heeft verweerder aan klaagster duidelijk gemaakt dat, als er over en weer geen vertrouwen meer is, hij niet langer als advocaat kan optreden. Verweerder heeft aan klaagster medegedeeld dat, indien hij op 7 juni 2021 niets van haar zou hebben vernomen, hij Achmea zou berichten dat hij niet langer voor haar kon optreden.

2.25   In een brief van 16 juni 2021 heeft klaagster bij de klachtenfunctionaris van verweerders kantoor een klacht ingediend over verweerders optreden. Bij brief d.d. 23 juli 2021 heeft de klachtenfunctionaris aan klaagster medegedeeld dat in zijn visie de klacht ongegrond is.

2.26   Bij brief d.d. 7 augustus 2021 heeft klaagster aan verweerder opnieuw haar onvrede over verweerders dienstverlening geuit, heeft zij de declaraties betwist en heeft zij voorgesteld om in een bespreking tot een oplossing te komen. Verweerder heeft de ontvangst bevestigd bij e-mail van 9 augustus 2021 en aangegeven dat de klachtenfunctionaris erop terug zou komen. Klaagster en verweerder hebben een telefonische afspraak gemaakt voor 29 september 2021. Dat telefoongesprek heeft niet tot een oplossing geleid.

2.27   Op 29 september 2021 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2.28   Verweerders kantoor heeft klaagster gedagvaard teneinde betaling te verkrijgen van de openstaande nota’s. Klaagster heeft een eis in reconventie ingesteld en terugbetaling van teveel betaalde gelden gevorderd. Bij vonnis van 6 juli 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat de door klaagster aangevoerde wanprestatie van verweerder niet kon worden vastgesteld. Klaagster is veroordeeld tot betaling en klaagsters tegenvordering is afgewezen.

3 KLACHT

3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende.

Ondanks dat verweerder een uitstekende conceptdagvaarding inclusief volledige set met producties van een vorige advocaat aangeleverd had gekregen, is hij niet in staat gebleken om binnen zestien maanden een foutloze dagvaarding op te stellen, waardoor verweerder niet de kwaliteit heeft geleverd die klaagster mocht verwachten.

4 VERWEER

4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1     De klacht gaat over de dienstverlening door de (eigen) advocaat van klaagster. Gezien het bepaalde bij artikel 46 Advocatenwet heeft de tuchtrechter mede tot taak de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij de beoordeling van de kwaliteit van de dienstverlening moet rekening worden gehouden met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals over procesrisico en kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (vergelijk Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32). De raad zal de genoemde klachtonderdelen hierna aan de hand van deze maatstaf beoordelen. Daarbij wordt opgemerkt dat binnen de beroepsgroep voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst daarom of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht.

5.2     Klaagster verwijt verweerder dat hij er niet in is geslaagd om in een periode van zestien maanden een foutloze dagvaarding aan te leveren. De raad stelt voorop dat een advocaat gehouden is de hem opgedragen werkzaamheden met de nodige voortvarendheid voor zijn cliënt te verrichten. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat verweerder in de periode dat hij klaagster heeft bijgestaan uitvoerig met haar heeft gecorrespondeerd en na aanhoudend en zeer uitvoerig commentaar van klaagster meerdere keren nieuwe versies van de conceptdagvaarding heeft aangeleverd. Daarbij heeft verweerder meerdere keren aan klaagster medegedeeld dat met het doorvoeren van de door klaagsters gewenste wijzigingen veel tijd en kosten gemoeid waren, terwijl het steeds wijzigen en verder uitbreiden van de dagvaarding de kwaliteit van het processtuk naar verweerders oordeel niet ten goede zou komen. Toch bleef klaagster met nieuw commentaar komen en bleef zij aandringen op het verwerken van alle door haar gewenste wijzigingen. Dat tussen het aanvaarden van klaagsters verzoek om rechtsbijstand en het verzenden van de laatste versie van de dagvaarding  meerdere  maanden zijn verstreken, kan verweerder gelet op niet alleen de complexiteit van de zaak maar vooral het aanhoudende en zeer uitvoerige commentaar van klaagster naar het oordeel van de raad niet worden aangerekend. Verweerder heeft meerdere malen aan klaagster voorgesteld om samen op kantoor de dagvaarding puntsgewijs door te nemen en waar nodig aan te passen zodat tot een definitieve versie kon worden gekomen. Klaagster is echter niet op dat voorstel ingegaan en is in plaats daarvan schriftelijk commentaar blijven aanleveren. Het stond klaagster uiteraard vrij om haar commentaar op de dagvaarding aan verweerder kenbaar te (blijven) maken en zij was niet verplicht om met het door verweerder vervaardigde concept in te stemmen, maar het gevolg daarvan is wel geweest dat niet tot een definitieve versie van de dagvaarding kon worden gekomen.

5.3     De raad overweegt voorts dat een advocaat niet verplicht is om alle door de cliënt gewenste wijzigingen in een processtuk over te nemen. Immers, de advocaat heeft de regie over de zaak en het is aan de advocaat om te bepalen op welke wijze de procedure moet worden ingestoken en met presenteren van welke feiten en standpunten de belangen van de cliënt worden gediend. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht dat hij heeft getracht om uit het door klaagster aangeleverde uitvoerige en gedetailleerde commentaar de relevante informatie te filteren en te verwerken in de dagvaarding. Naar de professionele beoordeling van verweerder leende echter niet al het commentaar van klaagster zich voor verwerking in de dagvaarding en dit heeft hij ook aan klaagster kenbaar gemaakt. Dat verweerder niet al het commentaar en niet alle wijzigingsvoorstellen van klaagster heeft verwerkt is naar het oordeel van de raad niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. De juridische beoordeling van de zaak kan nu eenmaal afwijken van de visie van de cliënt op de zaak.

5.4     De raad overweegt verder, dat voor iedere klacht geldt, dat het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft duidelijk en concreet moet worden omschreven. Dit volgt uit artikel 46 Advocatenwet. De raad stelt vast dat klaagster niet concreet heeft gemaakt op welke punten de kwaliteit van de door verweerder vervaardigde conceptdagvaarding ondermaats zou zijn. Klaagster heeft slechts in algemene termen gesteld dat de dagvaarding “niet foutloos” zou zijn, maar voor welke fouten naar klaagsters mening een tuchtrechtelijk verwijt op zijn plaats zou zijn blijkt niet uit de overgelegde stukken. Wel blijkt uit de overgelegde stukken dat de dagvaarding op 19 april 2021 ook in klaagsters optiek bijna klaar en in orde was. In het e-mailbericht van 19 april 2021 schrijft klaagster immers aan verweerder “Geen halszaak, maar voor de goede ordeafwerking. Lukt het je om deze week een definitief concept te sturen”. Hieruit blijkt naar het oordeel van de raad dat klaagster op dat moment geenszins van mening was dat de inhoud van de dagvaarding zodanig was dat verweerder van de kwaliteit van het stuk een tuchtrechtelijk verwijt kon worden gemaakt. Dat verweerder na 19 april 2021 nog fouten heeft gemaakt die het maken van een tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigen, is voorts gesteld noch gebleken.

5.5     De raad is kortom van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend de hem opgedragen werkzaamheden voor klaagster heeft verricht, terwijl de inhoud van de dagvaarding en de bijstand zoals geschetst, niet getuigen van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat mag worden verwacht De raad zal de klacht dan ook ongegrond verklaren.

BESLISSING

De raad van discipline:

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. P.H. Brandts, voorzitter, mrs. L.R.G.M. Spronken en E.J.M. Rosier, leden, bijgestaan door mr. T.H.G. Huber – Van de Langenberg, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 november 2022.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 28 november 2022