Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRSGR:2022:122 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-363/DH/RO

ECLI: ECLI:NL:TADRSGR:2022:122
Datum uitspraak: 13-07-2022
Datum publicatie: 17-08-2022
Zaaknummer(s): 22-363/DH/RO
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag van 13 juli 2022 in de zaak 22-363/DH/RO naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) van 12 april 2022 met kenmerk K126 2021 ia/cw en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 1 tot en met 5 (inhoudelijk) en 1 tot en met 6 (procedureel). 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster en de man zijn ex-partners. Zij zijn verwikkeld in een geschil rondom de omgang met en verblijfplaats van hun minderjarige dochter. Verweerster is de advocaat van de man. Klaagster en de man woonden in dezelfde gemeente. Op enig moment is klaagster met haar nieuwe partner naar een andere gemeente verhuisd. 
1.2    Op 30 maart 2021 heeft de advocaat van klaagster een brief naar de man gestuurd. In de brief is kort beschreven wat vooraf ging en hoe de op dat moment geldende omgangsregeling met de dochter eruit ziet. Vervolgens is geschreven dat het volgens klaagster niet goed gaat met de dochter. Ongeveer halverwege de brief heeft de advocaat van klaagster het volgende geschreven:  
“(…) Cliënte ziet dat [dochter] haar moeder ontzettend mist. Sinds de kerstvakantie heeft cliënte gemerkt dat [dochter] zichzelf pijn doet. Zij is daar ontzettend van geschrokken en maakt zich ernstig zorgen om [dochter]. Er ontstaat letterlijk steeds meer afstand tussen [dochter] en cliënte. Cliënte is bang dat haar dochter in deze fase van haar leven, juist nu ze haar moeder als opgroeiende tiener, zo nodig heeft, veel te weinig ziet. 
Voor cliënte is het heel duidelijk dat er verandering moet komen in de situatie, dusdanig dat recht zal worden gedaan aan de belangen van [dochter] en niet aan de belangen van u als ouder. Belangrijk dat u als ouders met elkaar het gesprek aangaat en samen afstemt wat voor [dochter] het beste is. Op dit moment volgt [dochter] al sessies bij een kindercoach ter ondersteuning van haar problemen. (…)”
Aan het slot van de brief wordt de man verzocht mee te werken aan wijziging van de hoofdverblijfplaats van de dochter naar de woonplaats van klaagster en instemming met inschrijving van de dochter op een school in de woonplaats van klaagster. 
1.3    Bij brief van 13 april 2021 heeft verweerster gereageerd. In de brief is staat dat klaagster en de man eerst in dezelfde plaats woonden, maar dat klaagster is verhuisd. Verweerster heeft geschreven dat de dochter moeite heeft met de verhuizing van klaagster en dat wijziging van de hoofdverblijfplaats van de dochter het probleem niet oplost maar verlegt, omdat de dochter in dat geval verder van de man zal komen te wonen. Verweerster laat zich vervolgens kritisch uit over, zakelijk weergegeven, de keuze van klaagster om te verhuizen en de omgangsregeling met de dochter telkens ter discussie te stellen. Verweerster heeft daarna het volgende geschreven: 
“(…) Voorts wordt opgemerkt dat het cliënt is geweest die de hulp in de vorm van een kindercoach voor [dochter] heeft geïnitieerd. Het is hem ook bekend dat [dochter] zichzelf knijpt, hetgeen het gevolg is van de spanningen die zij ervaart nu uw cliënte de druk bij haar opvoert om in H(…) te komen wonen. Zo heeft uw cliënte -zonder overleg of instemming van cliënt- [dochter] aangemeld op een middelbare school in H(…). [Dochter] heeft echter bij cliënt aangegeven het voortgezet onderwijs in G(…) te willen volgen net als -een aantal van- haar vriendinnen, zodat zij bij bekenden in de klas/op school komt. Met de overgang van de basisschool naar de middelbare school gaat er immers al zoveel veranderen voor [dochter] zodat zij het prettig vindt om bij -een deel van- haar vriendinnen in de klas/op school te komen. Juist nu er aankomend schooljaar al veel gaat veranderen is het ook om die reden niet in het belang van [dochter] dat zij zou moeten verhuizen en een heel nieuw bestaan zal moeten opbouwen en daarbij veel minder contact zal hebben met cliënt. De spanningen zullen bij [dochter] dan ook alleen maar toenemen indien uw cliënte opnieuw een procedure aanhangig maakt. (…)”
Verweerster concludeert in de brief dat de man niet wil meewerken aan de voorstellen van klaagster. 
1.4    De advocaat van klaagster heeft bij brief van 28 april 2021 gereageerd. De advocaat van klaagster doet in de brief een gemotiveerde poging om toch tot overleg te komen. Verder is in de brief het volgende geschreven:
“(…) Cliënte nam met verbazing kennis van de stelling van uw cliënt dat hij de kindercoach zou hebben ingeschakeld. Dit is juist volledig door cliënte geregeld waarbij zij uw cliënt heeft geïnformeerd. Uw cliënt hield juist de boot af op dit gebied. In uw bericht erkent vader verder weliswaar dat [dochter] zichzelf pijn doet, maar vervolgens presteert hij het om dit zorgelijke gedrag zomaar en zonder enige onderbouwing aan mijn cliënte te wijten. U stelt als advocaat zonder enig voorbehoud dat het zichzelf knijpen van [dochter] komt doordat mijn cliënte de druk zou opvoeren bij [dochter]. Dat de dochter zichzelf pijn doet is al een zeer nare en pijnlijke constatering, maar dat vervolgens door u zwart op wit wordt gesteld dat de zelfpijniging enkel en alleen aan mijn cliënte te wijten zou zijn is volstrekt ongepast en daarnaast onnodig grievend. Ik verzoek u dan ook dit per ommegaande recht te zetten en uw bericht te rectificeren op dit punt. (…)”
1.5    Op 6 mei 2021 heeft verweerster uitvoerig gereageerd. Over de in de brief van 13 april 2021 ingenomen stelling heeft zij het volgende geschreven:
“(…) In mijn brief van 13 april jl. heb ik gesteld dat het cliënt bekend is dat [dochter] zichzelf knijpt, hetgeen cliënt -doch niet ondergetekende- als gevolg ziet van de spanningen die zij ervaart vanwege de onduidelijkheid over haar hoofdverblijfplaats. Cliënt zag c.q. ziet het loyaliteitsconflict bij [dochter] groeien nu er weer onduidelijkheid is over haar hoofdverblijfplaats, de omgangsregeling en waar zij het voortgezet onderwijs zal volgen. De uitspraak in mijn brief is dan ook geenszins als grievend bedoeld. Indien dit wel als zodanig is opgevat dan bied ik uw cliënte daarvoor mijn verontschuldigingen aan. (…)”
1.6    Op 11 juni 2021 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster dat zij zich onnodig grievend heeft uitgelaten over klaagster in de brief van 13 april 2022, door daarin te schrijven dat klaagster er de oorzaak van is dat het niet goed gaat met de dochter en dat de dochter zichzelf door toedoen van klaagster pijn doet.

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
Toetsingskader
4.1    De klacht richt zich tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster. Dit betekent dat de klacht moet worden beoordeeld aan de hand van de door het Hof van Discipline gehanteerde maatstaf dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid toekomt de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem goeddunkt. Die vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a van de Advocatenwet, is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden begrensd indien de advocaat bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend. De advocaat dient zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt. Daarbij moet een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen.
Klacht 
4.2    Verweerster heeft aangevoerd dat zij in de brief van 13 april 2021 de visie van de man heeft weergegeven en dat uit de reactie van de advocaat van klaagster blijkt dat het ook zo is opgevat. Dat de visie van de man niet met het oordeel van een deskundige is onderbouwd moet volgens verweerster worden gezien in de context van de aard en het stadium van de zaak. Verweerster heeft niet de bedoeling gehad om klaagster te grieven en heeft haar verontschuldigingen aangeboden in de brief van 6 mei 2021. 
4.3    De voorzitter overweegt dat de brieven die hiervoor onder de feiten gedeeltelijk zijn weergegeven integraal onderdeel uitmaken van het klachtdossier. De voorzitter stelt op grond van deze brieven vast dat verweerster en de advocaat van klaagster over en weer kritisch zijn over standpunten en gedragingen van de wederpartij en het effect daarvan op de dochter. Omdat het gaat om een emotioneel beladen zaak waarin zowel klaagster als de man het beste voor de dochter wensen, zullen de kritische uitlatingen van de wederpartij voor beiden onprettig zijn om te lezen. Bezien in deze context is de gewraakte passage naar het oordeel van de voorzitter niet onnodig grievend. 
4.4    Naar het oordeel van de voorzitter had verweerster sterker tot uitdrukking kunnen brengen dat de gewraakte passage de visie van haar cliënt betrof. Verweerster heeft dit echter in haar brief van 6 mei 2021 toegelicht en zij heeft haar verontschuldigingen aangeboden. Gelet op een en ander heeft verweerster naar het oordeel van de voorzitter door haar uitlating evenmin bijgedragen aan onnodige polarisatie.  
4.5    De voorzitter onderschrijft, tot slot, het onderscheid dat klaagster maakt tussen excuses en verontschuldigingen niet, nu ‘excuses maken’ en ‘verontschuldigingen aanbieden’ dezelfde betekenis hebben.
Slotsom 
4.6    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.

BESLISSING
De voorzitter verklaart de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.M. Krans, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2022.