Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2022:261 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-199/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2022:261
Datum uitspraak: 24-10-2022
Datum publicatie: 04-11-2022
Zaaknummer(s): 22-199/AL/OV
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in een familiezaak in alle onderdelen ongegrond.  

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden van 24 oktober 2022
in de zaak 22-199/AL/OV
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief van 23 april 2021, ontvangen op 26 april 2021, heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 8 maart 2022 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 1395884 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 augustus 2022. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 7.

2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerster heeft de belangen van de ex-partner van klager behartigd bij de afwikkeling van de gevolgen van de verbreking van de samenleving tussen klager en de ex-partner. Klager en de ex-partner zijn niet gehuwd geweest en hebben twee minderjarige kinderen.
2.2 Bij e-mail van 14 augustus 2020 maakt verweerster aan klager kenbaar dat zij optreedt voor de ex-partner en schrijft zij onder meer:

“Hierbij nodig ik u uit om – eventueel samen met uw adviseur – bij mij op kantoor te komen om met cliënte en mij te bespreken op welke wijze de zorg- en opvoedingstaken voor uw beider kinderen worden verdeeld en de vermogensrechtelijke afwikkeling plaatsvindt.”

2.3 Bij e-mail van 16 augustus 2020 heeft klager laten weten dat hij wil meewerken en schrijft hij verder onder:

“Waarom dat in [Z] zou moeten is me niet duidelijk. Wij wonen in [H], dat gesprek gaat over ons leven in [H], ik heb verplichtingen en verantwoordelijkheden in [H], dus jullie zijn van harte welkom in [H].”

2.4 Bij e-mail van 20 augustus 2020 heeft verweerster gereageerd en klager gevraagd diezelfde dag aan te geven hoe laat het viergesprek op dinsdag aanstaande zou kunnen plaatsgevonden op een nader aan te geven adres in H. Zij heeft verder onder meer geschreven:

“Voor cliënte is echter van belang dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over uw vertrekt uit het huis nu de spanningen tussen u en cliënte ten gevolge van uw uitbarstingen zodanig hoog oplopen dat cliënte – maar ook de kinderen – hier uitermate veel last van heeft en een escalatie niet ondenkbaar is”

2.5 Op 20 augustus 2020 om 17.11 uur heeft verweerster het aanvraagformulier voor het plannen van een zittingsdatum voor een kort geding naar de rechtbank gemaild.
2.6 Op 24 augustus 2020 heeft verweerster van de rechtbank te horen gekregen dat het kort geding op 3 september 2020 zal plaatsvinden.
2.7 Op 25 augustus 2020 is er telefonisch contact geweest tussen verweerster en mr. V, de advocaat tot wie klager zich heeft gewend.
2.8 Op 26 augustus 2020 heeft mr. V er via e-mail bij verweerster op aangedrongen om, in het belang van de kinderen en de ex-partner, te proberen in onderling overleg tot een algehele afwikkeling te komen en de kort gedingprocedure aan te houden.
2.9 In reactie daarop heeft verweerster diezelfde dag geschreven dat zij snapt wat mr. V zegt, maar dat de ex-partner de situatie niet langer volhoudt en dat ze om die reden de voorzieningenrechter vraagt een aantal voorlopige maatregelen te nemen.
2.10 Op 26 augustus 2020 is de kort geding dagvaarding uitgebracht, waarin verweerster onder meer het volgende heeft opgenomen:

“5. De vrouw had de – wellicht naïeve – hoop en – tegen beter weten in – de verwachting dat het partijen zou lukken om vanuit dat uitgangspunt de afwikkeling in het belang van hun beider kinderen te regelen en dat de geschiedenis van verbaal en incidenteel fysiek geweld van de man – ook – in aanwezigheid van de kinderen (…)

6. In de nacht van vrijdag 1 op zaterdag 2 augustus jl. heeft de man om 5.00 uur, terwijl de vrouw en de kinderen thuis lagen te slapen, in dronken toestand een andere vrouw mee naar huis genomen (…) Sedert eind juli heeft de man zich weer aangemeld op Tinder en neemt hij de contacten die hij onder andere op die manier opdoet dus mee naar het huis van partijen, hetgeen niet alleen buitengewoon respectloos naar de vrouw en de kinderen toe (…)

8. Ten gevolge van een aantal incidenten waarbij de man ondermeer op 25 juni jl. de vrouw bij terugkomst na een feestje met veel verbaal geweld en dreigend bij haar polsen van de bank heeft getrokken en op de grond heeft gegooid, (…) De vrouw is bang voor de tirades van de man waarbij de man zomaar een half uur tot een uur schreeuwt tegen de vrouw, soms in het bijzijn van de kinderen (…)

9. (…) omdat zij zich zorgen maakt over de impact die deze situatie voor de kinderen heeft. (…)

10. (…) omdat dit steeds weer uitloopt op escalaties waarvan de kinderen ook getuige zijn. (…)

12. De vrouw is bovendien degene die het gezamenlijk huis van partijen kan en wil overnemen en reeds doende de financiering te regelen. (…)

14. De man is recent in dienst getreden bij [X] waar hij gedurende 5 dagen per week de functie van [Y] voor de Benelux bekleedt. In verband met de Coronamaatregelen werkt de man vooralsnog vanuit huis.”

2.11 Op 27 augustus 2020 heeft mr. V een voorstel aan verweerster voorgelegd met het verzoek te reageren en/of terug te komen op de definitief te regelen kwesties, zodat een kort geding kan worden voorkomen.
2.12 Op 3 september 2020 diende het kort geding. In de door verweerster tijdens de mondelinge behandeling gebruikte pleitnota is onder meer opgenomen:

“1. Ik heb de man uitgenodigd voor een viergesprek bij mij op kantoor. Nadat de man op 16 augustus had aangegeven dat hij niet de moeite wilde doen om daarvoor naar [Z] te willen komen, heb ik hem direct geantwoord dat het gesprek de daarop volgende dinsdag in de buurt van [H] kon plaatsvinden, waarbij ik het volgende heb aangegeven: ‘(…) uw uitbarstingen zodanig hoog oplopen dat cliënte – maar ook de kinderen – hier uitermate veel last van heeft.’ Omdat ik daarop geen reactie van de man ontving (…)

2. Bovendien is het schadelijk voor de kinderen omdat met name [zoon] in het geschil tussen de ouders is betrokken (…)

3. (…) De man heeft na 1,5/2 jaar thuis te zijn geweest, sinds enkele maanden weer een leidinggevende fulltime functie.”

5. (…) maar de uitbarstingen zijn nog steeds op onvoorspelbare momenten aan de orde, ook in het bijzijn van de kinderen. (…)

11. (…) “kantoorbezoek onder voorwaarden mogelijk is”, zo blijkt uit de verklaring van zijn werkgever Voor zijn feitelijk verblijf is de man ook niet aangewezen op het gebruik van het huis. (…) kan de man terecht bij zijn moeder in [plaats], overigens ook om vanuit dat huis te werken indien nodig.”

2.13 Bij e-mail van 29 september 2020 heeft verweerster aan mr. V een voorstel voor een algehele regeling gedaan en daarbij onder meer geschreven:

“[Zoon]

Zodra de definitieve regeling duidelijk is, stelt cliënte voor dat zij hierover [zoon] in een informele setting ergens buiten de deur praten.

Dit voorstel kan enkel in zijn geheel worden aanvaard.”

2.14 Bij e-mail van 5 oktober 2020 heeft mr. V laten weten dat klager niet instemt met het voorstel.
2.15 In februari 2021 corresponderen verweerster en mr. V in het kader van een geschil over de toedeling van de woning. Op 12 februari 2021 schrijft verweerster in een e-mail aan mr. V onder meer:

“Zoals ik in mijn eerdere mail al aangaf, is cliënte klaar met de onderhandelingen. De rechtbank zal dan maar over de toedeling van het huis en de afwikkeling van de samenlevingsovereenkomst moeten oordelen.”

2.16 Over de toedeling van de woning wordt op 19 maart 2021 kort geding gevoerd. In de pleitaantekeningen van verweerster van die datum staat onder meer:

“Vervolgens zijn partijen in onderhandeling gegaan. Er zijn in de periode 17 september 2020 tot 14 januari 2021 13 mails tussen de advocaten gewisseld, waarin de waarde van € 825.000,- (…) waartegen de vrouw het aanvankelijk wilde overnemen, uiteindelijk is opgedreven tot €  882.500,-. Verder werden er over en weer allerlei bijkomende voorwaarden gesteld aan de overeenstemming over de toedeling van het huis qua datum van overdracht, verdeling van inboedel, afwikkeling van bankrekeningen etc. en zelfs heeft overeenstemming over de zorgregeling van de kinderen deel uitgemaakt van de aanvullende voorwaarden. (…)

(…) toen er medio januari 2021 overeenstemming tussen partijen was over de bijkomende voorwaarden en op tafel lag dat de vrouw het huis tegen een waarde van € 882.500,- zou overnemen”

2.17 Over de zorgregeling met betrekking tot de kinderen is een procedure gevoerd. Bij brief van 26 augustus 2021 heeft verweerster, ten behoeve van de zitting van 1 september 2021, producties ingebracht, waaronder een uitdraai uit het patiëntendossier van de ex-partner. In de brief heeft verweerster onder meer het volgende geschreven:

“Alhoewel de vrouw zich kan voorstellen dat de focus van uw rechtbank daar niet naar uitgaat omdat het belang van de kinderen in deze procedure leidend is, ziet zij zich genoodzaakt hier de aantijgingen van de man met bewijsstukken te weerspreken, zodat deze in het vervolg geen eigen leven gaan leiden. Zij betreurt het dat dit het geval moet zijn, maar dan kan de mondelinge behandeling in ieder geval worden benut waartoe deze is bedoeld (…)

De productie 10 betreft de uitdraai uit het patiëntendossier van de huisarts met betrekking tot de gebeurtenis op 3 september 2020 met daarbij gevoegd een aantal foto’s van de blauwe plekken die de man bij de vrouw heeft veroorzaakt.”

2.18 Op 1 september 2021 heeft de zitting over de zorgregeling plaatsgevonden. Verweersters pleitnota voor die zitting maakt onderdeel uit van het klachtdossier.

3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zich onnodig grievend uit te laten (handelen in strijd met gedragsregel 7).
b) meerdere uitspraken te doen die onverenigbaar zijn met de werkelijkheid, ook tegen de rechtbank op 1 september 2021, waarbij in sommige gevallen meer dan duidelijk is dat verweerster hiervan op de hoogte is of had moeten zijn (handelen in strijd met gedragsregel 8).
c) er met gestrekt been in te gaan (handelen in strijd met gedragsregel 5).
3.2 Ad a: klager verwijst naar verschillende zinsneden in de dagvaarding van 26 augustus 2020, de pleitnotities van 3 september 2020 en het overleggen van het patiëntendossier van de ex-partner voor de mondelinge behandeling van 1 september 2021. Hij stelt dat verweerster hem ten overstaan van de rechtbank (valselijk) heeft geportretteerd als een niet meewerkende en zelfs gewelddadige vader.
3.3 Ad b: klager stelt dat verweersters modus operandi is om de werkelijkheid af te schilderen op iedere manier die haar het beste uitkomt, ook als duidelijk is dat haar weergave geen recht doet aan de werkelijkheid. Klager noemt daarbij diverse voorbeelden uit de dagvaarding van 26 augustus 2020 en de pleitnota’s van 3 september 2020 en 19 maart 2021. Verder stelt hij dat verweerster correspondentie (de e-mail van 20 augustus 202) heeft gefabriceerd met als enig doel klager in een kwaad daglicht te stellen ten overstaan van de rechtbank.
3.4 Ad c: Klager stelt dat verweerster (de mogelijkheid van) een minnelijke oplossing heeft gefrustreerd teneinde te kunnen procederen en factureren. Klager en zijn advocaat hebben er alles aan gedaan om tot een gesprek te komen en verweerster is nergens op ingegaan.

4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht onder meer het volgende verweer gevoerd.
Klachtonderdeel a)
4.2 Verweerster stelt zich op het standpunt dat de stellingen die zij in de diverse procedures naar voren heeft gebracht, zijn gebaseerd op het feitenmateriaal dat haar cliënte haar heeft verschaft en waarvan zij, gezien de inhoud van het feitenmateriaal, geen aanleiding heeft gezien en heeft hoeven zien om niet af te kunnen gaan op de juistheid daarvan.
Klachtonderdeel b)
4.3 Verweerster spreekt de intenties die klager verbindt aan de door hem aangehaalde opmerkingen tegen, maar laat die verder voor wat ze zijn aangezien die zijn gebaseerd op (verweerster interpretatie van) de informatie die zij van haar cliënte heeft ontvangen en niet onnodig kwetsend zijn. Verweerster meent dat de opmerkingen die zij in de diverse stukken heeft gemaakt, passen binnen de vrijheid die zij als advocaat heeft om de belangen van haar cliënte te behartigen zonder dat sprake is van een overtreding van de beperkingen op die vrijheid.
Klachtonderdeel c)
4.4 Verweerster stelt dat er voortdurend contact is geweest met klagers advocaat, maar er is nooit gezegd wanneer partijen om tafel konden. Zij stelt verder dat zij een kort geding aanhangig heeft gemaakt, naar aanleiding van informatie van haar cliënte. Zij heeft ondertussen steeds aan klagers advocaat laten weten dat het de insteek was om de zaak in onderling overleg te regelen.
4.5 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING
5.1 De klacht richt zich tegen de advocaat van de wederpartij van klager. Uitgangspunt is dat aan de advocaat een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze als hem in overleg met zijn cliënt goeddunkt. Deze vrijheid, die mede voortvloeit uit de kernwaarde partijdigheid als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet, mag niet ten gunste van een tegenpartij worden beknot, tenzij diens belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Deze vrijheid vindt haar begrenzing in de plicht van de advocaat zich te onthouden van (feitelijke) stellingen waarvan hij de onjuistheid kent of redelijkerwijs kan kennen. De ratio van deze beperking van bedoelde vrijheid van de advocaat is, dat de rechter en de wederpartij door de onware feiten niet worden misleid. Daarbij moet wel in het oog worden gehouden dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid van dat feitenmateriaal en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. Daarnaast mag een advocaat zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij van zijn cliënt.
5.2 Daarbij moet een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen waken voor een onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen.
Klachtonderdelen a) en b)
5.3 Het verwijt onder a is dat verweerster heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 7. In deze gedragsregel is opgenomen dat de advocaat zich niet onnodig grievend dient uit te laten. Het enkele feit dat de standpunten van de cliënt van een advocaat de wederpartij niet welgevallig zijn, betekent nog niet dat de advocaat de grenzen van de aan hem in zijn hoedanigheid van advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid heeft overschreden.
5.4 Het verwijt onder b is dat verweerster heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 8. In deze gedragsregel is opgenomen dat de advocaat zich dient te onthouden van het verstrekken van feitelijke informatie waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is. Van schending van deze regel is slechts sprake als een advocaat feitelijke gegevens verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat die onjuist zijn. Dat is niet het geval als blijkt dat de advocaat is uitgegaan van de juistheid van de stellingen van zijn cliënt en dat hij ook geen reden heeft gehad om daaraan te twijfelen.
5.5 De raad is van oordeel dat verweerster zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten en evenmin feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist of kon weten dat die onjuist was. De raad overweegt daartoe als volgt.
5.6 Verweerster heeft steeds de standpunten van haar cliënte weergegeven, waarbij zij is afgegaan op de informatie van haar cliënte. Niet is gebleken dat er zich situaties hebben voorgedaan waarin verweerster kon weten dat de door haar gedane uitlatingen niet juist waren. Zij heeft steeds gehandeld binnen de haar toekomende ruime vrijheid als advocaat van de wederpartij.
5.7 Zo heeft zij een geluidsfragment aan de rechtbank overgelegd, om, zoals verweerster stelt, de explosieve relatie tussen klager en haar cliënt te illustreren. Dat het geluidsfragment kennelijk niet van recente datum was, maakt dit niet ongeoorloofd. Verweerster mocht deze informatie als partijdige belangenbehartiger van haar cliënte gebruiken om het standpunt van haar cliënte te onderbouwen. Datzelfde geldt voor het overgelegde patiëntendossier. Klager heeft kennelijk bepaalde stellingen ingenomen, die volgens verweersters cliënte niet terecht zijn. Het is dan aan verweerster als partijdige belangenbehartiger om het beeld van haar cliënte recht te zetten, aan de hand van door haar verstrekte informatie. Dat de kwestie van de gestelde mishandeling en de blauwe plekken geen hoofdzaak in de procedure betrof, maakt dat niet anders. Ook voor de andere door klager aangehaalde voorbeelden geldt dat verweerster heeft gehandeld binnen de haar toekomende ruime vrijheid als advocaat van de wederpartij. Dat verweerster correspondentie heeft gefabriceerd om klager bij de rechtbank in een kwaad daglicht te stellen, is de raad niet gebleken.
5.8 Het is volgens de raad goed voorstelbaar dat klager veel uitlatingen van verweerster als vervelend en/of grievend heeft ervaren, temeer nu hij immers de feitelijke juistheid daarvan grotendeels betwist. Van onnodig grievende uitlatingen door verweerster is de raad echter niet gebleken. Verweerster heeft steeds gehandeld binnen de haar toekomende ruime vrijheid als advocaat van de wederpartij bij het innemen van de standpunten van haar cliënte en de onderbouwing daarvan.
5.9 De raad merkt nog wel op dat een aantal van verweersters uitlatingen onhandig zijn geweest, zoals de mogelijke suggestie dat klager geen moeite wilde doen voor een gesprek. Deze suggestie is door verweerster ten onrechte gewekt. Klager had namelijk aangegeven bereid te zijn tot een gesprek, maar dat hij daarvoor bij voorkeur niet naar Z wilde reizen. Verweerster had deze suggestie niet mogen wekken Deze onzorgvuldigheid is echter niet van een dusdanig gewicht dat sprake is van klachtwaardig handelen.
5.10 Gelet op het voorgaande zal de raad deze klachtonderdelen ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel c)
5.11 Het verwijt is dat verweerster heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 5. In deze gedragsregel is opgenomen dat de advocaat voor ogen dient te houden dat een regeling in der minne veelal de voorkeur verdient boven een proces. Uit de toelichting op deze gedragsregel blijkt dat er niet de verplichting is tot het treffen van een minnelijke regeling. Een wederpartij kan dan ook niet verlangen dat een advocaat in elke situatie probeert een regeling in der minne te treffen. Dit is ter vrije beoordeling van de advocaat en zijn cliënt. Indien zij menen dat een regeling in der minne niet haalbaar is, kan de advocaat niet door de wederpartij of de gedragsregel worden verplicht om alsnog een regeling in der minne te beproeven.
5.12 De raad is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerster ‘er met gestrekt been is ingegaan’ en/of onnodig escalerend te werk is gegaan. Daartoe overweegt de raad als volgt.
5.13 De raad merkt allereerst op dat uit het klachtdossier duidelijk blijkt dat de relatie tussen klager en zijn ex-partner moeizaam en verhard was. Klager lijkt dit volledig aan verweerster te verwijten, maar de raad kan niet vaststellen dat verweerster verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verslechterde verhouding tussen partijen.
5.14 Uit de correspondentie blijkt dat verweerster in augustus 2020 heeft geprobeerd een viergesprek te plannen. Kort daarna heeft zij ook een kort geding aangespannen, omdat volgens verweerster de situatie voor haar cliënte niet langer houdbaar was. Ondertussen heeft zij de mogelijkheid van een regeling opengelaten. De raad is van oordeel dat het aan verweerster en haar cliënt was om te bepalen of een procedure noodzakelijk was of niet. Dat verweerster een kort geding heeft aangespannen, betekent daarmee niet dat zij de mogelijkheid van een minnelijke regeling terzijde heeft geschoven.
5.15 Gelet op het voorgaande zal de raad dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.

BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. H.Q.N. Renon en P. Rijnsburger, leden, bijgestaan door mr. C.M. van de Kamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2022.

Griffier                                                                              Voorzitter

Bij afwezigheid van mr. C.M. van de Kamp
is deze beslissing ondertekend door
mr. M.M. Goldhoorn (griffier)

Verzonden d.d. 24 oktober 2022