Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2022:196 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-327/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2022:196
Datum uitspraak: 25-07-2022
Datum publicatie: 21-09-2022
Zaaknummer(s): 22-327/AL/GLD
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Kennelijk ongegronde klacht. Nu niet is gebleken van een overeenkomst van opdracht tussen klager en verweerder, valt het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij geen klachtbrief heeft gestuurd.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2022
in de zaak 22-327/AL/GLD
naar aanleiding van de klacht van:

klager
over
verweerder

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) met kenmerk K 21/52, door de raad ontvangen op 20 april 2022, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 0.0 tot en met 06.8.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft op 17 juni 2020 een verkeersboete opgelegd gekregen door het CJIB. Klager was het hier niet mee eens en zocht bijstand voor het aantekenen van bezwaar en/of het opstellen van een klachtbrief. De termijn voor het maken van bezwaar tegen de boete verliep op 25 augustus 2020. Klager heeft niet tijdig bezwaar gemaakt tegen de boete.
1.2 Op 3 november 2020 heeft klager een e-mail gestuurd aan het infomailadres van het kantoor van verweerder. In die e-mail vraagt klager verweerder telefonisch contact met hem op te nemen.
1.3 In januari 2021 is er namens het CJIB geld afgeschreven van de bankrekening van klager.
1.4 Bij e-mail van 17 februari 2021 aan het infomailadres van het kantoor van verweerder heeft klager geschreven:

“de zaak loopt al vanaf 31 december 2020 en vanaf 28 januari is er geld van me rekening afgehaald ik heb het nog kunnen terug storneren als het mogelijk is zou ik het klacht brief kunnen krijgen hartstikke bedankt.”

1.5 Mr. T, een kantoorgenoot van verweerder, heeft klager hierop bij e-mail van dezelfde dag onder meer geschreven:

“Ik begrijp dat u uw geld inmiddels terug heeft gekregen en dat het gaat om het schrijven van een klachtbrief. Daarvoor wordt door de RvR geen toevoeging verleend. Dus dat zou alleen op betalende basis kunnen. Ik neem aan dat dat financieel gezien het niet waar is. Voor zover u de boete aan zou willen vechten (voor zover nog mogelijk), verzoek ik u vriendelijk de stukken daarvan toe te sturen, samen met het eventuele dwangbevel.”

1.6 Op 23 februari 2021 heeft klager aan het infomailadres van het kantoor van verweerder een foto van de boete gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft klager geschreven:

“na dat de meneer me motorcross heeft afgepakt stuurt hij een maand later de boetes.”

1.7 Op 24 februari 2021 heeft een medewerker van het kantoor van verweerder de e-mail van klager aan verweerder doorgestuurd. In de begeleidende e-mail staat dat het gaat om een e-mail van een nieuwe cliënt en dat er binnen twee dagen, uiterlijk op 26 februari 2021, moet worden gereageerd.
1.8 Bij e-mail van 26 februari 2021 heeft verweerder klager onder meer geschreven:

“Helaas kan ik u in deze kwestie slechts op betalende basis bijstaan. Omdat de boetes niet meer dan €500 per stuk zijn, krijgt u geen gesubsidieerde rechtsbijstand. Mocht u bereid zijn om mijn uurtarief te betalen voor mijn bijstand, dan verneem ik dat graag.”

1.9 Bij e-mail van 3 maart 2021 heeft klager verweerder onder meer geschreven:

“(…)ik heb net u collega aan de foon gehad tog meld ik even op de emial. Na hele tijd bezig te zijn met emial en telefoon en geen reactie ben ik achter gekomen dat geen klantbrief of de juiste term ervan niet weet, nooit binnen zijn gekomen bij centraaljustitieel incassobureau. Bij deze is de bedrag van me rekening af gehaald, en hierbij wil ik graag verhalen of kans geven om tog goede orde te kunnen brengen. Bij de hoorde ik dat u me morgen zal bellen wacht in goede orde af anders ben ik genoodzaak verdere actie te ondernemen (…).”

1.10 Op 8 maart 2021 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij geen klachtbrief heeft opgesteld aan het CJIB terwijl klager daar diverse keren om heeft gevraagd en een collega van verweerder klager heeft toegezegd dat zijn zaak op zeer korte termijn zou worden opgepakt.

3 VERWEER
3.1 Verweerder voert tegen de klacht verweer. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING
4.1 Klager verwijt verweerder, kort gezegd, dat hij namens klager geen klachtbrief aan het CJIB heeft gestuurd. Verweerder betwist dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Verweerder heeft klager meegedeeld dat hij hem zou bijstaan na voldoening van een factuur. Klager heeft de factuur tot op heden niet voldaan, aldus verweerder.
4.2 De voorzitter overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat verweerder klager op 26 februari 2021 heeft meegedeeld dat hij klager op betalende basis zou kunnen bijstaan. Op basis van het klachtdossier kan niet worden vastgesteld dat klager hierop heeft gereageerd of dat er een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Klager heeft daarvan geen stukken overgelegd. Dat klager op 21 augustus 2021 een afspraak had op het kantoor van verweerder en dat een collega van verweerder toen heeft toegezegd dat klagers zaak op zeer korte termijn zou worden opgepakt, heeft verweerder gemotiveerd betwist. Nu niet is gebleken van een overeenkomst van opdracht tussen klager en verweerder, valt het verweerder niet tuchtrechtelijk te verwijten dat hij geen klachtbrief aan het CJIB heeft gestuurd. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.

BESLISSING
De voorzitter verklaart: de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, bijgestaan door mr. S. el Bouazzati-van Excel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2022.

Griffier                                                                         Voorzitter

Verzonden d.d. 25 juli 2022