Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRARL:2022:169 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-076/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2022:169
Datum uitspraak: 04-07-2022
Datum publicatie: 09-08-2022
Zaaknummer(s): 21-076/AL/GLD
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Ongegrond verzet.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 4 juli 2022
in de zaak 21-076/AL/GLD
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van discipline van 19 juli 2021 op de klacht van:

klaagster
over
verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 26 januari 2020 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 25 januari 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk K 20/20 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 19 juli 2021 heeft de voorzitter van de raad de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 18 augustus 2021 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 30 mei 2022. Daarbij was klaagster aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.

2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
(i) ten onrechte heeft de voorzitter onder 1.5 een relevante e-mail niet genoemd en ook niet meegenomen in zijn oordeel. Dat betreft de volgende e-mail van de cliënt van verweerster aan de heer W van 15 januari 2018 om 21:48 uur:

“De mail die ik al eerder had gehad van jou was niet helemaal duidelijk omschreven Na contact met jou te hebben gehad zou jij een nieuwe opstellen.

In de vorige mail gaf je aan dat tijdens de sloop dhr [A; overleden vader klaagster] ook heelt aanwezig was met zijn tractor en alle wekzaamheden onder zijn leiding (regie) hebt uitgevoerd.

Nu was mijn punt voor de nieuwe mail waar we het vanmorgen over gehad hebben Wat er allemaal is uitgevoerd onder zijn leiding. Zou je die punten even kunnen verwoorden in een nieuwe mail

Zoals

De boerderij is gesloopt alles wat boven het maaiveld stond is verwijderd onder zijn leiding; In de grond Heb ik alles laten zitten onder regie van dhr [A].

Of in opdracht en onder toezicht van dhr [A] heb ik de boerderij gesloot en in de grond heb ik het moeten laten zitten omdat dit goedkoper was.

Hoopelijk snap je wat ik bedoel welke woorden je er precies voor gebruikt maak nie uit het gaat er alleen om dat het zo is uitgevoerd en afgewerkt is en je ook ma gewoon in opdracht van dhr [A] hebt gehandeld en uitgevoerd hebt.”

(ii) ten onrechte heeft de voorzitter daardoor overwogen dat verweerster geen reden had te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van haar cliënt en van de heer W, terwijl verweerster na lezing van ook de hiervoor onder (i) genoemde e-mail had moeten begrijpen dat sprake was van een valse verklaring die door haar cliënt zo was gedicteerd. Verweerster is zonder nader onderzoek uitgegaan van onjuiste feiten en wist dat haar cliënt de heer W, die later op zijn verklaring is teruggekomen, onder druk heeft gezet om de zaak te winnen;
(iii) ten onrechte heeft de voorzitter overwogen dat verweerster mevrouw B als getuige mocht voordragen, terwijl verweerster wist, dan wel had kunnen weten, dat die getuige niet naar waarheid had verklaard dat zij er destijds bij aanwezig is geweest. Mevrouw B is daarop op 30 januari 2018 op teruggekomen. Verweerster heeft nagelaten om hiernaar onderzoek te doen en is uitgegaan van onjuiste feiten;
(iv) de voorzitter heeft niet ingezien dat de belangen van klaagster door deze onjuiste handelwijze van verweerster onnodig of onevenredig zijn geschaad.

3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten, behalve voor zover daartegen verzet is ingesteld, en de omschrijving van de klacht verwijst de raad verder naar de beslissing van de voorzitter.

4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Hij heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden. De raad overweegt als volgt.
4.3 De e-mail van 15 januari 2018, zoals geciteerd onder verzetgrond (i), maakt deel uit van het klachtdossier zodat de voorzitter daarvan kennis heeft kunnen nemen en bij zijn oordeel heeft kunnen betrekken. De raad is van oordeel dat die e-mail niet tot een andere beslissing dan die van de voorzitter leidt. Anders dan klaagster is de raad van oordeel dat verweerster uit de tekst van de twee e-mails van 15 januari 2018 niet hoefde af te leiden dat de heer W onder ongeoorloofde druk van haar cliënt een schriftelijke verklaring heeft gegeven. Niet is gebleken dat verweerster daarbij zelf enige bemoeienis had. Daar komt nog bij dat de heer W zijn verklaring op 31 januari 2018 heeft aangepast en gematigd. In de civiele procedure kon klaagster het door verweerster namens haar cliënten ingenomen standpunt betwisten, net als de vermeende leugens in de door verweerster overgelegde verklaringen. Uiteindelijk is het aan de civiele rechter voorbehouden om over de juistheid van dergelijke verklaringen te oordelen, niet aan de tuchtrechter. 
4.4 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.

BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. A.C.H. Jansen, P. Th. Mantel, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022.

Griffier                                                       Voorzitter
 
Verzonden d.d. 4 juli 2022