Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2022:71 Raad van Discipline Amsterdam 21-722/A/DH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:71
Datum uitspraak: 25-04-2022
Datum publicatie: 13-05-2022
Zaaknummer(s): 21-722/A/DH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzetbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Verzet ten dele gegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond. Verweerder heeft bij aanvang van zijn werkzaamheden geen opdrachtbevestiging aan klager gestuurd en ook niet op het moment dat klager wilde gaan procederen en zij over de kosten daarvan hebben gesproken. De kosten zijn opgelopen door extra werkzaamheden, ook toen heeft verweerder klager niet schriftelijk geïnformeerd en gewaarschuwd. Verder is verweerder niet duidelijk geweest over de haalbaarheid van de zaak. Waarschuwing opgelegd.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 25 april 2022
in de zaak 21-722/A/DH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 4 oktober 2021 op de klacht van:


klager

over:

verweerder


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 13 januari 2021, aangevuld op 15 en 18 januari 2021, heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Na een verwijzingsbeslissing van de plaatsvervangend voorzitter van het Hof van Discipline van 20 augustus 2021 heeft de raad van discipline kennisgenomen van de brief van de deken van 12 juli 2021 en het klachtdossier met kenmerk K004 2021 ar/ak. 
1.3    Bij beslissing van 4 oktober 2021 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4    Op 4 oktober 2021 (om 15.35 uur) heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift, aangevuld op 4 oktober 2021 (om 17.22 uur) en op 5 oktober 2021, op dezelfde datum ontvangen.
1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
1.6    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 4 maart 2022. Daarbij waren klager (via een videoverbinding) en verweerder aanwezig. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

2    VERZET
2.1    De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in. De voorzitter heeft miskend dat verweerder heeft toegezegd om in hoger beroep voor klager op te treden en hij wist dat klager geen ander kantoor wilde inschakelen. Ook heeft de voorzitter miskend dat verweerder een verkeerde analyse van de zaak heeft gemaakt. Verweerder heeft ten onrechte tegen klager gezegd dat de zaak van klager 70-75% slagingskans had en hij heeft een onjuiste inschatting van de kosten gegeven. Daarnaast heeft verweerder belangrijke argumenten niet in de procedure naar voren gebracht. De procedure heeft klager onnodig veel geld gekost. Verder heeft verweerder klager ten onrechte geadviseerd om hoger beroep tegen het vonnis in te stellen. Volgens separaat ingewonnen juridisch advies zou dat opnieuw een kostbare fout zijn geweest. 

3    FEITEN 
3.1    Nu klager blijkens het verzetschrift niet opkomt tegen de door de voorzitter vastgestelde feiten, zal de raad daarvan uitgaan.

4.    BEOORDELING 

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2    Klager heeft in zijn klacht niet alleen geklaagd, samengevat, over a) het uitblijven van een reactie van verweerder op de verzoeken en klacht van  klager, maar ook b) over de wijze waarop verweerder zijn belangen heeft behartigd. Het tweede klachtonderdeel komt niet terug in de klachtomschrijving onder punt 2 van de voorzittersbeslissing, maar de voorzitter heeft dit klachtonderdeel wel bij de beoordeling van de klacht betrokken. Dat blijkt uit hetgeen de voorzitter onder punt 4.5 van de beoordeling heeft overwogen. 
    Ad klachtonderdeel a)
4.3    De raad heeft op grond van de dossierstukken en de verklaringen van klager en verweerder geen aanleiding om ten aanzien van klachtonderdeel a) aan de juistheid van de voorzittersbeslissing te twijfelen. De voorzitter is bij de beoordeling van dit klachtonderdeel uitgegaan van de overgelegde dossierstukken en heeft daarbij rekening gehouden met de relevante feiten en omstandigheden. Nu het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter ten aanzien van dit klachtonderdeel ook overigens geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor verder onderzoek naar dit klachtonderdeel en moet het verzet daartegen ongegrond worden verklaard. 

    Ad klachtonderdeel b) 
4.4    In dit klachtonderdeel klaagt klager er onder andere over dat verweerder een onjuiste inschatting van de slagingskans en van de kosten heeft gegeven. De voorzitter heeft overwogen dat klager dit tegenover de betwisting daarvan door verweerder  onvoldoende concreet heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de raad heeft de voorzitter daarmee miskend dat het primair in de risicosfeer van verweerder ligt om dit vast te leggen. Ter zitting is voorts gebleken dat  verweerder geen opdrachtbevestiging naar klager heeft gestuurd. Ook is ter zitting gebleken dat verweerder tijdens het gesprek met klager en zijn echtgenote op 23 augustus 2019 een aanzienlijk lagere kosteninschatting heeft gegeven dan het bedrag dat hij in totaal aan klager heeft gedeclareerd. De voorzittersbeslissing is dus gebaseerd op onvolledige feiten. Het verzet is in zoverre gegrond. De raad zal dit klachtonderdeel daarom opnieuw beoordelen. 
4.5    Zoals onder punt 4.1 van de voorzittersbeslissing is overwogen, moet het werk van de advocaat voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Hoewel de tuchtrechter niet gebonden is aan de gedragsregels die voor advocaten gelden, zijn deze gedragsregels wel van belang ter invulling van de wettelijke normen in artikel 46 Advocatenwet. Met betrekking tot de relatie met de cliënt is onder meer gedragsregel 16 lid 1 geformuleerd, waaruit volgt dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. De advocaat dient zijn cliënt te informeren, te waarschuwen en duidelijkheid te scheppen over de haalbaarheid van een zaak en de kosten van zijn optreden. Dit alles moet de advocaat ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, schriftelijk aan de cliënt bevestigen.
4.6    Vast staat dat verweerder bij aanvang van zijn werkzaamheden geen opdrachtbevestiging aan klager heeft gestuurd waarin de haalbaarheid van de zaak en de financiële afspraken zijn vastgelegd. Verweerder heeft dat ook niet gedaan op het moment dat duidelijk werd dat klager wilde gaan procederen en zij over de kosten daarvan hebben gesproken. Dat had wel op de weg van verweerder gelegen. Doordat hij dat niet heeft gedaan is hierover onduidelijkheid bij klager ontstaan. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij een bedrag van € 5.000,- heeft genoemd als kosten van de procedure, maar volgens klager heeft verweerder een bedrag rond € 2.500,- à € 3.000,-  genoemd. Verweerder heeft in dit verband voorts aangevoerd dat de kosten zijn opgelopen in verband met de omvangrijke correspondentie met klager, de eis in reconventie, extra werkzaamheden voor klager tijdens de lockdown, en ook in verband met een descente en een lange zitting. Volgens verweerder zijn dat dingen die je tevoren niet voorziet. Dit had voor verweerder echter aanleiding moeten zijn om klager alsnog schriftelijk te informeren en te waarschuwen. Verweerder heeft voorts verklaard dat hij geen inschatting van de slagingskans heeft gemaakt. Hij had echter duidelijk tegenover klager moeten zijn over de haalbaarheid van de zaak. Ook hierin is verweerder dus jegens klager tekortgeschoten. Een en ander valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel b) is in zoverre gegrond.
4.7    Klager heeft er in dit klachtonderdeel voorts nog over geklaagd dat verweerder belangrijke argumenten niet in de procedure naar voren heeft gebracht en hem ten onrechte heeft geadviseerd heeft om hoger beroep in te stellen. Nog daargelaten dat klager dit eerst in het stadium van verzet naar voren heeft gebracht, geldt dat klager dit niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd. De raad gaat hier dus aan voorbij.  
 
5    MAATREGEL
5.1    De raad constateert dat verweerder artikel 46 van de Advocatenwet heeft geschonden. Door zijn handelen en nalaten treft verweerder een tuchtrechtelijk verwijt. De raad acht in de omstandigheden van het geval de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6.    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
6.1    Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van  artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
6.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat. 
6.3    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 6.2 onder a en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

7    BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet met betrekking tot klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart het verzet met betrekking tot klachtonderdeel b) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel b) alsnog gegrond;
    - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 6.1;
-        veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 6.3;


Aldus beslist door mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter, mrs. M. Bootsma en G. Kaaij, leden, bijgestaan door mr. N. Bakker als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 25 april 2022.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 25 april 2022