Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TADRAMS:2022:114 Raad van Discipline Amsterdam 21-465/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2022:114
Datum uitspraak: 20-06-2022
Datum publicatie: 28-06-2022
Zaaknummer(s): 21-465/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing, gedeeltelijk gegronde klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat. Verweerder heeft nagelaten een opdrachtbevestiging te versturen en klager op de hoogte te stellen van belangrijke informatie en beslissingen (zoals het niet indienen van een zienswijze tegen een besluit). Berisping met kostenveroordeling.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 20 juni 2022
in de zaak 21-465/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager
gemachtigde: mr. P.W.M. Huisman

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 15 oktober 2020 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Klager heeft zijn klacht op 20 oktober 2020 aangevuld. 
1.2    Op 18 mei 2021 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2020-1266027/EJH/AvO van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 mei 2022. Daarbij waren klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen van de bij e-mail van 19 juli 2021 door klager nagezonden stukken. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is verwikkeld in een asielprocedure met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND). Klager heeft op 8 oktober 2018 voor de derde maal bij de IND een asielaanvraag ingediend. Op dat moment liep er nog een hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) met betrekking tot de tweede asielaanvraag. Klager werd in de procedures bijgestaan door mr. M, advocaat te Assen. 

2.3    Bij voornemen van 27 november 2018 heeft de IND klager met betrekking tot de derde asielaanvraag gevraagd binnen één week ontbrekende informatie aan te vullen. Klager heeft hiervoor op 27 november 2018 uitstel gevraagd. Het uitstel is verleend tot 11 december 2018.  
2.4    Op 30 november 2018 heeft verweerder de behandeling van klagers asielprocedure van mr. M overgenomen.  
2.5    Verweerder heeft bij brief van 6 december 2018 de IND het volgende meegedeeld: “(…) Naar aanleiding van uw voornemen (…) bericht ik u dat ik daartegen geen zienswijze zal inbrengen. Er loopt nog een procedure. De Afdeling heeft een verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Op het hoger beroep is nog niet beslist. (…)”  
2.6    Bij e-mail van 7 december 2018 heeft klager verweerder laten weten dat de termijn voor het indienen van een zienswijze met betrekking tot zijn derde asielaanvraag liep tot en met 11 december 2018.
2.7    Bij beschikking van 21 januari 2019 heeft de IND de derde asielaanvraag buiten behandeling gesteld.  
2.8    Bij e-mail van 8 april 2019 heeft klager verweerder naar de stand van zaken gevraagd omtrent zijn asielprocedure bij de Afdeling. Verweerder heeft op 9 april 2019 geantwoord dat er nog geen nieuws is.
2.9    De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 juli 2019 het hoger beroep van klager gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 september 2018 vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen. 
2.10    Op 9 augustus 2019 heeft klager van de IND zelf vernomen dat de Afdeling op 30 juli 2019 uitspraak had gedaan in zijn asielprocedure. 
2.11    Bij e-mail van 12 augustus 2019 heeft klager verweerder gevraagd hem te informeren over de uitspraak van de Afdeling. 
2.12    Bij brief van 13 augustus 2019 heeft verweerder mr. M gevraagd de uitspraak aan hem toe te zenden. Mr. M heeft verweerder op 15 augustus 2019 de uitspraak toegezonden. 
2.13    Op 15 augustus 2019 heeft verweerder klager tijdens een overleg op zijn kantoor meegedeeld dat hij niet langer voor hem kon optreden, omdat hij inmiddels gedurende ongeveer vijf weken andere verplichtingen (in het buitenland) had.
2.14    Bij brief van 16 augustus 2019 heeft verweerder het gesprek met klager bevestigd. Hij schrijft hierin het volgende: “(…) Naar aanleiding van onze bespreking van 15 augustus jl. bericht ik u als volgt. Ik deelde u mee dat ik om mij moverende redenen niet langer voor u kan optreden. Ik heb de rechtbank aangeschreven volgens bijgevoegd afschrift en mevrouw M(…) verzocht mij nogmaals het dossier digitaal te sturen. Na ontvangst daarvan zal ik een en ander aan u doorsturen. (…) Het is van groot belang dat u zo snel mogelijk een nieuwe advocaat vindt vanwege het feit dat, zoals ik u reeds meedeelde, de zaak door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State weer terugverwezen [is] naar de rechtbank [en] er nog de mogelijkheid bestaat tot het indienen van nieuwe bewijsstukken waarvan mr. M(…) mij mededeelde dat deze inmiddels in uw bezit zouden zijn. (…)”   
2.15    Bij brief van eveneens 16 augustus 2019 heeft verweerder de Vreemdelingenkamer van de rechtbank Amsterdam (waarnaar de zaak door de Afdeling was terugverwezen) als volgt geïnformeerd: “(…) Bij uitspraak van de Afdeling van 30 juli jl. werd het tegen bovengenoemde zaak ingediende hoger beroep gegrond verklaard waarbij de zaak werd terugverwezen naar de rechtbank. Mr. M(…) treedt niet langer op voor betrokkene. Om mij moverende redenen ben ik daartoe evenmin in staat. Betrokkene is thans doende een opvolgend advocaat te vinden. Ik verzoek u met klem hem uitstel voor het indienen van eventuele nadere bewijsstukken te verlenen totdat deze advocaat zich gesteld zal hebben. Ik stel mij uitdrukkelijk niet voor betrokkene (…).”
2.16    Bij brief van 19 augustus 2019 heeft verweerder een USB-stick met daarop het asieldossier van mr. M ontvangen. 
2.17    Bij brief van 21 augustus 2019 heeft verweerder klager laten weten dat hij de USB-stick kon afhalen op zijn kantoor.
2.18    Op 27 oktober 2019 heeft mr. M de rechtbank Amsterdam het volgende bericht gestuurd: “(…) Dit dossier van [klager] is heropend na terugverwijzen door de Raad van State. Ik ben echter niet meer de gemachtigde. Een nieuwe gemachtigde is mij niet bekend. Eerder zou [verweerder] de nieuwe gemachtigde zijn maar die heeft mij ook aangegeven niet meer de gemachtigde te zijn. En laatstgenoemde weet ook niet wie de nieuwe gemachtigde is. Ik weet nu dus niet goed wat nu van mij verwacht wordt. Ik vraag uw rechtbank in ieder geval vriendelijk om tot en met 25 november aanstaande geen zittingen te plannen (of beslissingen te nemen), ik ben afwezig en heb een eenmanskantoor en gelet op de ontstane situatie zou ik het prettig vinden om aanwezig te zijn wanneer uw rechtbank uitnodigingen verstuurt voor een zitting of andere beslissingen in deze neemt (…).” 
2.19    Klager heeft op 15 oktober 2020 over verweerder een klacht ingediend bij de deken. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Volgens klager was verweerders kwaliteit van dienstverlening ondermaats en verwijt hij verweerder concreet het volgende. 
a)    Verweerder heeft geen intakegespreksverslag opgemaakt. 
b)    Verweerder heeft klager niet geïnformeerd over wat hij met mr. M had afgesproken.
c)    Verweerder heeft geen zienswijze opgesteld voor de IND, terwijl klager daarvoor uitstel had aangevraagd bij de IND op 27 november 2018 en had verkregen tot 11 december 2018. 
d)    Verweerder heeft klager niet op de hoogte gehouden en geen kopie gestuurd van zijn brieven aan de IND en de rechtbank. 
e)    Verweerder heeft klagers zaak bij de Afdeling in gevaar gebracht. 
f)    Verweerder heeft klagers dossier niet bestudeerd en is zonder enige reden na negen maanden gestopt als klagers advocaat. 
g)    Verweerder heeft, nadat de Afdeling het hoger beroep van klager gegrond had verklaard, uitstel gevraagd van de behandeling op zitting bij de rechtbank en vanwege het Coronavirus is zijn zaak daarom nog steeds niet afgehandeld. 
h)    Verweerder was vanaf 30 november 2018 klagers advocaat en door verweerder heeft klager tot nu toe ernstige materiële en immateriële, lichamelijke en psychische schade geleden (huurkosten, leefgeld, reiskosten en immateriële schade). 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5    BEOORDELING
5.1    De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat, gezien het bepaalde in artikel 46 Advocatenwet, de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen indien daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met de keuzes - zoals met betrekking tot het procesrisico en het kostenrisico - waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. De vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en de keuzes waar hij voor kan komen te staan zijn niet onbeperkt, maar worden begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Die professionele standaard veronderstelt een handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht (zie Hof van Discipline 5 februari 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:32). Bovendien is de advocaat gehouden de aan hem toevertrouwde belangen met de nodige voortvarendheid te behartigen. Ten slotte behoort het tot de taak van een advocaat belangrijke afspraken en adviezen schriftelijk vast te leggen.
Klachtonderdeel a), b) en d)
5.2    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking en hebben betrekking op de communicatie van verweerder met klager. Klager verwijt verweerder ten eerste dat hij geen intakegespreksverslag heeft opgemaakt, waarmee, zoals de deken het heeft opgevat en ook de raad het opvat, bedoeld wordt dat hij geen opdrachtbevestiging heeft gestuurd, met hierin de afspraken over de activiteiten die door verweerder in zijn zaak zouden worden ondernomen. Ten tweede verwijt klager verweerder dat hij hem niet heeft geïnformeerd over de afspraken die hij met mr. M over zijn zaak heeft gemaakt, bijvoorbeeld de afspraak dat hij zich niet zou stellen als gemachtigde bij de Afdeling maar dat mr. M verweerder zou informeren wanneer de Afdeling uitspraak zou doen in klagers zaak. Klager betwijfelt of deze afspraak daadwerkelijk is gemaakt tussen verweerder en mr. M, omdat mr. M de uitspraak, nadat deze was gedaan, niet aan verweerder heeft toegezonden. De uitspraak is klager bekend geworden, nadat hij op 9 augustus 2019 contact had opgenomen met de IND, die hem meedeelde dat op 30 juli 2019 door de Afdeling uitspraak was gedaan in zijn zaak. Ten derde heeft verweerder volgens klager nagelaten een kopie te sturen van zijn brieven aan de IND en aan de rechtbank.  
5.3    Verweerder heeft mede op zitting het volgende aangevoerd. Toen klager in november 2018 met zijn zaak bij hem kwam en aangaf dat het contact tussen hem en mr. M niet goed verliep, heeft hij niet tegen klager gezegd dat hij de behandeling van de zaak van mr. M. gelijk zou overnemen, maar gezegd dat klager hem het dossier alvast kon geven en dat verweerder de uitspraak van de Afdeling zou afwachten. Vervolgens zouden verweerder en klager afhankelijk van de uitkomst van die uitspraak bekijken hoe de zaak verder kon worden behandeld. Verweerder heeft het dossier na ontvangst niet direct bestudeerd. Hij had met mr. M afgesproken dat zij hem de uitspraak te zijner tijd zou toezenden. Verweerder heeft om deze redenen de gemaakte afspraken niet aan klager bevestigd in een opdrachtbevestiging. Verweerder heeft klager daarnaast geen afschrift van zijn brief van 6 december 2018 aan de IND gestuurd en evenmin gereageerd op de e-mail van klager van 7 december 2018, waarin klager hem informeert over de termijn waarbinnen de zienswijze moest worden ingediend. Dat was niet juist, zo heeft  verweerder erkend. De uitspraak van de Afdeling heeft lang op zich laten wachten. Nadat verweerder van klager had vernomen dat de Afdeling op 30 juli 2019 uitspraak had gedaan, heeft verweerder de uitspraak bij mr. M opgevraagd, die hem deze op 15 augustus 2019 heeft toegezonden. Op dat moment heeft verweerder klager in verband met zijn vertrek naar het buitenland laten weten zijn zaak niet meer te kunnen behandelen en de rechtbank bij brief van 16 augustus 2019 verzocht klager uitstel te verlenen voor het indienen van eventuele nadere bewijsstukken totdat zich een nieuwe advocaat had gesteld. Bij brief van eveneens 16 augustus 2019 heeft verweerder klager een afschrift van zijn brief aan de rechtbank gestuurd.        
5.4    De raad overweegt het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline en op grond van gedragsregel 16 lid 1 is een advocaat gehouden belangrijke informatie, feiten en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen ter voorkoming van misverstand, onzekerheid en geschil. Een schriftelijke opdrachtbevestiging waarin de opdracht wordt beschreven en de afspraken die zijn gemaakt over de wijze waarop deze zullen worden uitgevoerd, is uit hoofde van deze verplichting vereist. Verweerder heeft ter zitting erkend geen opdrachtbevestiging aan klager te hebben gestuurd. Als reden hiervoor heeft verweerder aangevoerd dat het niet de bedoeling was dat hij direct met de zaak aan de slag zou gaan, maar dat hij en klager hadden afgesproken dat zij pas na de uitspraak van de Afdeling zouden besluiten hoe verweerder de zaak verder zou behandelen. Dat deze afspraak zou zijn gemaakt, wordt door klager uitdrukkelijk betwist. Tegenover die gemotiveerde betwisting acht de raad het bestaan van deze afspraak onvoldoende aannemelijk gemaakt door verweerder. Verweerder heeft niet alleen eerder in zijn verweer van 6 november 2020 aangegeven te hebben ingestemd met overname van het dossier, maar bovendien op 6 december 2018 de IND bericht geen zienswijze te zullen indienen. Daaruit blijkt dat verweerder wel degelijk ruimschoots voor de uitspraak van de Afdeling in klagers zaak werkzaamheden heeft verricht. Daarenboven geldt dat ook een afspraak als deze in een opdrachtbevestiging vastgelegd dient te worden. Juist over afspraken bepaalde activiteiten niet te zullen doen, mag geen misverstand bestaan tussen een advocaat en zijn cliënt en juist die afspraken moeten deugdelijk worden vastgelegd. Verweerder heeft klager evenmin - schriftelijk - op de hoogte gebracht van de afspraken die hij met mr. M zou hebben gemaakt over de werkwijze rondom het toezenden van de uitspraak van de Afdeling. Daarnaast heeft verweerder nagelaten klager op de hoogte te stellen van zijn beslissing geen zienswijze in te dienen tegen het voornemen van de IND in de derde asielaanvraag. Dat het uitdrukkelijk wel klagers bedoeling was dat er een zienswijze zou worden ingediend, blijkt duidelijk uit de e-mail van klager aan verweerder van 7 december 2018 waarin hij verweerder wijst op de termijn waarbinnen de zienswijze moest worden ingediend. Verweerder heeft desondanks geen reactie gegeven op deze e-mail van klager en ook geen afschrift aan klager gestuurd van zijn brief van 6 december 2018 aan de IND, zodat klager zelfs achteraf niet op de hoogte is gebracht van deze belangrijke beslissing in zijn procedure. De raad komt op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom dat verweerder ernstig tekortgeschoten is in de behartiging van klagers belangen in zijn zaak door zijn gebrekkige communicatie over zijn plan van aanpak en de beslissingen die hij in dat kader heeft genomen. Hiermee heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld jegens klager. Dat verweerder wel een afschrift van zijn brief van 16 augustus 2019 aan de rechtbank aan klager heeft gestuurd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop zullen deze klachtonderdelen gegrond worden verklaard.  
Klachtonderdelen c) en e)
5.5    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en komen erop neer dat klager verweerder verwijt dat hij klagers zaak door zijn handelingen inhoudelijk in gevaar heeft gebracht. Volgens klager is als gevolg van verweerders beslissing geen zienswijze in te dienen in de derde asielaanvraag, deze afgewezen. Als het vervolgens namelijk misgaat in de tweede asielaanvraag is het bijzonder lastig om een vierde aanvraag te doen, omdat een vierde asielaanvraag naar alle waarschijnlijkheid overeenstemt met de inhoud van de derde aanvraag, aldus klager. Dat tast volgens klager zijn rechtspositie aan. Verweerder heeft toegelicht dat hij in het belang van klager geen zienswijze heeft ingediend ten aanzien van de derde asielaanvraag, omdat het afdwingen van een herhaalde asielaanvraag terwijl een eerdere aanvraag nog aanhangig is, volgens verweerder neerkomt op het onnodig verschieten van kruit. 
5.6    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder toereikend toegelicht dat hij met het oog op de belangen van klager heeft besloten geen zienswijze in te dienen en dat deze beslissing niet voortkomt uit achteloosheid over klagers zaak. De beoordeling of dit inhoudelijk een juiste beslissing is geweest betreft het onderliggende geschil. Dat die beslissing niet schriftelijk is vastgelegd aan klager door verweerder is in overweging 5.4 aan de orde gekomen en vormt geen onderdeel van deze klachtonderdelen. Het behoort niet tot de taak van de tuchtrechter in bestuursrechtelijke geschillen een oordeel te geven. Dat oordeel is aan de bestuursrechter voorbehouden. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen in dit opzicht is de raad niet gebleken, zodat deze klachtonderdelen ongegrond zullen worden verklaard. 

De klachtonderdelen f) en g)
5.7    Deze klachtonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling en komen erop neer dat klager verweerder verwijt hem negen maanden lang aan het lijntje te hebben gehouden en vervolgens zonder reden te stoppen als klagers advocaat. De raad overweegt hierover het volgende. Hoewel voorstelbaar is dat klager het gevoel heeft gehad dat hij door verweerder aan het lijntje werd gehouden in de maanden dat verweerder de zaak onder zich had, heeft verweerder afdoende onderbouwd dat en waarom er wat hem betrof geen zienswijze moest worden ingediend en pas echt inhoudelijk naar de zaak kon worden gekeken nadat de Afdeling uitspraak had gedaan in klagers tweede asielaanvraag. Zoals reeds volgt uit overweging 5.6 van deze beslissing, is het niet aan de tuchtrechter om een oordeel te geven over de vraag of dit inhoudelijk een juiste beslissing is geweest van verweerder. Over het feit dat verweerder in zijn communicatie hierover naar klager toe tekort is geschoten, heeft de raad reeds een oordeel gegeven in zijn overweging onder 5.4. Verweerder heeft toegelicht dat hij niet had voorzien dat de uitspraak van de Afdeling zo lang op zich zou laten wachten. In augustus 2019 stond verweerder op het punt om drie weken afwezig te zijn vanwege vrijwilligerswerk in het buitenland en vrij snel daarop stond een tweeweekse cursus in het buitenland gepland. De raad is van oordeel dat verweerder gelet op deze omstandigheden voldoende reden had om de zaak niet meer voor klager te behandelen. Van het zonder reden stoppen als klagers advocaat is dan ook geen sprake. Verweerder heeft klager in het gesprek op 15 augustus 2019 laten weten de naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling te verrichten werkzaamheden niet te kunnen doen. Om ervoor te zorgen dat klager hiervan zo min mogelijk nadeel ondervond, heeft hij bij brief van 16 augustus 2019 de rechtbank aangeschreven en om uitstel verzocht om de termijnen veilig te stellen. Dat de zaak door de gevolgen van het Coronavirus nog steeds niet is afgehandeld, kan verweerder niet tuchtrechtelijk verweten worden. Deze klachtonderdelen zullen dan ook ongegrond worden verklaard. 
Gedragsregel h) 
5.8    In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij door verweerders handelwijze als advocaat ernstige materiële en immateriële, lichamelijke en psychische schade heeft geleden (klager benoemt concreet huurkosten, leefgeld, reiskosten en immateriële schade). 
5.9    De raad overweegt dat een oordeel over geleden schade en de hoogte daarvan is voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter oordeelt niet over geleden schade en wijst geen schadevergoedingen toe. Ten overvloede merkt de raad op dat klager de door hem gestelde schade en het oorzakelijk verband met de wijze waarop verweerder zijn zaak heeft behandeld onvoldoende heeft onderbouwd. De raad zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren. 

6    MAATREGEL
6.1    De raad zal de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaren. Naar het oordeel van de raad is de kwaliteit van verweerders dienstverlening in de zaak van klager ondermaats geweest op het punt van de communicatie. Verweerder heeft nagelaten een opdrachtbevestiging op te stellen en heeft klager daarnaast niet geïnformeerd over belangrijke beslissingen in zijn zaak, zoals de beslissing geen zienswijze in te dienen tegen het voornemen van de IND in de derde asielaanvraag. Ook heeft verweerder nagelaten een afschrift van zijn brief aan de IND aan klager te sturen, zelfs niet nadat klager verweerder op 7 december 2018 een e-mail had gestuurd over de zienswijze. Dit alles terwijl verweerder wist, dan wel behoorde te weten, hoe belangrijk deze zaak voor klager was. Hoewel verweerder ter zitting heeft erkend steken te hebben laten vallen in zijn communicatie met klager, acht de raad desalniettemin niet met een waarschuwing te kunnen volstaan. Gelet op de ernst van meerdere gegrond verklaarde klachtonderdelen acht de raad een maatregel van berisping passend en geboden. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2    Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50,- reiskosten van klager,
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat. 

7.3    Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door. 
7.4    Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen a), b) en d) gegrond;
-    verklaart klachtonderdelen c), e), f), g) en h) ongegrond;
-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3; 
-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4;

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. H.B. de Regt en I.J. de Laat, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2022. 

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 20 juni 2022