Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TACAKN:2022:4 Accountantskamer Zwolle 21/556 Wtra AK

ECLI: ECLI:NL:TACAKN:2022:4
Datum uitspraak: 24-01-2022
Datum publicatie: 24-01-2022
Zaaknummer(s): 21/556 Wtra AK
Onderwerp:
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht over een accountant die werkzaam is bij de FIOD en in die hoedanigheid heeft meegewerkt aan een onderzoek waarbij is onderzocht of klager mogelijk schuldig was aan strafbare feiten.Klager verwijt betrokkene dat het mede door hem opgestelde proces-verbaal onjuistheden bevat en dat hij dat wist of had behoren te weten. Klager doelt specifiek op een viertal passages uit het proces-verbaal. De Accountantskamer is van oordeel dat de klacht ongegrond is. De vier passages zijn letterlijke citaten uit het civiele procesdossier waarover betrokkene beschikte en geven niet de mening van betrokkene weer. Uit de dossierstukken en wat betrokkene daarover heeft opgemerkt blijkt dat de vier passages stroken met andere onderdelen van het dossier zoals betrokkene dat destijds tot zijn beschikking had, en dat de schaarse onderdelen van dat dossier die een andere richting uitwezen van onvoldoende gewicht konden worden bevonden.

ACCOUNTANTSKAMER

 

UITSPRAAK van 24 januari 2022 op grond van artikel 38 Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) in de op 31 maart 2021 ontvangen klacht met nummer 21/556 Wtra AK van

X                                  

wonende te [plaats1]

K L A G E R

t e g e n

Y

registeraccountant

kantoorhoudende te [plaats2]

B E T R O K K E N E

advocaat: mr. A.H.T. van Gijssel te Den Haag

1.             De procedure

1.1.        De Accountantskamer heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met bijlagen
  • het verweerschrift met bijlagen
  • de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen.

1.2.        De klacht is behandeld op de openbare zitting van 11 oktober 2021. Klager is verschenen. Betrokkene is ook verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.  

2.             De feiten

2.1.        Betrokkene is sinds [datum] ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij is werkzaam voor het team [team1] van de FIOD [plaats2].

2.2.        Klager is fiscaal adviseur, onder meer werkzaam voor klanten in de entertainment business die internationaal actief zijn. Een van die klanten was [A] ([A]). Klager was met ingang van 2012 diens adviseur en is in die hoedanigheid betrokken geweest bij het opzetten van een structuur met buitenlandse vennootschappen en bankrekeningen, die bij fiscale emigratie door [A] fiscaal gunstig zou zijn. [A] was daar niet tevreden mee, is toen niet (fiscaal) geëmigreerd, en heeft de relatie in 2014 beëindigd. In 2016 heeft [A] klager gedagvaard in een civiele procedure. Bij vonnis van 15 augustus 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van [A] afgewezen op de grond dat van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming door klager van verbintenissen die voortvloeien uit de aan hem gegeven opdracht geen sprake is.

2.3.        Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst, dat klager mogelijk betrokken zou zijn bij strafbare feiten met betrekking tot een belastingaangelegenheid, is de FIOD een onderzoek gestart naar klager. In het kader van dat onderzoek is onder meer de moeder van [A], [B] ([B]) als getuige verhoord. Dit vond plaats op 15 november 2017. Bij die gelegenheid heeft [B] het procesdossier in de hiervoor in 2.2 genoemde civiele zaak aan de FIOD overgelegd.

2.4.        In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen klager is op 22 februari 2018 een aanvangsproces-verbaal opgesteld. Dit stuk is opgesteld door betrokkene en twee collega-opsporingsambtenaren.

3.             De klacht

3.1.        Betrokkene heeft volgens klager gehandeld in strijd met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. Klager verwijt betrokkene dat hij een aanvangsproces-verbaal heeft opgesteld waarvan hij wist of behoorde te weten dat het onjuistheden bevatte. Als gevolg daarvan is zijn reputatie besmeurd, zo stelt betrokkene.

4.             De beoordeling

4.1.        Het handelen en/of nalaten waarop de klacht betrekking heeft moet worden getoetst aan de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).

4.2.        Betrokkene heeft in de eerste plaats betoogd dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat hij geen professionele dienst als bedoeld in artikel 1 van de VGBA heeft verricht. Zijn werkzaamheden bestonden uit het doen van onderzoek naar signalen dat klager mogelijk schuldig was aan een of meer strafbare feiten. In dat kader heeft hij bronnen verzameld en onderzocht. Daarbij heeft hij geen controle-, beoordelings- of assurance-opdrachten, of aan assurance verwante opdrachten uitgevoerd. Betrokkene heeft kortom, zo stelt hij, op geen enkele wijze zijn vakbekwaamheid als accountant aangewend. Voor zover wel dient te worden getoetst aan het fundamentele beginsel van professionaliteit, stelt betrokkene dat geen sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen dat afstraalt op het beroep.

4.3.        In de VGBA wordt het begrip professionele dienst omschreven als ‘werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend’. Vakbekwaamheid is omschreven als ‘beschikken over en kunnen toepassen van de noodzakelijke theoretische kennis van de vakgebieden, genoemd in artikel 2 van het Besluit accountantsopleiding 2013'.

Blijkens de toelichting van de VGBA moet het begrip professionele dienst ruim worden opgevat. Zodra bij werkzaamheden vakbekwaamheid wordt aangewend is daar al sprake van.  

De Accountantskamer is van oordeel dat het onderzoek dat betrokkene heeft uitgevoerd, resulterend in het aanvangsproces-verbaal, moet worden aangemerkt als een professionele dienst. Betrokkene heeft aan de hand van informatie van onder meer de belastingdienst, het civiele procesdossier, correspondentie met de belastingdienst, het getuigenverhoor van [B] en openbare bronnen beoordeeld of er voldoende basis was voor een redelijk vermoeden dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer strafbare feiten. De vermoedelijke strafbare feiten waren overtreding van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, de Wet toezicht trustkantoren en valsheid in geschrift. Gelet op de materie heeft betrokkene naar het oordeel van de Accountantskamer bij het onderzoek gebruik gemaakt, of diende hij althans gebruik te maken van zijn vakbekwaamheid, die immers mede geacht wordt te bestaan uit kennis van belastingrecht. De klacht is dan ook ontvankelijk.

De klacht: Klager verwijt betrokkene dat hij een aanvangsproces-verbaal heeft opgesteld waarvan hij wist of behoorde te weten dat het onjuistheden bevatte. Als gevolg daarvan is klagers reputatie besmeurd.

4.4.        Klager heeft specifiek vier passages uit het aanvangsproces-verbaal op het oog, die volgens hem aantoonbaar onjuist zijn. Dat had betrokkene volgens klager kunnen weten als hij alle stukken uit het dossier in ogenschouw had genomen. Klager verwijt betrokkene dat hij de ontlastende stukken niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Betrokkene heeft daartegen ingebracht dat de betreffende vier passages letterlijke citaten zijn uit het civiele procesdossier tussen [A] en klager en in zoverre niet de mening van betrokkene weergeven. Bij het opstellen van een aanvangsproces-verbaal gaat het niet om feitenvaststelling, maar alleen om de vraag of er sprake is van een redelijke verdenking. Tot slot heeft betrokkene gesteld dat de inhoud van de betreffende passages strookt met het dossier zoals hij dat ten tijde van het onderzoek tot zijn beschikking had.

4.5.        Bij deze klacht en het daartegen gevoerde verweer stelt de Accountantskamer het volgende voorop. Bij het opstellen van een aanvangsproces-verbaal, dat ertoe dient om vast te stellen of tegen een of meer verdachten een redelijk vermoeden van schuld bestaat, dient een accountant die tevens opsporingsambtenaar is en die zijn vakbekwaamheid aanwendt (of moet aanwenden) de fundamentele beginselen in acht te nemen. Voor zover klager met zijn klacht ook een antwoord wenst te krijgen op de vraag of de accountant-opsporingsambtenaar al dan niet terecht tot de (strafrechtelijke) conclusie is gekomen dat ten aanzien van klager een redelijk vermoeden van schuld bestond, staat die niet ter beoordeling van de Accountantskamer (vlg. CBb 4 december 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:650)).

4.6.        De Accountantskamer bespreekt hierna de op de vier passages betrekking hebbende klachtonderdelen.

Passage 1: “Het was [X] voorts bekend dat [voornaam1]’ partner de Braziliaanse nationaliteit had, en met [voornaam1] samenwoonde in Nederland”.

4.7.        Klager stelt dat betrokkene wist dat zij niet samenwoonden, wat volgens klager blijkt uit een e-mailbericht van [B] van die strekking. Dit bericht, van 11 januari 2013, zat in het dossier waarover betrokkene beschikte.

4.8.        De Accountantskamer stelt voorop dat passage 1 in het aanvangsproces-verbaal niet wordt gepresenteerd als eigen vaststelling of conclusie van de verbalisanten (onder wie betrokkene), maar als citaat uit de dagvaarding in de civiele procedure tussen [A] en klager. De Accountantskamer begrijpt dat klager [A] heeft geadviseerd fiscaal te emigreren, zodat hij minder of geen inkomstenbelasting in Nederland hoefde te betalen. Emigratie door [A] zou echter meebrengen dat zijn vriendin, die met een verblijfsvergunning in Nederland verbleef op (mede) de grond dat zij bij hem stond ingeschreven, deze vergunning zou kwijtraken. [B] heeft klager in januari 2013 inderdaad medegedeeld dat de vriendin niet meer met [A] samenwoonde (maar nog wel op diens adres ingeschreven stond).

4.9.        De dag na ontvangst van dit e-mailbericht heeft klager zijn collega om advies gevraagd. In die e-mail stelt hij echter onomwonden dat [A] en zijn vriendin bij elkaar wonen. De stiefvader van [A] heeft klager per e-mail medegedeeld dat sprake was van samenwoning. Dat was medio 2014. Beide e-mails bevonden zich in het dossier van betrokkene. De Accountantskamer is gelet op het voorgaande van oordeel dat het dossier waarover betrokkene beschikte voldoende aanknopingspunten bood voor het vermoeden dat passage 1 juist was, althans geen basis geeft aan de stelling van klager dat betrokkene wist of moest weten dat deze passage onjuist was.

Passage 2: “[X] was als enige bevoegd op de [Bank1] bankrekeningen (onder het mom dat [voornaam1] gescheiden moest blijven van zijn onderneming) die liepen over de Kanaaleilanden en die gevoed werden vanuit Cyprus”.

Passage 3: “[voornaam1] kon dus niet meer bij zijn eigen geld, en was afhankelijk van [X] en [C], die natuurlijk rekeningen stuurden voor hun diensten. De werkzaamheden van [X] zagen nagenoeg uitsluitend op het administratieve werk dat hij voor zichzelf en betrokken partijen had gecreëerd”.

4.10.      Klager stelt dat de bewuste passages de indruk wekken dat hij door middel van gekunstelde constructies geldstromen van zijn cliënten beheerde en ze op kosten joeg door zichzelf als tussenpersoon op te dringen en daarvoor te declareren. Dat dit niet zo is blijkt ook wel uit de verklaring van [B] van 2020, waarin zij haar eerdere beweringen op dit punt nuanceert, aldus klager.

4.11.      Ook passages 2 en 3 komen (met bronvermelding) uit de dagvaarding in de civiele procedure tussen [A] en klager. Betrokkene heeft op de zitting verklaard dat hij geen stukken heeft gezien die de juistheid van – in elk geval – passage 2 ontkrachten. Dat [B] haar verklaring een aantal jaren later wijzigde is niet relevant omdat dit ruim na het opmaken van het aanvangsproces-verbaal plaatsvond. Verder heeft betrokkene verklaard dat sprake was van verschillende bankrekeningen. Zo waren er twee rekeningen bij [Bank1], een Euro-rekening en een pond Sterling-rekening.

4.12.        Met betrekking tot de passages 2 en 3 overweegt de Accountantskamer dat zich in het dossier diverse e-mailberichten bevinden die met deze passages in lijn zijn. Zo schrijft een medewerker van [onderneming1] op 16 april 2013 aan [B] (en klager in de CC):

“Hi [voornaam2], are these receipts for things which have already been paid for? I’m not sure how [voornaam3]will want to deal with these, [voornaam3]?

FYI, [Bank1] sterling (GBP) personal account will be open this week, but i also need to open certain type of international currency account where by [voornaam1] can have full access to his personal EUR account and debit card linked to HIS EUR account as well. Just the normal personal currency account doesn’t offer the facility of online banking for currency accounts or debit card, this is for the sterling account only. This international account van be opened once the personal UK  current account is active”.

4.13.      Op 29 april 2013 12:57 vraagt [onderneming1] aan [C], tevens gericht aan klager:

“How can we get [voornaam1] some EUR so that he can pay for personal things and what would be the quickest and easiest way? ”

4.14.      Op 12 juli 2013 schrijft [onderneming1] aan [C]:

“[voornaam4], finally we activated the [Bank1] EUR account yesterday and below are the bank account details in order to start paying [voornaam1] his salary”.

4.15.      Op 27 mei 2014 stuurt klager de volgende email aan [C]:

“[voornaam4], This list I need to pay every month. It is all for [voornaam1] housing. Can you pay or shall I pay it (but you have to fund [Bank1] then)”.

4.16.      Verder bevinden zich bij de gedingstukken een verzoek van [B] aan klager om een nota voor de tennisles van [A] te betalen en diverse e-mails van [B] aan klager waarin zij zich erover beklaagt dat de door klager bedachte gang van zaken rondom de financiën van haar zoon niet werkt: hij kan zelf geen betalingen doen en krijgt steeds verhogingen van facturen bij de aanmaningen omdat degenen die voor hem moeten betalen dat niet tijdig doen.

4.17.      De Accountantskamer is van oordeel dat betrokkene uit de hierboven aangehaalde berichten kon afleiden dat [A] via de [Bank1] sterling-rekening niet zelf betalingen kon doen en dat hij daarvoor van derden, waaronder klager, afhankelijk was. Klager heeft dat ook niet met zoveel woorden ontkend. Wel heeft hij aangevoerd dat [A] ook over een [Bank1] EURO-rekening beschikte, waar hij wel bij kon, maar dat is niet in tegenspraak met passage 2 of 3.

Ook blijkt uit de gedingstukken dat klager geruime tijd bezig is geweest om te zoeken naar een oplossing voor het probleem dat [A] zelf geen betalingen kon doen. Dat betrokkene wist of behoorde te weten dat passages 2 en/of 3 onjuist waren, kan de Accountantskamer op basis van het voorgaande in elk geval niet vaststellen. Dit onderdeel van de klacht is eveneens ongegrond.

Passage 4: [X] heeft vennootschappen opgericht in Cyprus voor [A]”.

4.18.      Volgens klager is deze passage niet juist en heeft [A] de Cypriotische vennootschappen zelf opgericht. Klager heeft alleen de oprichtingsaktes aan [A] toegestuurd met het verzoek deze te ondertekenen. 

4.19.      Betrokkene heeft daartegen ingebracht dat de paragraaf waarin passage 4 voorkomt niet ziet op de vraag wie de Cypriotische vennootschappen formeel heeft opgericht. Het oprichten van een vennootschap in het buitenland is op zichzelf beschouwd immers niet strafbaar. Voor de verdenking was van belang dat klager betrokken leek te zijn bij het oprichten van vennootschappen die vervolgens werden gebruikt bij mogelijk illegale belastingstructuren en trustdiensten.

4.20.      De Accountantskamer stelt vast dat in de betreffende paragraaf in het aanvangsproces-verbaal naast de bewuste passage 4 ook een passage is opgenomen waarin staat dat klager Cypriotische vennootschappen liet oprichten. Alle informatie is afkomstig uit het verhoor van [B] en uit het civiele procesdossier. Daarnaast heeft de FIOD informatie uit andere bronnen geraadpleegd en in het aanvangsproces-verbaal opgenomen. Deze informatie heeft betrekking op (trust)diensten die klager zou hebben verleend aan een aantal andere, met naam genoemde personen die werkzaam zijn in de internationale entertainmentbusiness. Uit dit geheel van bevindingen is het vermoeden ontstaan dat klager zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van trustdiensten zonder de benodigde vergunning. De opmerking van betrokkene dat klager vennootschappen heeft opgericht (of heeft laten oprichten) moet dan ook worden bezien in het licht van alle overige bevindingen en heeft op zich zelf geen doorslaggevende betekenis.

4.21.      De klacht is, gelet op bovenstaande overwegingen, ongegrond.

5.             De beslissing

De Accountantskamer:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.W. Frieling, voorzitter, mr. I.F. Clement en mr. J.N. Bartels (rechterlijke leden) en P. Mansvelder RA en drs. J. Kalisvaart AA (accountantsleden), in aanwezigheid van mr. P.A.M. Spreuwenberg, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2022.

_________                                                                                                                       __________

secretaris                                                                                                                           voorzitter

Deze uitspraak is aan partijen verzonden op:_____________________________

Op grond van artikel 43 Wtra kan tegen deze uitspraak binnen 6 weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld door middel van het indienen van een beroepschrift bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (adres: Postbus 20021, 2500 EA  Den Haag). Het beroepschrift moet de gronden van het beroep bevatten en moet zijn ondertekend.