Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORSHE:2021:27 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2021/13

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2021:27
Datum uitspraak: 15-11-2021
Datum publicatie: 11-01-2022
Zaaknummer(s): SHE/2021/13
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klagers verwijten de notaris dat hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van erflaatster bij het opmaken van haar laatste testament. Verder verwijten klagers de notaris dat het totaalbedrag van de twee declaraties met betrekking tot het testament onredelijk hoog is en dat de notaris in zijn hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder in erflaatsters nalatenschap onzorgvuldig heeft gehandeld.De kamer heeft de klacht niet-ontvankelijk verklaard voor zover deze ziet op het verzoek om “een creditnota op de wanprestaties” van de notaris. De klacht is voor het overige ongegrond verklaard.

Klachtnummer    : SHE/2021/13

Datum uitspraak : 15 november 2021

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:


1) [klager] (hierna: klager),

wonende in [woonplaats], mede namens,

2) [klaagster] (hierna: klaagster),

wonende in [woonplaats] ([land]),

(hierna samen: klagers),

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats],

gemachtigde: mevrouw mr. M.P.L.M. Buijsrogge, advocaat in Arnhem.

1.          De procedure


1.1.      Bij e-mail van 18 maart 2021 (met bijlagen) aan de kamer voor het notariaat (de kamer) heeft klager, mede namens klaagster, een klacht geformuleerd tegen de notaris.

1.2.      De notaris heeft bij brief van 26 april 2021 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend. Dit verweerschrift is op 3 mei 2021 door de kamer ontvangen.

1.3.      Bij brief van 16 augustus 2021 heeft de kamer aan klager meegedeeld dat uit het klaagschrift volgt dat hij mede namens klaagster klaagt en dat hij een machtiging dient in te dienen, waaruit blijkt dat klager mede namens klaagster deze klachtprocedure mag voeren.

1.4.      Bij e-mail van 9 september 2021 heeft de gemachtigde van de notaris de bijlagen 1 tot en met 9 ingediend.

1.5.      De klacht is behandeld tijdens de openbare zitting van de kamer van 20 september 2021, waarbij klager, de notaris en de gemachtigde van de notaris zijn verschenen. Klager heeft een machtiging van klaagster overgelegd, waaruit blijkt dat hij mede namens klaagster deze klachtprocedure mag voeren. Partijen hebben hun visie op de klacht over en weer toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities die zij aan de kamer hebben overhandigd.

1.6.      Tijdens de mondelinge behandeling heeft klager het klachtonderdeel dat betrekking had op de aangifte erfbelasting ingetrokken.

2.          De feiten

De klacht gaat over het laatste testament van de (groot)moeder van klagers en over het handelen van de notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder in (groot)moeders nalatenschap. Voor de beoordeling van de klacht acht de kamer de volgende feiten van belang.

2.1.      De (groot)moeder van klagers, [erflaatster] (hierna: erflaatster), is gehuwd geweest met de (groot)vader van klagers, [erflater] (hierna: erflater). Uit dit huwelijk zijn vier zonen geboren, te weten:

  • klager;
  • de heer [A] (hierna: [A]);
  • de heer [B] (hierna: [B]);
  • de heer [C] (hierna: [C]).
  •  

2.2.      Erflater is op [datum] 2003 overleden. Bij zijn laatste testament heeft erflater, onder gebruikmaking van de door artikel 4:1167 (oud) van het Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid, een verdeling van zijn nalatenschap gemaakt, waarbij hij aan erflaatster alle tot zijn nalatenschap behorende activa heeft toebedeeld. Tot de aan erflaatster toebedeelde activa behoorde onder meer de woning aan de [adresgegevens] (hierna: de woning). Klager en zijn broers hebben een vordering verkregen uit de ouderlijke boedelverdeling op erflaatster.

2.3.      Op 3 juli 2014 heeft de notaris een akte gepasseerd, waarbij erflaatster een algehele volmacht heeft verleend aan klager om haar te vertegenwoordigen. Tot het najaar van 2016 heeft klager de financiële belangen van erflaatster behartigd.

2.4.      Medio 2016 heeft erflaatster een hersenbloeding gekregen en is zij achtereenvolgens opgenomen in het ziekenhuis en in een revalidatiecentrum. Vervolgens is zij naar een verzorgingstehuis verhuisd. De woning werd sindsdien niet meer bewoond.

2.5.      In datzelfde jaar heeft [C] de notaris benaderd om onder meer een testament op te maken voor erflaatster.

2.6.      De notaris heeft op 10 oktober 2016 een gesprek met erflaatster gevoerd, in het bijzijn van een op zijn kantoor werkzame kandidaat-notaris en een kennis/vertrouweling van erflaatsters familie, de heer [D] (hierna: [D]). De verhoudingen binnen de familie waren op dat moment al ernstig verstoord.

2.7.      Bij brief van 18 oktober 2016 heeft de notaris onder meer het volgende aan erflaatster te kennen gegeven:

“Graag wil ik u met deze brief informeren over de gang van zaken betreffende het opstellen van uw testament, levenstestament en de intrekking van de eerder door u verleende volmacht.

Een soortgelijke brief stuur ik – indachtig uw verzoek om uw vertrouwenspersonen steeds op de hoogte te houden – met gelijke post aan de heer [D] en uw kleindochter, mevrouw [E].

Naar aanleiding van ons gesprek van maandag 10 oktober jongstleden hebben wij, aangezien ons werd verzocht het dossier met de nodige voortgang te behandelen, reeds de dag daarop de concept-akten opgesteld.

Hoewel ik mij ervan bewust ben dat het volgende punt wellicht als vervelend kan worden ervaren, is het mijn taak u het volgende toch even voor te leggen. Mocht u dit onverhoopt als grievend ervaren dan verontschuldig ik mij daarvoor bij voorbaat.

In mijn rol als notaris dien ik mij ervan te overtuigen dat degene voor wie ik de akte opmaak zich voldoende bewust is van de inhoud en gevolgen van zijn of haar handelen. Met andere woorden: ik moet mij ervan vergewissen dat u ook onder de gegeven omstandigheden voldoende wilsbekwaam bent.

In eerste instantie zal ik als notaris deze inschatting zelf maken aan de hand van mijn eigen waarnemingen en inschatting. Dit heb ik bij genoemd gesprek ook gedaan. Ofschoon u op mij bij het gesprek een heldere indruk maakte, viel het mij op dat u meermaals uitvoerig terugblikte op uw ervaringen rondom uw jeugd, met name uw ervaringen in de periode van de tweede wereldoorlog en de periode daarvoor. Daarbij komen de omstandigheden binnen uw familie, die u duidelijk raakten, en het feit dat u een eerder gemaakte volmacht herroept, om deze te vervangen door een andere.

Onze beroepsorganisatie kent daarbij een protocol dat moet worden gevolgd om zoveel mogelijk te voorkomen dat later twijfel rijst over de wilsbekwaamheid.

Dit protocol wordt gevolgd uit hoofde van de zorgvuldigheid en zal moeten uitsluiten dat er indicaties zijn dat er in de sfeer van de wilsbekwaamheid meer aan de hand is.

Normaliter zou ik bij de behandelend arts nadere informatie inwinnen. Evenwel, nu ik heb begrepen dat ook de behandelend arts met betrekking tot haar waarneming op dit vlak wordt bekritiseerd, dien ik op grond van voormeld protocol een andere deskundige te vragen die mij kan bevestigen dat u in deze voldoende wilsbekwaam kunt handelen. Hiervoor bestaat een Vereniging van indicerende en adviserende artsen (VIA), die juist hiervoor in het leven is geroepen.

Ik ben dan ook voornemens om een arts in te schakelen die verbonden is aan genoemde vereniging, ter bevestiging van mijn oordeel. Middels deze brief wil ik u verzoeken mij te bevestigen dat u instemt met de voorgestelde werkwijze. (…)”

2.8.      Erflaatster heeft op 9 november 2016 een onderzoek ondergaan door een geregistreerde VIA-arts, [F]. De VIA-arts heeft op 10 november 2016 onder meer het volgende schriftelijk verklaard:

“Ondergetekende verklaart op verzoek van [de destijds op het kantoor van de notaris werkzame kandidaat-notaris] als onafhankelijk arts op basis van eigen onderzoek en bevindingen tijdens een huisbezoek d.d. 9 november 2016, van oordeel te zijn dat

[erflaatster]

(…)

gelet op haar lichamelijke en geestelijke toestand in staat wordt geacht om haar belangen naar behoren te behartigen.

In de gegeven situatie is vermeldenswaard dat er stoornissen en beperkingen op lichamelijk gebied zijn. Het begripsvermogen, de oriëntatie en de geheugenfunctie zijn niet verstoord. Cognitief functioneert mevrouw op goed niveau.

Bij het ter sprake brengen van haar wilsverklaring, vertelde mevrouw dat ze hierover afspraken met de notaris wilde maken. Ze vertelde daarbij enkele details en achtergronden en redenen om dat te willen regelen. Haar wens tot het opmaken van een notariële akte beschouw ik medisch gezien als duidelijk, zijnde haar uitdrukkelijke wil.”

2.9.      Bij akte van 17 november 2016, verleden voor de notaris, heeft erflaatster de op 3 juli 2014 aan klager verleende algehele volmacht herroepen. Op dezelfde dag heeft de notaris het testament van erflaatster gepasseerd, waarbij erflaatster voor het laatst over haar nalatenschap heeft beschikt. Het testament is in tegenwoordigheid van twee getuigen gepasseerd. Bij dit testament heeft erflaatster alle eerder gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen en heeft zij (kort gezegd) het volgende vastgelegd.

  • Zij heeft een ring, een wandelstok en haar juwelen aan verschillende familieleden gelegateerd.
  • Zij heeft onder de verplichting tot afgifte van deze legaten haar kleinkinderen tot haar enige erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel.
  • Zij heeft haar kinderen verzocht om te berusten in haar uiterste wil en geen beroep te doen op hun legitieme portie.
  • Zij heeft haar kleindochter [E] (de dochter van [C]) en de notaris tot executeurs en afwikkelingsbewindvoerders benoemd en bepaald dat zij zelfstandig bevoegd zijn om hun werkzaamheden te verrichten.
  • Zij heeft in artikel 4.11 van haar testament bepaald dat het afwikkelingsbewind ieder van de executeurs:
  1. de bevoegdheid geeft om onder meer registergoederen te verkopen en te leveren;
  2. de bevoegdheden geeft die aan hen zouden toekomen indien zij boedelgevolmachtigde zouden zijn van alle erfgenamen met alle bevoegdheden om de nalatenschap in zijn geheel af te wikkelen en te verdelen.

2.10.     Bij brief van 18 november 2016 heeft de notaris op verzoek van erflaatster aan klager bericht dat erflaatster de op 3 juli 2014 aan klager verleende volmacht op 17 november 2016 heeft ingetrokken. Ook heeft de notaris op verzoek van erflaatster de verklaring van de VIA-arts bijgevoegd.

2.11.     Vervolgens zijn de financiële belangen van erflaatster behartigd door [C] en/of [E].

2.12.     Erflaatster is op [datum] 2019 overleden. Op grond van haar laatste testament heeft zij haar kleinkinderen als haar enige erfgenamen achtergelaten, zijnde:

  • de twee dochters van klager, te weten klaagster en [G];
  • de zoon van [B], te weten [H];
  • de zoon en dochter van [C], te weten [I] en [E]. 

De kleinkinderen hebben erflaatsters nalatenschap aanvaard.

2.13.     Klager en zijn drie broers hebben ieder een beroep gedaan op hun legitieme portie.

2.14.     Gelet op de gespannen familieverhoudingen heeft [E] de benoeming tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder, mede op advies van de notaris, niet aanvaard. De notaris heeft zijn benoeming tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder wel aanvaard.

2.15.     Tot de nalatenschap van erflaatster behoren onder meer de woning en de vorderingen van klager en zijn broers uit de ouderlijke boedelverdeling van erflater.

2.16.     De notaris heeft de woning op 17 juli 2020 aan een derde (hierna: de koper) verkocht voor een koopprijs van € 320.000,--. De akte waarbij de woning is geleverd aan de koper is op 21 september 2020 (door een andere notaris) gepasseerd. Bij de verkoop en levering is de notaris opgetreden in zijn hoedanigheid van executeur/afwikkelingsbewindvoerder in erflaatsters nalatenschap.

2.17.     Tussen de legitimarissen/erfgenamen bestaat onenigheid over de wijze waarop klager en/of [C] en/of [E] de financiële belangen van erflaatster hebben behartigd. [A] en [B] hebben op 29 juli 2020 aangifte gedaan van verduistering tegen [C], [E] en [I].    

2.18.     De notaris heeft de belastingdienst meerdere keren verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de aangifte erfbelasting. De belastingdienst heeft deze verzoeken tweemaal gehonoreerd. Toen de belastingdienst geen uitstel meer verleende, heeft de notaris de aangifte erfbelasting verzorgd en daarbij een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de omvang van de vorderingen/erfdelen van de legitimarissen/erfgenamen. De vorderingen van klager en zijn drie broers uit de ouderlijke boedelverdeling van erflater zijn op grond van een schatting vastgesteld.

2.19.     Op 18 maart 2021 hebben klagers de onderhavige klacht ingediend bij de kamer.

2.20.     Bij e-mail van 6 augustus 2021 heeft de notaris de legitimarissen en erfgenamen meegedeeld dat hij van zijn bevoegdheid gebruik zal maken om een andere executeur in zijn plaats te stellen. In de e-mail staat onder meer het volgende vermeld:

“Zoals u bekend is, ben ik genoodzaakt geweest de verdere afwikkeling van de nalatenschap door mij voorlopig op te schorten, nu er een klacht bij de Kamer voor het Notariaat tegen mij als executeur is ingediend. In die klacht is uitdrukkelijk aangegeven dat het vertrouwen in mij als executeur ontbreekt.

Ongeacht de uitkomst van de zaak bij de tuchtrechter, moet worden voorkomen dat binnen de nalatenschap waarin de onderlinge verhoudingen reeds ernstig verstoord zijn ik mede onderdeel van de discussie word, dan wel dat door de klacht de verdere afwikkeling onnodig wordt vertraagd. Na overleg met een aantal collega’s is het onder deze omstandigheden noodzakelijk dat een andere executeur de behandeling van mij overneemt.” 

2.21.     Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de notaris te kennen gegeven dat de indeplaatsstelling van een andere executeur een dag later zou plaatsvinden.

3.          De klacht

3.1.      De klacht valt - na eerder onder 1.6. genoemde intrekking van het klachtonderdeel met betrekking tot de aangifte erfbelasting - (kort gezegd) uiteen in de volgende onderdelen.

1. Klagers verwijten de notaris dat:

  1. hij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster bij het opmaken van haar laatste testament. Klagers hebben in dat verband gewezen op de hoge leeftijd van erflaatster (destijds was ze 93 jaar), het feit dat ze kort daarvoor een hersenbloeding had gekregen, ze een zeer zwaar oorlogstrauma had, ze de Nederlandse taal nauwelijks machtig was en niet begreep en dat zij door [C] werd beïnvloed;
  2. het totaalbedrag van de twee declaraties met betrekking tot het testament onredelijk hoog is.

2. Klagers verwijten de notaris dat hij in zijn hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder in erflaatsters nalatenschap onzorgvuldig heeft gehandeld. Concreet houden deze verwijten in dat de notaris:

  1. geen informatie geeft en niet overlegt;
  2. de woning aanvankelijk ver onder de prijs wilde verkopen;
  3. de woning en de tuin heeft laten verloederen, waardoor een waardedaling van geschat € 30.000,-- is ontstaan;
  4. geen boedelbeschrijving heeft opgemaakt en dat kostbare meubels door een opkoper tegen hoge kosten zijn verwijderd;
  5. kostbare goederen (zoals huishoudelijke apparaten, tv, wasmachine, sieraden en auto’s) heeft laten verdwijnen, terwijl de notaris weet waar deze goederen zijn;
  6. zijn rekeningen niet specificeert en/of inzichtelijk maakt;
  7. geen zorg draagt voor een spoedige verdeling van de erfenis;
  8. geen klachtenregeling heeft of daar niet naar verwijst en overleg niet mogelijk is gebleken.  

3.2.      In het klaagschrift staat verder vermeld: “Wij hebben in [de notaris] geen enkel vertrouwen (…) en eisen dan ook een creditnota op zijn wanprestaties.”

3.3.      De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

Reikwijdte van het tuchtrecht

4.1.      Op grond van artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

4.2.      Voor zover klagers de kamer verzoeken om een “creditnota op de wanprestaties” (zie 3.2.) van de notaris”, overweegt de kamer dat de Wna niet in deze mogelijkheid voorziet. Klagers zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in dit verzoek.

Belang klagers

4.3.      Bij de beoordeling van de vraag of de klacht van klagers ontvankelijk is, stelt de kamer voorop dat op grond van artikel 99 lid 1 Wna ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht kan indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat. De wetsgeschiedenis vermeldt hierover:

“(…) Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep. (…)” (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27).

4.4.      De klacht gaat over de handelwijze van de notaris bij het opmaken van erflaatsters testament en over de handelwijze van de notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder met betrekking tot erflaatsters nalatenschap. Bij de handelwijze van de notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder zijn klagers rechtstreeks betrokken. Hoewel klagers niet rechtstreeks betrokken zijn geweest bij de handelwijze van de notaris ten aanzien van het opmaken van erflaatsters testament, is de kamer van oordeel dat zij als (klein)kind en legitimaris/erfgename van erflaatster een indirect/afgeleid belang hebben.

De notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder

4.5.      Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden.

4.6.      In deze zaak heeft de notaris mede gehandeld in hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder. Naar het oordeel van de kamer houden de gedragingen van een executeur/afwikkelingsbewindvoerder voldoende verband met het daarbij passende gedragsniveau van een notaris, zodat de notaris zich ook voor zijn handelen als executeur/ afwikkelingsbewindvoerder tuchtrechtelijk moet verantwoorden.

Ter zitting door klager ingediende bijlagen

4.7.      Ter zitting heeft klager nieuwe bijlagen aan de kamer overhandigd (bestaande uit een e-mail die was gehecht aan de pleitaantekeningen en een rapport van de Nationale ombudsman). Aangezien deze bijlagen te laat zijn ingediend en de notaris ingeval van toelating van deze bijlagen in zijn procesrechtelijke belangen zou worden geschaad, heeft de kamer besloten deze bijlagen buiten beschouwing te laten bij de beoordeling van de klacht.           

Klachtonderdeel 1

a. de notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid en onafhankelijke wilsvorming van erflaatster

4.8.      De vraag is aan de orde of de notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflaatster en of hij voldoende heeft gewaarborgd dat erflaatster haar wil op onafhankelijke wijze - zonder beïnvloeding van [C] - aan de notaris heeft kunnen overbrengen.

4.9.      Bij de beoordeling van deze vraag stelt de kamer voorop dat als uitgangspunt geldt dat een ieder aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd rechtshandelingen kan verrichten. Een notaris moet in beginsel zijn/haar ministerie (dienst) verlenen en moet op verzoek van de betrokken cliënt doen wat nodig is om bijvoorbeeld, zoals in dit geval, een testament in een akte vast te leggen. Daarbij rust op een notaris een zwaarwegende zorgplicht om te onderzoeken of is voldaan aan de in de wet gestelde vereisten voor het intreden van de rechtsgevolgen die worden beoogd met de rechtshandelingen die in de akte zijn opgenomen. In dat kader moet een notaris onder meer nagaan of de betrokken cliënt in staat is zich een op een rechtsgevolg gerichte wil te vormen in de zin van het bepaalde bij artikel 3:33 BW en dat de inhoud en de gevolgen van een te ondertekenen akte daarmee in overeenstemming zijn.

4.10.     Een notaris moet bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van de betrokken cliënt primair uitgaan van zijn/haar eigen waarneming als niet bekend is, en er ook geen aanwijzingen zijn, dat de cliënt lijdt aan een ziekte die de wilsbekwaamheid kan beïnvloeden. Daarbij heeft een notaris een zekere mate van beoordelingsvrijheid. Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid van de cliënt en/of als aanleiding bestaat om te vermoeden dat mogelijk sprake is van beïnvloeding door derden, is in het algemeen verder onderzoek aangewezen. Het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) biedt hiervoor een handreiking. In het Stappenplan staan indicatoren vermeld die aanleiding kunnen vormen voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid. Indien een notaris - ook al heeft hij/zij kennis van het bestaan van één of meerdere indicatoren - geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de cliënt, behoeft het Stappenplan niet te worden gevolgd. Daarbij zal het in belangrijke mate aankomen op zowel de inhoud van de gesprekken die een notaris met de cliënt voert, als de wijze waarop de cliënt zich daarbij presenteert.

4.11.     Klagers hebben naar voren gebracht dat erflaatster ten tijde van het passeren van het testament de hoge leeftijd van 93 jaar had, dat zij een paar maanden daarvoor een hersenbloeding had gekregen, dat ze een zeer zwaar getraumatiseerd Joods-Pools oorlogsslachtoffer en kwetsbaar was en dat [C] haar heeft gedwongen om haar testament ten gunste van haar kleinkinderen te herzien. Klagers wijzen er bovendien op dat erflaatster slecht zag en dat zij de Nederlandse taal nauwelijks machtig was en niet begreep. Bovendien slikte erflaatster elke dag paracetamol (met onder meer de bijwerkingen verwarring en zichtproblemen) en temazepam (een snel werkend slaapmiddel met als bijwerkingen nieuwe of verergerde depressiviteit, hallucinaties en geheugenverlies).   

4.12.     De notaris heeft erop gewezen dat hij erflaatster op 10 oktober 2016 samen met een kandidaat-notaris heeft bezocht in het verzorgingstehuis. Volgens erflaatster had [C] die afspraak in haar opdracht gemaakt. De notaris heeft een goed verstaanbaar gesprek met erflaatster gevoerd van ruim anderhalf uur. Naast de kandidaat-notaris was daarbij op verzoek van erflaatster ook [D] aanwezig. Erflaatsters mening was duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Gelet op haar hoge leeftijd en om mogelijke toekomstige discussies over erflaatsters geestelijke gesteldheid te voorkomen, heeft erflaatster zich op advies van de notaris onderworpen aan een onderzoek door een onafhankelijke geregistreerde VIA-arts. Dat onderzoek heeft op 9 november 2016 plaatsgevonden en had blijkens de verklaring van de VIA-arts van 10 november 2016 als uitkomst dat erflaatster geacht moest worden volledig “compos mentis” te zijn. Volgens de notaris is erflaatsters testament op 17 november 2016 overeenkomstig de door erflaatster kenbaar gemaakte wensen, ingegeven door de verstoorde familieverhoudingen, verleden. Het was de uitdrukkelijke wens van erflaatster om haar vier zonen te onterven en haar vijf kleinkinderen te benoemen tot erfgenamen. Bij de passeerafspraak waren, naast twee getuigen, geen anderen aanwezig. Uit het testament volgt dat de notaris, na voorlezing van het testament, aan erflaatster heeft gevraagd of het voorgelezene haar wil bevat, waarop erflaatster bevestigend heeft geantwoord. De notaris heeft naar eigen zeggen tweemaal uitvoerig met erflaatster gesproken. Erflaatster had weliswaar een zwaar accent, maar kon zich goed in woord uitdrukken. De eerdere notariële volmacht van erflaatster aan klager is overigens ook zonder enige twijfel aan haar kennis van de Nederlandse taal door de notaris gepasseerd.

4.13.     De kamer overweegt het volgende. Vast staat dat (het vermogen van) erflaatster niet onder bewind of curatele was gesteld, zodat het haar in beginsel vrij stond rechtshandelingen te verrichten. Hoewel erflaatster op leeftijd was, is het de notaris niet gebleken dat zij daardoor niet in staat was om haar wil te bepalen. De notaris heeft naar voren gebracht en onderbouwd dat hij de wilsbekwaamheid van erflaatster zelf heeft beoordeeld en dat erflaatster de Nederlandse taal machtig was. Klagers hebben de verklaringen van de notaris niet gemotiveerd bestreden. Daarbij neemt de kamer mede in aanmerking dat de wilsbekwaamheid van erflaatster kort voor het passeren van het testament op advies van de notaris is beoordeeld door een VIA-arts. Uit de verklaring van deze arts blijkt dat erflaatster werd geacht wilsbekwaam te zijn om haar testament op te maken. Bovendien heeft de notaris zich overeenkomstig de aanbeveling uit het Stappenplan bij zijn uiteindelijke besluitvorming over de wilsbekwaamheid van erflaatster tijdens het passeren van het testament in het verzorgingstehuis laten bijstaan door twee getuigen. Daarom gaat de kamer uit van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, op basis waarvan de kamer van oordeel is dat de notaris in de gegeven situatie voldoende alert is geweest op de wilsbekwaamheid van erflaatster.

4.14.     In verband met de vraag of de notaris (ook) voldoende alert is geweest op de mogelijkheid van beïnvloeding van erflaatster door [C], overweegt de kamer dat het tot de kernverantwoordelijkheid van een notaris behoort om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van degene die een akte tekent. Een notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene bij het vormen en uiten van zijn of haar wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Een notaris heeft de vrijheid om te bepalen op welke wijze hij/zij uitvoering geeft aan deze verantwoordelijkheid.

4.15.     In aanvulling op hetgeen hiervoor onder 4.11. staat vermeld, stellen klagers dat [C] en zijn familie bezoek aan erflaatster in het verzorgingstehuis (waar [C] eerder had gewerkt) en telefonisch contact met haar jarenlang onmogelijk hebben gemaakt. Zij hebben erflaatster bovendien financieel misbruikt.

4.16.     De notaris voert aan dat hij op grond van de hiervoor onder 4.12. omschreven omstandigheden geen enkele reden had om in oktober en november 2016 te twijfelen aan de onafhankelijke wilsvorming van erflaatster.

4.17.     Mede gelet op het hiervoor in 4.13. overwogene is de kamer van oordeel dat de notaris voldoende zorgvuldig te werk is gegaan bij de totstandkoming van het testament van erflaatster. Bij dit oordeel neemt de kamer ook nog het volgende in aanmerking.

  • Bij de eerste afspraak met erflaatster op 10 oktober 2016 is/zijn [C] en/of zijn gezinsleden niet aanwezig geweest. [D] was bij dat eerste gesprek wel aanwezig, maar door klagers is niet gesteld dat de notaris onvoldoende heeft onderzocht of [D] erflaatster op ongewenste wijze zou hebben beïnvloed. Sterker nog, uit het verhandelde ter zitting blijkt juist dat klagers [D] als vertrouwenspersoon en gecertificeerd mediator hoog hebben zitten. Evenmin is gesteld noch gebleken dat [D] op enigerlei wijze (financieel) belang zou hebben gehad bij een nieuw testament van erflaatster.
  • Uit de brief van 18 oktober 2016 aan erflaatster blijkt dat de notaris voorafgaand aan het passeren van het testament een concept van het testament aan erflaatster heeft toegezonden. De notaris heeft erflaatster dus tijdig - namelijk ruim vóór 17 november 2016, de dag waarop het testament werd gepasseerd - in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de inhoud van het testament.
  • Gesteld noch gebleken is dat de notaris een concept van erflaatsters testament aan [C] en/of zijn gezinsleden heeft gestuurd. Zo staat in de door de notaris overgelegde brief van 18 oktober 2016, die hij naar eigen zeggen op verzoek van erflaatster aan [E] (de dochter van [C]) heeft gezonden, onder meer vermeld:

“Naar aanleiding van het gesprek van maandag 10 oktober jongstleden hebben wij, aangezien ons werd verzocht het dossier met de nodige voortgang te behandelen, reeds de dag daarop de concept-akten opgesteld.

Op de inhoud van de op te stellen akten kan ik jegens u niet verder ingaan, omdat de wet de notaris geheimhouding voorschrijft omtrent hetgeen hem door de betrokken persoon ([erflaatster]) is toevertrouwd.”

  • De notaris heeft alleen erflaatster gesproken tijdens de (passeer)afspraak op 17 november 2016. [D], [C] en/of zijn gezinsleden zijn hierbij dus niet aanwezig geweest. Daarmee heeft de notaris vóór het passeren van het testament een mogelijke beïnvloeding van derden kunnen voorkomen en heeft de notaris de inhoud van het testament kunnen verifiëren bij erflaatster.

Onder deze omstandigheden heeft de notaris naar het oordeel van de kamer een voldoende zorgvuldige invulling gegeven aan zijn taak om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van erflaatster.

4.18.     Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel 1.a. ongegrond worden verklaard.

b. het totaalbedrag van de twee declaraties met betrekking tot het testament is onredelijk hoog

4.19.     Uit de door de notaris overgelegde stukken blijkt dat hij twee declaraties bij erflaatster in rekening heeft gebracht van in totaal € 2.216,--: een voorschotdeclaratie van € 709,76 inclusief btw en een declaratie met betrekking tot de intrekking van de volmacht en het opmaken van het testament ten bedrage van € 1.506,24 inclusief btw. Voor zover klagers de notaris verwijten dat zijn twee declaraties voor het opmaken van erflaatsters testament onredelijk hoog zijn, overweegt de kamer als volgt. Voor declaratiegeschillen tot € 10.000,-- geldt de Geschillenregeling Notariaat. De kamer verwijst in dit verband naar artikel 55 lid 2 Wna in samenhang met artikel 5 van de Verordening Klachten- en geschillenregeling en artikel 2 van het Reglement Geschillencommissie Notariaat (onder meer gepubliceerd op de website van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie). De kamer kan een declaratiegeschil slechts toetsen in het licht van de hiervoor weergegeven, in artikel 93 lid 1 Wna omschreven, tuchtnorm. Aangezien klagers hebben nagelaten hun blote stelling nader toe te lichten en/of te onderbouwen, heeft de kamer onvoldoende informatie/aanknopingspunten, waarbij het op de weg van klagers ligt deze aanknopingspunten aan te dragen, om tot het oordeel te komen dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarbij speelt ook een rol dat uit de omschrijving van de tweede declaratie volgt dat deze - anders dan klagers menen - niet alleen ziet op het testament van erflaatster, maar ook op de akte waarbij de eerder aan klager verleende algehele volmacht is herroepen. Daarnaast blijkt ook uit beide declaraties dat de notaris de factuur (ten bedrage van € 401,60) van de VIA-arts heeft  voorgeschoten.

4.20.     Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel 2.a. ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel 2

4.21.     Klagers verwijten de notaris dat hij in zijn hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder in erflaatsters nalatenschap onzorgvuldig heeft gehandeld. Klachtonderdeel 2 bestaat uit verschillende subonderdelen die hierna afzonderlijk zullen worden behandeld. Allereerst zullen de subonderdelen 2.b. tot en met 2.h. worden behandeld. Subonderdeel 2.a. zal als laatste aan bod komen.

b. de notaris wilde de woning aanvankelijk ver onder de prijs verkopen; en

c. de notaris heeft de woning en de tuin laten verloederen, waardoor een waardedaling van geschat € 30.000,-- is ontstaan

4.22.     De notaris heeft aangevoerd dat hij in zijn hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder begin 2020 een plaatselijke makelaar (hierna: makelaar 1) de opdracht heeft gegeven om de woning te verkopen. Bij zijn advies over de vraagprijs is deze makelaar uitgegaan van de laatst bekende WOZ-waarde (met peiljaar 2018) van € 254.000,--. Kort daarna heeft klager de notaris geattendeerd op de meer recente WOZ-waarde (met peiljaar 2019) van € 278.000,--.

Aangezien bij onder meer klagers twijfels waren gerezen over de kunde van makelaar 1 heeft de notaris een andere makelaar (hierna: makelaar 2) opdracht gegeven om de woning te taxeren. Uit het taxatierapport van 19 mei 2020 volgt dat makelaar 2 de woning heeft getaxeerd op € 300.000,--. Vervolgens is de woning te koop gezet bij makelaar 1 voor een vraagprijs van € 300.000,-- en heeft de notaris de woning op 17 juli 2020 aan de koper, zijnde de enige serieuze gegadigde, verkocht voor een koopprijs van € 320.000,--. De notaris heeft naar eigen zeggen elk bod van de koper steeds voorgelegd aan alle legitimarissen en erfgenamen (hierna: betrokkenen).

Verder heeft de notaris aangevoerd dat de woning vanwege erflaatsters verblijf in een verzorgingstehuis ten tijde van haar overlijden al drie jaar leeg stond en dat er geen liquide middelen in haar nalatenschap zaten waarmee het onderhoud van de woning en de tuin kon worden gefinancierd. Het banksaldo van erflaatsters bankrekeningen bedroeg op de datum van haar overlijden namelijk € 134,--. Een aantal noodzakelijke kosten (waaronder de taxatiekosten, de verzekeringen en de uitvaart) was al voorgeschoten door [A]. [C] had aangegeven de tuin enigszins te “kuisen”, maar is daar volgens zijn eigen verklaring niet (meer) aan toegekomen. Geen van de andere betrokkenen heeft zich bereid verklaard om in het algemeen belang onderhoudswerkzaamheden uit te voeren. Aangezien de woning aanmerkelijk meer heeft opgebracht dan makelaar 1 en makelaar 2 hadden voorzien, is volgens de notaris niet aannemelijk dat de toestand van de woning en de tuin een negatieve invloed heeft gehad op de verkoopprijs. Daar komt bij dat de koper voornemens was om de woning deels af te breken en in zijn geheel nieuw op te bouwen/te renoveren.   

4.23.     De kamer overweegt als volgt. Klagers hebben de door de notaris geschetste gang van zaken en omstandigheden onweersproken gelaten. Tegen die achtergrond kan naar het oordeel van de kamer niet worden volgehouden dat de notaris de woning (aanvankelijk) ver onder de prijs wilde verkopen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de blote stelling van klagers dat de notaris de woning en de tuin heeft laten verloederen, waardoor een waardedaling van geschat € 30.000,-- is ontstaan. Gelet op het gemotiveerde en onderbouwde verweer van de notaris had het op de weg van klagers gelegen om nader toe te lichten en te onderbouwen dat de woning en de tuin door nalatigheid van de notaris zouden zijn verloederd en € 30.0000,-- minder zouden hebben opgebracht, hetgeen klagers hebben nagelaten. Daarbij neemt de kamer met name in aanmerking dat de woning ten tijde van erflaatsters overlijden ruim drie jaar leegstond, er geen liquide middelen in haar nalatenschap zaten waarmee het onderhoud van de woning en de tuin kon worden gefinancierd en de woning al zeven maanden na erflaatsters overlijden is verkocht.

4.24.     De klachtonderdelen 2.b. en 2.c. zullen op grond van het voorgaande ongegrond worden verklaard.

d. de notaris heeft geen boedelbeschrijving opgemaakt en heeft kostbare meubels door een opkoper tegen hoge kosten laten verwijderen; en

e. de notaris heeft kostbare goederen (zoals huishoudelijke apparaten, tv, wasmachine, sieraden en auto’s) laten verdwijnen, terwijl de notaris weet waar deze goederen zijn

4.25.     De notaris heeft ten aanzien van de boedelbeschrijving aangevoerd dat de tot de nalatenschap van erflaatster behorende vermogensbestanddelen (zijnde de woning, de bankrekening(en), de auto, de snuisterijen en sieraden) steeds in de correspondentie aan de orde zijn gekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij in dit verband onder meer gewezen op zijn brief van 20 maart 2020 aan de erfgenamen en legitimarissen.

4.26.     De kamer overweegt als volgt. In artikel 4:146 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat vermeld dat de executeur met bekwame spoed een boedelbeschrijving met inbegrip van een voorlopige staat van de schulden van de nalatenschap moet opmaken. Aan de hand van een boedelbeschrijving kan de omvang en de samenstelling van de nalatenschap worden bepaald. De vorm van de boedelbeschrijving is in principe vrij. Met de notaris is de kamer van oordeel dat zijn brief van 20 maart 2020 kan worden aangemerkt als een boedelbeschrijving. De brief bevat immers een (weliswaar summiere) opsomming van de op dat moment bij de notaris bekend zijnde baten en schulden van erflaatsters nalatenschap.

4.27.     Verder heeft de notaris aangevoerd dat hij de legitimarissen en erfgenamen bij herhaling heeft laten weten dat de woning moest worden ontruimd in verband met de levering van de woning aan de koper. De notaris heeft alle betrokkenen ook herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld om aan te geven welke goederen behouden zouden moeten blijven om te worden betrokken bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap. Bovendien heeft de notaris alle betrokkenen verzocht om de bij de verdeling te betrekken zaken op te (doen) slaan. Door [C] is een aantal zaken (met name sieraden en snuisterijen) ter verdeling aan de notaris ter hand gesteld. [A] heeft twee ladders meegenomen. Klager heeft weliswaar een aantal inboedelgoederen genoemd die enige waarde zouden vertegenwoordigen, maar hij heeft zich niet bereid getoond om die zaken op te halen dan wel op te (doen) slaan. Een bereidheid die ook ontbrak bij de overige betrokkenen. Op klagers na waren de legitimarissen, erfgenamen, de makelaar en de notaris van oordeel dat de inboedelzaken geen noemenswaardige waarde vertegenwoordigden. Uiteindelijk heeft de notaris de woning laten ontruimen en heeft hij de inboedelzaken laten afvoeren. Het ontruimingsbedrijf heeft bevestigd dat de inboedel geen noemenswaardige waarde vertegenwoordigde. Aangezien er geen liquide middelen in de nalatenschap aanwezig waren, heeft de notaris zich met betrekking tot de ontruimingskosten garant gesteld en zijn deze kosten uiteindelijk voldaan uit de verkoopopbrengst van de woning.

Erflaatster had bij haar laatste testament haar sieraden gelegateerd aan haar drie kleindochters. Aangezien de notaris er abusievelijk van uitging dat hij van klaagster geen reactie had ontvangen en zij dus geen interesse had in de sieraden, zijn de sieraden en snuisterijen aanvankelijk verdeeld tussen [G] en [E]. Later is de notaris gebleken dat klaagster via de mailbox van klager wel degelijk per mail aanspraak had gemaakt op de sieraden. De notaris heeft [G] en [E] vervolgens gevraagd om alle sieraden terug te sturen, zodat de sieraden opnieuw konden worden verdeeld. Omdat klaagster aanspraak maakte op alle sieraden hebben [G] en [E] (op één ketting na) van verdere verdeling afgezien en zijn alle (door [G] en [E] teruggezonden) sieraden doorgestuurd naar klaagster.

Ten aanzien van de auto heeft de notaris ter zitting aangevoerd dat deze op naam van een kleinzoon van erflaatster stond.

4.28.     De kamer overweegt als volgt. Gelet op het uitgebreide en concrete verweer van de notaris hebben klagers onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat de notaris kostbare meubels zou hebben laten verwijderen en/of kostbare goederen zou hebben laten verdwijnen. Het ligt op de weg van klagers aanknopingspunten aan te dragen om tot het oordeel te kunnen komen dat de notaris als executeur/afwikkelingsbewindvoerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat hebben zij nagelaten.

4.29.     Op grond van het voorgaande zullen de klachtonderdelen 2.d. en 2.e. ongegrond worden verklaard.

f. de notaris specificeert zijn rekeningen niet en/of maakt deze niet inzichtelijk

4.30.     De notaris heeft aangevoerd dat hij zijn rekeningen op de gebruikelijke wijze heeft gespecificeerd. Als bijlage 7 heeft hij een specificatie van zijn factuur van 22 september 2020 ingediend.

4.31.     Gelet op het onderbouwde verweer van de notaris heeft de kamer onvoldoende aanknopingspunten, waarbij het op de weg van klagers ligt deze aanknopingspunten aan te dragen, om tot het oordeel te komen dat de notaris zijn rekeningen niet heeft gespecificeerd/inzichtelijk gemaakt. Klachtonderdeel 2.f. zal daarom ongegrond worden verklaard.

g. de notaris draagt geen zorg voor een spoedige verdeling van de erfenis

4.32.     De notaris heeft aangevoerd dat hij meerdere keren aan de betrokkenen heeft bericht dat de verdeling van erflaatsters nalatenschap de uitkomst moet zijn van overeenstemming tussen alle betrokkenen dan wel een rechterlijk oordeel. Tussen de betrokkenen bestaat geen overeenstemming. Dat is niet aan de notaris te wijten, maar aan de verstoorde familieverhoudingen. Alle betrokkenen stellen zich onverzoenbaar op.

4.33.     De kamer overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat de notaris met ingang van 21 september 2021 een andere executeur in zijn plaats wilde stellen. Vanaf die datum is de notaris dus niet meer bevoegd om erflaatsters nalatenschap af te wikkelen en te verdelen. Hoewel de notaris tot 21 september 2021 als executeur/afwikkelingsbewindvoerder zelfstandig bevoegd was (op grond van artikel 4.11 van erflaatsters testament) om de nalatenschap in zijn geheel af te wikkelen en te verdelen, is het naar het oordeel van de kamer niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de notaris daartoe niet is overgegaan. Bij dit oordeel speelt met name een rol dat tussen klagers en de notaris niet ter discussie staat dat er in de jaren voorafgaand aan erflaatsters overlijden vele en grote geldopnamen zijn gedaan ten laste van erflaatsters bankrekening en dat [A] en [B] daarom aangifte van verduistering hebben gedaan tegen [C], [E] en [I]. Door klagers is niet weersproken dat er nog een strafonderzoek loopt tegen [C] en [E]. Tegen deze achtergrond acht de kamer het begrijpelijk en in de gegeven omstandigheden ook verantwoord dat de notaris de afloop van het strafonderzoek en een eventuele strafzaak wil(de) afwachten. Klagers hebben niet weersproken dat de notaris ook meerdere keren aan alle betrokkenen heeft bericht dat hij de verdeling van erflaatsters nalatenschap zou aanhouden, totdat er tussen de erfgenamen/legitimarissen overeenstemming is dan wel een rechterlijke uitspraak is gedaan met betrekking tot de gemaakte beschuldigingen. Voorts stond (of staat) de vordering terzake de nalatenschap van de echtgenoot van erflaatster nog niet vast, ook reden waarom de notaris niet tot verdeling kon overgaan.

4.34.     Op grond van wat hiervoor is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Integendeel: de notaris heeft door zijn hiervoor geschetste handelwijze gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en de belangen van klagers niet veronachtzaamd. De klacht zal daarom ongegrond worden verklaard.

4.35.     Het voorgaande brengt met zich dat klachtonderdeel 2.g. ongegrond zal worden verklaard.

h. de notaris heeft geen klachtenregeling of verwijst daar niet naar en overleg is niet mogelijk gebleken; en

a. de notaris voert geen overleg en verstrekt geen informatie

4.36.     De notaris heeft aangevoerd dat een “officiële” klachtenregeling in zijn geval geen waarde heeft, omdat hij de enige notaris van het kantoor is. Een eventuele klacht kan daarom uitsluitend hem als eindverantwoordelijke (voor zijn medewerkers) betreffen. Indien klagers ontevreden waren over de dienstverlening had het op hun weg gelegen om contact met de notaris op te nemen, zodat hun bezwaren in een open gesprek besproken hadden kunnen worden. Klagers hebben in de laatste periode enkel gedreigd om een klacht in te dienen over het optreden van de notaris als executeur.

Met betrekking tot de informatieverstrekking heeft de notaris aangevoerd dat hij alle hem bekend zijnde zakelijke informatie met alle betrokkenen heeft gedeeld. De notaris bestrijdt dat hij informatie zou hebben achtergehouden. Daarnaast zijn alle betrokkenen volgens hem in de gelegenheid gesteld om eventuele ontbrekende informatie op te vragen. De notaris wijst in dit verband op de door hem overgelegde correspondentie met alle betrokkenen.

4.37.     De kamer overweegt het volgende. Artikel 55 lid 2 Wna bepaalt dat bij verordening regels worden gesteld betreffende de inrichting van een algemene klachten- en geschillenregeling voor het notariaat. Artikel 2 van de Verordening Klachten- en geschillenregeling luidt als volgt: “De notaris draagt zorg voor een kantoorklachtenregeling.” In artikel 1 sub d van de verordening staat vermeld dat onder een kantoorklachtenregeling wordt verstaan: “de schriftelijk of via de website van de notaris aan de cliënt bekend gemaakte regeling die op het kantoor van de notaris geldt voor de behandeling van klachten van cliënten”.

4.38.     Hoewel de notaris heeft erkend dat hij geen kantoorklachtenregeling heeft zoals hiervoor bedoeld, is de kamer van oordeel dat hem in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Gesteld noch gebleken is namelijk dat klagers een klacht hadden willen indienen of hebben ingediend bij de notaris of zijn kantoor. De kamer ziet daarom niet in welk belang klagers bij klachtonderdeel 2.h. hebben.

4.39.     Verder overweegt de kamer dat klagers niet hebben geconcretiseerd en/of onderbouwd op welk punt/moment de notaris zou hebben nagelaten om met hen te overleggen of aan hen informatie te verstrekken. Voor zover klagers de notaris verwijten dat hij niet met hen heeft overlegd over de afwikkeling van erflaatsters nalatenschap, wijst de kamer hen op het feit dat de notaris bij de afwikkeling van erflaatsters nalatenschap de medewerking/instemming van klager niet nodig had, omdat klager legitimaris is en de notaris de medewerking/instemming van klaagster niet nodig had, omdat de executeur/afwikkelingsbewindvoerder op grond van erflaatsters testament de exclusieve afwikkelingsbevoegdheid heeft. Bovendien volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de klachtonderdelen 2.b. tot en met 2.g. dat de notaris klagers wel degelijk met regelmaat van informatie heeft voorzien en ook hun standpunten heeft meegewogen. Zo heeft de notaris bijvoorbeeld makelaar 2 opdracht gegeven om de woning te taxeren, nadat er onder meer bij klagers twijfels waren gerezen over de kunde van makelaar 1 en heeft de notaris elk bod van de koper op de woning steeds voorgelegd aan alle betrokkenen (dus ook aan klagers).

4.40.     Op grond van het voorgaande zullen de klachtonderdelen 2.h. en 2.a. ongegrond worden verklaard.

5.          De beslissing

De kamer:

5.1.      verklaart de klacht niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op het verzoek om “een creditnota op de wanprestaties” van de notaris;

5.2.      verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.F.J. Aalderink, plaatsvervangend voorzitter, mr. T. Zuidema, plaatsvervangend rechterlijk lid en mr. P.G. Heeringa, plaatsvervangend notarieel lid.

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2021 door mr. W.F.J. Aalderink , plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.