Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORSHE:2021:23 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2021/2

ECLI: ECLI:NL:TNORSHE:2021:23
Datum uitspraak: 20-09-2021
Datum publicatie: 23-09-2021
Zaaknummer(s): SHE/2021/2
Onderwerp:
  • Ondernemingsrecht
  • Overig
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie: De klacht van het BFT valt, kort gezegd, uiteen in de volgende klachtonderdelen. Het BFT verwijt de notaris dat hij heeft gehandeld in strijd met de Beleidsregel integere beroepsuitoefening (hierna: de Beleidsregel). Het BFT houdt de notaris mede verantwoordelijk voor de door de kandidaat-notaris gepasseerde akte van oprichting van [Y B.V.]. Deze akte mist authenticiteit.      C.     De notaris heeft zijn poortwachtersrol onvoldoende vervuld bij twee aandelenoverdrachten. Klachtonderdeel A wordt gegrond verklaard. De kamer is van oordeel dat artikel 1 van de Beleidsregel van toepassing is op de (inhoudelijke) samenwerking tussen de notaris en de uit het ambt ontzette oud-notaris, die als (enige) werknemer werkte voor [Y B.V.]. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de werking van deze bepaling kunnen worden ontlopen door een ontzette notaris (telkens) als werknemer van een zelfstandige entiteit, niet zijnde een notariskantoor, samen te laten werken met een notaris. Daarmee zou de bepaling feitelijk nauwelijks tot geen betekenis hebben. Klachtonderdeel B wordt ongegrond verklaard. De kamer is van oordeel dat de notaris in de gegeven omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Klachtonderdeel C wordt gegrond verklaard. Wat betreft de maatregeloplegging heeft de kamer overwogen dat - gezien de ernst van de verweten gedragingen en het feit dat een groot deel van de klachtonderdelen gegrond wordt verklaard - de optelsom zou kunnen zijn dat aan de notaris de zwaardere maatregel van berisping wordt opgelegd, maar daarvoor ziet de kamer te weinig grond. De notaris heeft blijk gegeven van inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en nalaten ten aanzien van klachtonderdeel C. Hij heeft ook maatregelen getroffen ter verbetering van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Wwft. Zo heeft hij naar eigen zeggen zijn kantoorbeleid verbeterd en aangescherpt. In zijn verweerschrift heeft de notaris uitgebreid toegelicht op welke wijze hij dat heeft gedaan en heeft hij gewezen op een audit van zijn notariskantoor in november 2019, waarbij het kantoor “up to standards” werd bevonden. Daar komt bij dat de aan de notaris gemaakte verwijten betrekking hebben op het handelen/nalaten van de notaris in 2015, 2016 en 2017 en er sinds die tijd binnen het notariaat een behoorlijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de bewustwording op het gebied van integere beroepsuitoefening en de Wwft.   Verder weegt in het voordeel van de notaris mee dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft. Gezien het vorenstaande acht de kamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden

Klachtnummer    : SHE/2021/2

Datum uitspraak : 20 september 2021

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ’s-HERTOGENBOSCH

De kamer voor het notariaat neemt de volgende beslissing naar aanleiding van de klacht van:

Bureau Financieel Toezicht (hierna: het BFT),

gevestigd in Utrecht,

gemachtigden: de heer mr. R. Wisse en mevrouw mr. M.A. Drenth,

tegen

[de notaris] (hierna: de notaris),

gevestigd in [vestigingsplaats],

gemachtigde: mevrouw mr. L.H. Rammeloo, advocaat in Amsterdam.

1.          De procedure

1.1.       Bij brief van 6 december 2019 heeft het BFT een klacht geformuleerd tegen de notaris. Deze brief (met bijlagen) is op 9 december 2019 binnengekomen bij de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer Den Haag).

1.2.       De gemachtigde van de notaris heeft namens de notaris bij e-mail van 10 maart 2020 (met bijlagen) op de klacht geantwoord.

1.3.       Bij beslissing van de president van het gerechtshof Amsterdam van 7 januari 2021 is de klacht van het BFT tegen de notaris doorverwezen naar de kamer voor het notariaat in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de kamer of de kamer ’s-Hertogenbosch).

1.4.       Bij e-mailbericht van 17 maart 2021 aan de kamer (en cc aan het BFT) heeft de gemachtigde van de notaris aanvullende opmerkingen geplaatst en nadere stukken ingediend.

1.5.       Bij brieven van 29 maart 2021 zijn partijen uitgenodigd om bij de mondelinge behandeling van de klacht door de kamer aanwezig te zijn op 21 juni 2021. Aan partijen is bericht dat de klacht zal worden behandeld door mr. J.H.L.M. Snijders, mr. J.D. Streefkerk en mr. Y.M.R. van der Voort.

1.6.       Vervolgens zijn de hiervoor genoemde drie leden tot het oordeel gekomen dat de zaak ongeschikt is voor behandeling en beslissing door drie leden. Daarom is de behandeling op grond van artikel 94 lid 8 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) voortgezet door vijf leden, te weten de reeds genoemde drie leden, mr. M.A. Rosenbrand-Biesheuvel en mr. G.A.M. van Lith. Partijen zijn hierover geïnformeerd bij brieven van 8 juni 2021.

1.7.       De klacht is behandeld tijdens de openbare zitting van de kamer van 21 juni 2021, waarbij namens het BFT de heer mr. R. Wisse en mevrouw mr. M.A. Drenth zijn verschenen. Ook de notaris en zijn gemachtigde zijn bij de mondelinge behandeling aanwezig geweest. Partijen hebben hun visie op de klacht over en weer toegelicht, mede aan de hand van pleitnotities die zij aan de kamer hebben overhandigd.

2.          De feiten

2.1.       De notaris heeft vanaf 1 april 2015 tot 11 december 2015 het protocol van notaris mr. [naam] (hierna: de oud-notaris) waargenomen, omdat de oud-notaris op grond van artikel 106 Wna bij wijze van ordemaatregel was geschorst in de uitoefening van het ambt. De op het kantoor van de oud-notaris werkzame kandidaat-notaris mevrouw mr. [naam] (hierna: de kandidaat-notaris) trad in die periode op als onder-waarnemer in het protocol van de oud-notaris.

2.2.       Bij beslissing van 27 mei 2015 heeft de kamer Den Haag aan de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd. De oud-notaris heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

2.3.       Op 9 september 2015 heeft de kandidaat-notaris als waarnemer van de notaris (die op zijn beurt waarnemer was van de oud-notaris) een akte gepasseerd in het protocol van de oud-notaris, waarbij [X B.V.] (hierna: [X B.V.]) [Y B.V.] (hierna: [Y B.V.]) heeft opgericht. De oud-notaris heeft [X B.V.] hierbij vertegenwoordigd als schriftelijk gevolmachtigde. Uit de oprichtingsakte blijkt dat [Y B.V.] onder meer ten doel heeft:

-          het geven van (juridisch) advies aan rechtspersonen en instellingen, waaronder - maar niet beperkt - tot juridische bemiddeling;

-          het voeren van de juridische administratie van vennootschappen en overige rechtspersonen (“corporate housekeeping”);

-          het opstellen en beheren van contracten van vennootschappen en overige (rechts)personen;”

2.4.       Op 8 december 2015 heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) de beslissing van de kamer Den Haag van 27 mei 2015 bekrachtigd, waarbij aan de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt is opgelegd. Deze maatregel is op 11 december 2015 van kracht geworden.

2.5.       De notaris heeft het protocol van de oud-notaris vervolgens waargenomen van 11 december 2015 tot 11 december 2018.

2.6.       De oud-notaris is in dienst getreden van [Y B.V.]. In 2016 en 2017 heeft de oud-notaris in zijn hoedanigheid van werknemer van [Y B.V.] diverse dossiers ter verdere behandeling doorverwezen naar de notaris. De notaris heeft [Y B.V.] in die periode facturen gestuurd voor (met name) het passeren van akten in die dossiers.

2.7.       Het BFT heeft ingevolge artikel 110 lid 1 Wna op 26 juni 2018 een onderzoek ingesteld bij de notaris. Aanleiding voor dit onderzoek was een signaal dat het BFT had ontvangen van de Belastingdienst (artikel 111c Wna-melding op 22 maart 2018) met betrekking tot een door de notaris op 25 januari 2016 gepasseerde akte van aandelenoverdracht.

2.8.       Het BFT heeft op 7 mei 2019 rapport uitgebracht.

3.          De klacht

3.1.       De klacht valt, kort gezegd, uiteen in de volgende klachtonderdelen.

  1. Het BFT verwijt de notaris dat hij heeft gehandeld in strijd met de Beleidsregel integere beroepsuitoefening .
  2. Het BFT houdt de notaris mede verantwoordelijk voor de door de kandidaat-notaris gepasseerde akte van oprichting van [Y B.V.]. Deze akte mist authenticiteit.

C.      De notaris heeft zijn poortwachtersrol onvoldoende vervuld bij twee aandelenoverdrachten.

3.2.       De notaris heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Voor zover dit verweer van belang is voor de beoordeling, zal dit hierna worden besproken.

4.          De beoordeling

Reikwijdte van het tuchtrecht

4.1.       Op grond van artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen. De tuchtrechter toetst of hun handelen of nalaten in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Ook kan de tuchtrechter toetsen of zij voldoende zorg in acht hebben genomen ten opzichte van de (rechts)personen voor wie zij optreden en of zij daarbij hebben gehandeld zoals een behoorlijk beroepsbeoefenaar behoort te doen.

Klachtonderdeel A (Beleidsregel integere beroepsuitoefening)

4.2.       In de op 10 juli 2013 door het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: de KNB) vastgestelde Beleidsregel integere beroepsuitoefening (hierna: de Beleidsregel) staat het volgende vermeld:

“1. Het is een notaris of de onderneming(en) waarin de notaris zijn ambt uitoefent, niet toegestaan om personen in dienst te nemen of op enige andere wijze samen te werken met personen die, als gevolg van een tuchtrechtelijke of gerechtelijke uitspraak, het ambt van notaris niet meer mogen bekleden of niet meer als toegevoegd of waarnemend notaris mogen optreden.

2. Het hiervoor genoemde verbod geldt voor de duur van tien jaar vanaf het moment dat de onder 1. genoemde gerechtelijke uitspraak de kracht van gewijsde heeft gekregen.

3. Voor zover de onder 2. genoemde periode van tien jaar tot onevenredige gevolgen leidt, kan het bestuur op grond van een gemotiveerd verzoek, deze beleidsregel in een specifieke situatie buiten toepassing te verklaren.”

4.3.       De toelichting op de Beleidsregel luidt als volgt:

Artikel 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 luidt als volgt: De notaris gedraagt zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig dat het vertrouwen in het notariaat en in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. De toelichting op artikel 2 luidt: Deze bepaling geeft één van de kernelementen van het notariaat weer, een algemene richtlijn voor het gedrag van iedere notaris en kandidaat-notaris bij zijn beroepsuitoefening en in privé. Het notariaat kan als beroepsgroep alleen functioneren als de notaris eer en aanzien geniet, dat wil zeggen, als het publiek vertrouwen heeft in zijn onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit. Op verschillende plaatsen in de Wet op het notarisambt wordt het belang van de eer en aanzien van het notariaat geformuleerd. Bijvoorbeeld in artikel 8 Wna, op grond waarvan een benoeming tot notaris kan worden geweigerd als vrees bestaat dat de betrokkene de eer en het aanzien van het notarisambt zal schaden en in artikel 96 Wna, dat het toezicht regelt op onder meer de eer en het aanzien van het notarisambt. Artikel 61 Wna bepaalt dat het mede tot de taken van de KNB behoort om te zorgen voor de eer en het aanzien van het ambt. In de wet staat echter nergens met zoveel woorden dat de notaris de eer en het aanzien van het ambt hoog moet houden. De eer en het aanzien noemen wij voortaan integere beroepsuitoefening.

In deze Beleidsregel integere beroepsuitoefening geeft het bestuur van de KNB een nadere toelichting en interpretatie van deze regelgeving. Hiermee formuleert het bestuur ook zijn klachtenbeleid op het punt van integere beroepsuitoefening, in het bijzonder daar waar het personeelsbeleid van de notaris en de samenwerking met derden mogelijk (in schijn) de eer en aanzien en daarmee de integere beroepsuitoefening raakt. Volgens het bestuur kan het in dienst nemen van of het op andere wijze samenwerken met een uit het ambt ontzette notaris of een kandidaat-notaris aan wie het recht tot waarneming definitief is ontzegd, schadelijk zijn voor de eer en het aanzien van het ambt. Consumenten zullen veelal niet begrijpen waarom een uit het ambt ontzette notaris toch op een notariskantoor werkzaam kan blijven. Dit komt het vertrouwen dat het publiek in de notaris heeft niet ten goede en dergelijke beeldvorming moet dan ook voorkomen worden. Ook binnen het notariaat is de opvatting dat het onwenselijk is dat een ontzette notaris nog wel binnen het notariaat werkzaam kan zijn, terwijl hij hier eigenlijk niet meer thuishoort omdat zulks niet past binnen de integere beroepsuitoefening die het notariaat nastreeft. Volgens het bestuur is een definitief verbod om een ontzette notaris in dienst te nemen of anderszins samen te werken niet haalbaar en onwenselijk. Het bestuur zoekt daarom aansluiting bij de praktijk bij advocaten waarbij een geschrapte advocaat na verloop van tijd ook weer een verzoek kan indienen bij de balie om ingeschreven te worden. Voor accountants geldt met betrekking tot ontzetting een termijn van tien jaar waarin zij niet het vak van accountant mogen uitoefenen. In deze beleidsregel wordt de mogelijkheid geboden om in uitzonderlijke gevallen van deze regel af te wijken.”

4.4.       Het BFT verwijt de notaris dat hij in strijd met de Beleidsregel heeft samengewerkt met de ontzette oud-notaris. In de jaren 2016 en 2017 heeft de notaris de oud-notaris, die toen werknemer was van [Y B.V.], inhoudelijk voorbereide nieuwe dossiers laten doorsturen. De oud-notaris verstrekte namens [Y B.V.] niet alleen opdrachten aan de notaris, maar hij stelde ook de concept-akten en volmachten op en voerde besprekingen met de betreffende cliënten. De notaris heeft op basis van de door de oud-notaris opgemaakte stukken vervolgens de benodigde akten gepasseerd. Voor deze passeerwerkzaamheden heeft de notaris facturen gestuurd naar [Y B.V.]. Op pagina 12 van het BFT-rapport staan dertien dossiers vermeld waarin de notaris facturen heeft gestuurd aan [Y B.V.].

4.5.       De notaris betwist dat hij in strijd heeft gehandeld met de Beleidsregel. De kamer zal zijn primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verweer hierna afzonderlijk bespreken.

1)      het primaire verweer van de notaris

4.6.       De notaris voert primair aan dat hij de oud-notaris niets heeft laten doen. De oud-notaris heeft uitsluitend op eigen initiatief zaken en cliënten doorverwezen naar het kantoor van de notaris. De oud-notaris had eveneens op eigen initiatief al enige voorbereidende werkzaamheden verricht in deze dossiers, maar dit laat onverlet dat de notaris alle gebruikelijke werkzaamheden en controles zelf heeft uitgevoerd, voordat hij tot het verlijden van de aktes overging. Bovendien volgt uit de totstandkoming van de Beleidsregel en uit de jurisprudentie over de Beleidsregel dat het doorgestuurd krijgen van enkele zaken van de werkgever van een ontzette notaris niet kwalificeert als een schending van de Beleidsregel. Dat de KNB de Beleidsregel recent ruimer heeft uitgelegd/toegepast (hetgeen blijkt uit publicaties op “notarisnet”), kan niet aan de notaris worden tegengeworpen. Zijn handelen in 2016/2017 moet beoordeeld worden aan de hand van de destijds door de KNB toegepaste beperktere uitleg van de Beleidsregel.

4.7.       De kamer overweegt het volgende. Vast staat dat de ontzette oud-notaris in 2016/2017 in dienst was van [Y B.V.], de oud-notaris in zijn hoedanigheid van werknemer van [Y B.V.] dossiers voorbereidde en naar het kantoor van de notaris doorstuurde en dat de notaris wist dat deze dossiers door de oud-notaris waren voorbereid en door de oud-notaris werden doorgestuurd. De notaris heeft akten gepasseerd in de betreffende dossiers en daarvoor facturen gestuurd naar [Y B.V.].

4.8.       Naar het oordeel van de kamer kwalificeert de hiervoor omschreven constructie als een samenwerking in de zin van artikel 1 van de Beleidsregel. Het is op grond van de Beleidsregel immers niet toegestaan om personen in dienst te nemen of op enige andere wijze samen te werken met personen die, als gevolg van een tuchtrechtelijke of gerechtelijke uitspraak, het ambt van notaris niet meer mogen bekleden. In dit geval heeft de notaris de oud-notaris niet in dienst genomen, maar is wel sprake van een andere wijze van samenwerking. Weliswaar heeft de notaris ter zitting aangevoerd dat de doorgestuurde dossiers van de oud-notaris, net als alle andere dossiers, zorgvuldig door hem werden opgepakt, maar hij heeft niet weersproken dat de oud-notaris de concept-akten en/of volmachten maakte en de besprekingen voerde met de uiteindelijke cliënten. Daar komt bij dat de notaris zijn werkzaamheden in de doorgestuurde dossiers niet aan de betreffende cliënten factureerde, maar aan [Y B.V.]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de notaris verklaard dat de oud-notaris de enige werknemer van [Y B.V.] was. Op grond van deze omstandigheden is de kamer van oordeel dat artikel 1 van de Beleidsregel van toepassing is op de (inhoudelijke) samenwerking tussen de notaris en de oud-notaris. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de werking van deze bepaling kunnen worden ontlopen door een ontzette notaris (telkens) als werknemer van een zelfstandige entiteit, niet zijnde een notariskantoor, samen te laten werken met een notaris. Daarmee zou de bepaling feitelijk nauwelijks tot geen betekenis hebben.

4.9.       De door de notaris overgelegde bijlagen leiden niet tot een ander oordeel. Aan het door de notaris gedane beroep op de notulen van de (in aanloop naar de vaststelling van de Beleidsregel gehouden) ledenraadsvergaderingen van de KNB - waarin individuele meningen van leden zijn vastgelegd - kan geen overtuigend argument worden ontleend. De kamer hanteert de uiteindelijk vastgestelde Beleidsregel en de toelichting daarop. 

Ook de verwijzing door de notaris naar jurisprudentie brengt daar geen verandering in, aangezien de betreffende zaken niet één op één zijn te vergelijken met de onderhavige zaak.

4.10.      Verder voert de notaris nog aan dat de KNB de Beleidsregel recent ruimer is gaan uitleggen. De notaris heeft deze bewering echter onvoldoende onderbouwd. De Beleidsregel is in 2013 vastgesteld. Zowel de Beleidsregel als de toelichting daarop zijn sindsdien niet aangepast. Wel kan aan de notaris worden toegegeven dat binnen het notariaat de afgelopen jaren een behoorlijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de bewustwording van de gevolgen van de Beleidsregel. De door de notaris aangehaalde publicaties op “notarisnet” moeten naar het oordeel van de kamer in dat licht worden gezien en kwalificeren dus eerder als een waarschuwing. Zo staat in de publicatie van 29 september 2020 vermeld:

“Notarissen mogen niet op welke wijze dan ook samenwerken met een uit het ambt ontzette notaris. Daarom waarschuwt de KNB om niet met [Z] samen te werken. Deze week is namelijk bekend geworden dat daar 1 of meerdere uit het ambt ontzette notarissen werkzaam zijn.

Dat bracht [naam krant] eerder deze week aan het licht. De beleidsregel integere beroepsuitoefening sluit daarom samenwerking met dit kantoor uit. Notarissen die zaken aannemen die via [Z] zijn doorverwezen of die (backoffice) diensten van [Z] afnemen, handelen dan ook in strijd met de bewuste beleidsregel. De website van dit kantoor maakt niet kenbaar wie hier werken. Daarom wil de KNB de beroepsgroep via deze weg hiervoor waarschuwen.”

4.11.      Ten slotte wijst de notaris op de toelichting die [mr. A] van de KNB heeft gegeven op de Beleidsregel. [Mr. A] heeft in zijn e-mail van 17 september 2018 onder meer het volgende aan de notaris bericht:

“Het feit dat een ontzette notaris bij een ander bedrijf werkt dat zaken aan een notaris toestuurt zonder verdere bemoeienis, valt niet onder de regel.”

In zijn e-mail van 20 september 2018 aan de notaris heeft [mr. A] het volgende verduidelijkt:

“Ik begrijp uit de werkwijze dat jij zaken krijgt van een accountantskantoor die deze zaken naar jou door verwijzen door jou een dossier toe te sturen. Op het moment dat het accountantskantoor jou het dossier toestuurt dan kun jij gezien de bestaande ontzetting niet inhoudelijk aan het dossier samenwerken met [de oud-notaris] . Dit bedoel ik met geen verdere bemoeienis. Voor de goede orde dit staat los van het stellen van verhelderende vragen over het dossier aan medewerkers van het accountantskantoor waaronder [de oud-notaris] , dat kan uiteraard altijd wel.”

4.12.      Nog los van het feit dat de notaris de KNB pas heeft benaderd, nadat het BFT hem met de (mogelijke) overtreding van de Beleidsregel had geconfronteerd en onduidelijk is op basis van welke informatie [mr. A] de notaris heeft geantwoord, volgt uit de e-mails van [mr. A] niet dat de samenwerking tussen de notaris en de oud-notaris niet onder het verbod van de Beleidsregel zou vallen. Van een verboden samenwerking is volgens [mr. A] geen sprake als een ontzette notaris bij een ander bedrijf werkt, dat zaken aan een notaris toestuurt zonder verdere bemoeienis . Volgens hem kan echter niet inhoudelijk aan het dossier worden samengewerkt met de ontzette notaris. Uit hetgeen hiervoor in 4.7. en 4.8. is overwogen, volgt dat in dit geval wel degelijk sprake is van bemoeienis door de oud-notaris en van een inhoudelijke samenwerking tussen de notaris en de oud-notaris.

4.13.      Op grond van het voorgaande slaagt het primaire verweer van de notaris niet.

2)      het subsidiaire verweer van de notaris

4.14.      De notaris voert subsidiair aan dat de reden voor de ontzetting van een notaris relevant is voor de toepasselijkheid van de Beleidsregel. Met andere woorden: hoe ernstiger het gedrag van de ontzette notaris is geweest, hoe laakbaarder het is om met de ontzette notaris samen te werken. Volgens de notaris heeft de oud-notaris geen talent voor ondernemerschap. Dat heeft hem zijn notariële standplaats gekost. Het samenwerken met een ontzette notaris “zonder talent voor bedrijfsvoering” is niet of in ieder geval veel minder laakbaar dan het samenwerken met een ontzette notaris die aantoonbaar malafide is, aldus de notaris.     

4.15.      De kamer is van oordeel dat voor dit uitgangspunt geen rechtvaardiging is te vinden. In de Beleidsregel en in de toelichting op de Beleidsregel wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen de mogelijke redenen voor de ontzetting. De notaris wijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de beslissing van de Kamer voor het notariaat Amsterdam (hierna: kamer Amsterdam) van 8 mei 2018 (ECLI:NL:TNORAMS:2018:10) en citeert daaruit een gedeelte van r.o. 2.47. Dit citaat betreft echter de klachtomschrijving (het standpunt van de KNB/het BFT) en dus niet het oordeel van de kamer Amsterdam. Het oordeel van de kamer Amsterdam staat in r.o. 3.1. en verder vermeld en hieruit blijkt niet dat de kamer Amsterdam de reden voor de ontzetting in haar beoordeling heeft betrokken. Ook in de door de notaris aangehaalde beslissing van de kamer Amsterdam van 6 december 2018 (ECLI:NL:TNORAMS:2018:24) vindt de kamer geen steun voor het standpunt van de notaris.

4.16.      Op grond van het voorgaande slaagt het subsidiaire verweer van de notaris niet.

3)      het meer subsidiaire verweer van de notaris

4.17.      De notaris voert meer subsidiair aan dat beleidsregels niet bindend zijn voor de tuchtrechter. Volgens de notaris leidt de schending van een beleidsregel niet automatisch tot een gegrondverklaring van de betreffende klacht. Daarbij wijst de notaris op de volgende bijzondere omstandigheden die in zijn voordeel zouden moeten meewegen.

-          De notaris heeft zich een aantal jaren, zonder enige vergoeding, ingespannen als zware waarnemer van de oud-notaris.

-          In 2016 en 2017 wist de notaris nog niet dat de akte van oprichting van [Y B.V.] tijdens zijn zware waarneming door de kandidaat-notaris als onder-waarnemer was gepasseerd. De kandidaat-notaris heeft de akte van oprichting tijdens zijn afwezigheid en buiten de notaris om verleden. Pas tijdens het BFT-onderzoek is de notaris hiervan op de hoogte geraakt en werd hij bekend met het feit dat de oud-notaris bij de oprichting van [Y B.V.] als schriftelijk gevolmachtigde van de oprichter heeft gehandeld.

-          Toen de oud-notaris vanaf medio 2016 vanuit [Y B.V.] op eigen initiatief zaken en cliënten begon door te verwijzen naar de notaris, heeft de notaris in het handelsregister nagekeken of de oud-notaris bestuurder of aandeelhouder was van [Y B.V.]. Dat bleek niet het geval. De enig aandeelhouder was [X B.V.] en de notaris herkende deze vennootschap als voormalig cliënt van de oud-notaris. De oud-notaris heeft de notaris desgevraagd te kennen gegeven dat hij in dienst was van [Y B.V.].

De notaris zat naar eigen zeggen met de doorverwijzingen van de oud-notaris in zijn maag, maar had een ministerieplicht. Wel heeft hij de oud-notaris regelmatig verzocht om te stoppen met het doorverwijzen van zaken en cliënten. Medio 2017 heeft de notaris dit verzoek zeer indringend gedaan en is de oud-notaris gestopt met het doorverwijzen van zaken en cliënten.  

4.18.      De kamer overweegt het volgende. Op grond van artikel 60 Wna zijn alle in Nederland gevestigde notarissen en werkzame toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen leden van de KNB.

In artikel 61 lid 1 Wna staat vermeld dat de KNB tot taak heeft de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. Haar taak omvat mede de zorg voor de eer en het aanzien van het notarisambt. In lid 2 van datzelfde artikel staat vermeld dat bij verordening beroeps- en gedragsregels van de leden van de KNB worden vastgesteld. Tevens kunnen bij verordening regels worden gesteld betreffende de bevordering van de vakbekwaamheid van de leden en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.

4.19.      Volgens artikel 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (Vbg 2011) gedraagt een notaris zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig dat het vertrouwen in het notariaat en in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. Het bestuur van de KNB is op grond van artikel 89 lid 5 Wna jo. artikel 20 van genoemde verordening bevoegd om met betrekking tot de in de verordening behandelde onderwerpen nadere regels te geven en dat heeft zij gedaan door middel van de Beleidsregel. In de toelichting op de Beleidsregel staat vermeld dat het bestuur van de KNB in de Beleidsregel een nadere toelichting en interpretatie van reeds bestaande regelgeving geeft, onder meer van artikel 61 Wna en artikel 2 van de Vbg 2011.

4.20.      Op grond van het voorgaande bindt de Beleidsregel alle leden van de KNB, dus ook de notaris. Zoals hiervoor in 4.1. is overwogen, toetst de tuchtrechter of het handelen of nalaten van een notaris in strijd is met het bepaalde in de Wna en andere toepasselijke bepalingen. Hieronder valt eveneens de Beleidsregel. Het beroep van de notaris op de beslissing van de kamer Den Haag van 16 december 2015 (ECLI:NL:TNORDHA:2015:42) leidt niet tot een ander oordeel. In hoger beroep heeft het hof (beslissing van 26 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2993) zich ten aanzien van de Beleidsregel verenigd met het oordeel van de kamer Den Haag en met de gronden waarop dat oordeel berust. Die zaak betrof echter een overgangsrechtelijke kwestie. Er was namelijk sprake van een verboden dienstverband in de zin van de Beleidsregel, maar dat dienstverband bestond al vóórdat de Beleidsregel in werking trad. Het hof was met de kamer Den Haag van oordeel dat het niet beëindigen van dat dienstverband na inwerkingtreding van de Beleidsregel in de gegeven (specifieke) omstandigheden niet tuchtrechtelijk verwijtbaar was.

In de onderhavige zaak is de notaris de samenwerking met de ontzette oud-notaris aangegaan, nadat de Beleidsregel al een paar jaar gold. Uit de beslissing van het hof volgt naar het oordeel van de kamer niet dat het handelen van de notaris in dit geval niet aan de Beleidsregel getoetst zou hoeven te worden.

4.21.      Voor zover sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die ervoor zorgen dat het verbod van de Beleidsregel tot onevenredige gevolgen leidt, had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de notaris gelegen om het bestuur van de KNB overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Beleidsregel in een gemotiveerd verzoek te vragen om de beleidsregel gelet op de specifieke omstandigheden buiten toepassing te verklaren. Dat heeft de notaris echter niet gedaan.

4.22.      Op grond van het voorgaande slaagt het meer subsidiaire verweer van de notaris niet.

            conclusie

4.23.      Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat klachtonderdeel A gegrond zal worden verklaard.

Klachtonderdeel B (oprichting van [Y B.V.])

4.24.      Klachtonderdeel B moet volgens het BFT in het verlengde van klachtonderdeel A worden bezien en ziet op het handelen van de kandidaat-notaris, waarvoor het BFT de notaris mede verantwoordelijk houdt. Het BFT verwijt de notaris, kort gezegd, dat de kandidaat-notaris op 9 september 2015 als waarnemer van de notaris, die op zijn beurt waarnemer was van de oud-notaris, in het protocol van de oud-notaris de akte heeft gepasseerd, waarbij [Y B.V.] is opgericht. De oprichter van [Y B.V.], zijnde [X B.V.], is bij die akte vertegenwoordigd door de oud-notaris. Daarmee heeft de kandidaat-notaris in strijd gehandeld met artikel 19 lid 1 jo. lid 4 Wna. Op grond van deze bepaling mag een waarnemer namelijk geen akte verlijden waarin de vervangen notaris als vertegenwoordiger optreedt voor een partij bij die akte. Het gevolg van de overtreding van dit verbod is dat de akte van oprichting op grond van artikel 19 lid 3 Wna authenticiteit mist.

Hoewel de kandidaat-notaris haar eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid heeft, wordt ook de notaris, die het toezicht, de regie en de zeggenschap over zijn medewerkers moet houden, door het BFT verantwoordelijk gehouden voor het passeren van de akte van oprichting. Daarbij speelt mee dat de kandidaat-notaris ten tijde van het passeren slechts een jaar waarnemingsbevoegd was en de tijdens het BFT-onderzoek door de notaris toegelichte kantoorprocedure inzake de onder-waarneming (inhoudende het nazien van alle aktes en het checken van de passeer-agenda) niet (afdoende) is gevolgd. Bovendien was het optreden van de oud-notaris als vertegenwoordiger van [X B.V.] mogelijk het gevolg van de in klachtonderdeel A centraal staande samenwerking tussen de notaris en de oud-notaris.

4.25.      De notaris wijst erop dat de kandidaat-notaris een eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid heeft en hij voert verder het volgende aan. De notaris is pas op de hoogte geraakt van de oprichting van [Y B.V.] toen het BFT hem daar halverwege het onderzoek, in het najaar van 2018, op wees. De kandidaat-notaris heeft tijdens de vakantie van de notaris en achter zijn rug om de akte van oprichting van [Y B.V.] gepasseerd in het protocol van de oud-notaris. De passeerafspraak stond niet in de passeeragenda en de kandidaat-notaris heeft de notaris voor noch na zijn vakantie over de akte geïnformeerd. Aangezien de kandidaat-notaris de notaris bewust niet heeft ingelicht over de oprichting van [Y B.V.], kan de notaris naar zijn mening niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de kandidaat-notaris.

4.26.      De kamer overweegt het volgende. Dit klachtonderdeel heeft betrekking op de door de kandidaat-notaris in haar hoedanigheid van onder-waarnemer gepasseerde akte van oprichting van [Y B.V.] in het protocol van de oud-notaris. Ten aanzien van de notaris is de kamer van oordeel dat hem in dit geval geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Een waarnemend kandidaat‑notaris handelt in beginsel namelijk niet onder de verantwoordelijkheid van de waargenomen notaris of een andere notaris. Dit volgt - impliciet - uit artikel 1 lid 1 sub c Wna. Die zelfstandige positie van de waarnemend kandidaat-notaris kan ook worden afgeleid uit artikel 29 lid 7 Wna. Dat artikel bepaalt dat de waargenomen notaris onbevoegd is zolang de waarnemend kandidaat-notaris bevoegd is. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat de notaris bemoeienis heeft gehad met het opstellen en passeren van de betreffende akte van oprichting in het protocol van de oud-notaris. Bovendien heeft de notaris onweersproken aangevoerd dat de akte tijdens zijn vakantie is gepasseerd, hij voor zijn vakantie alle in de passeeragenda vermeld staande akten die tijdens zijn afwezigheid moesten worden gepasseerd met de kandidaat-notaris heeft besproken, dat de passeerafspraak met betrekking tot [Y B.V.] niet in de passeeragenda stond vermeld en dat de kandidaat-notaris hem vooraf noch achteraf heeft geïnformeerd over de betreffende oprichtingsakte (vgl. de beslissing van het hof van 1 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2320).

4.27.      Op grond van het voorgaande kan de notaris geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel B zal daarom ongegrond worden verklaard.

Klachtonderdeel C (poortwachtersrol bij aandelenoverdrachten)

4.28.      Klachtonderdeel C heeft betrekking op twee dossiers, waarin de notaris een akte van aandelenoverdracht heeft gepasseerd.

4.29.      De notaris heeft tegen dit klachtonderdeel in het algemeen aangevoerd dat hij niet inziet waarom deze aandelenoverdrachten, die los staan van de klachtonderdelen A en B, gecombineerd zijn in een BFT-onderzoek en in deze tuchtprocedure. Voor zover het BFT in de twee dossiers klaagt over schending van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zouden eventuele schendingen van deze wet niet tuchtrechtelijk getoetst moeten of hoeven worden. De betreffende dossiers moeten volgens de notaris worden beschouwd als incidenten in een goed lopende en secuur gevoerde praktijk.

4.30.      De kamer verwerpt dit algemene verweer van de notaris. Het staat het BFT als toezichthouder vrij om een klacht tegen een notaris in te dienen als het BFT meent dat het handelen of nalaten van die notaris daartoe aanleiding geeft; er geldt wat dat betreft geen drempel (noch qua omvang noch qua gradatie in ernst noch qua samenhang tussen de verschillende klachtonderdelen). Daar komt bij dat het hof bij beslissing van 23 juni 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1550) heeft geoordeeld dat een schending van de Wwft in het algemeen onder de tuchtnorm van artikel 93 Wna valt. Het hof heeft daartoe overwogen:

“Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat het BFT ontvankelijk is in de klachtonderdelen iii en iv. Een schending van de Wwft in het algemeen - dus niet alleen onder bijzondere omstandigheden zoals de kamer van oordeel is - valt naar het oordeel van het hof onder de tuchtnorm van artikel 93 Wna en wordt derhalve niet uitsluitend gesanctioneerd op grond van de sanctiebepalingen uit de Wwft. Op het moment dat een notaris zijn diensten verleent, wordt zijn handelen mede ingevuld door de uit de Wwft voortvloeiende verplichtingen. Dit is inherent aan de poortwachtersrol die aan de notaris is toebedeeld door de wetgever. Het al dan niet goed vervullen van de verplichtingen uit de Wwft kan daarom niet los worden gezien van het handelen dan wel nalaten dat een behoorlijk notaris betaamt. Naar het oordeel van het hof hangt het naleven van de verplichtingen uit de Wwft dan ook zo nauw samen met het handelen dan wel nalaten dat een behoorlijk notaris betaamt, dat de notaris ook op grond van het notariële tuchtrecht kan worden aangesproken voor niet-naleving van deze verplichtingen. Dit blijkt voorts uit de in het beroepschrift genoemde wetsgeschiedenis inzake de wijziging van de Wwft per 1 januari 2015, waarin is aangegeven dat overtredingen van de Wwft nog steeds via de weg van het notariële tuchtrecht kunnen worden gehandhaafd (Kamerstukken II 2011/12, 32 382, nr. 10, p. 90). Dat in dit kamerstuk is vermeld dat “[e]en tuchtrechtelijke aanpak (..) met name toegevoegde waarde [zal] hebben in die gevallen waarin de oplegging van specifiek tuchtrechtelijke maatregelen, zoals schorsing of ontzetting uit het ambt of beroep, is aangewezen”, betekent niet, zoals de notaris kennelijk meent, dat die aanpak is uitgesloten als het BFT een lichtere maatregel op het oog heeft. De wijziging van 1 januari 2015 ziet dan ook op een uitbreiding van de handhavingsmogelijkheden van het BFT. Het BFT is degene die hierin een keuze maakt.”

4.31.      Het BFT is dus, anders dan de notaris meent, ontvankelijk in klachtonderdeel C. De kamer zal de betreffende twee dossiers hierna afzonderlijk behandelen. 

a)      aandelenoverdracht [I B.V.] (bevinding 6.2.1. van het BFT-rapport)

4.32.      In het BFT-rapport staat met betrekking tot de aandelenoverdracht van [I B.V.] (hierna: [I B.V.]) onder meer het volgende vermeld:

“Op 25 januari 2016 worden alle aandelen in [I B.V.] geleverd door de heer [B] aan de heer [C] voor een prijs van € 7.500 (bijlage 11). [I B.V.] is een bouwbedrijf. Over dit dossier zijn door het BFT vragen gesteld (…), welke door de notaris (…) zijn beantwoord (…)

Belanghebbende passeert de akte van aandelenoverdracht.

Belanghebbende verklaart dat de heer [B] zich wilde concentreren op zijn hoofdactiviteit (een bouw- en onderhoudsbedrijf, samen met zijn zwager). Hij was vol geraakt door de crisis (‘de BV draaide niet goed’) en moest keuzes maken: hij wilde dan ook van het bedrijf af.

De heer [B] is blijkens belanghebbende al ruim dertig jaar bij het notariskantoor bekend (…)

In het dossier bevindt zich geen (rechtstreekse) correspondentie met de verkoper. Emails worden gestuurd naar [e-mailadres] , welke worden beantwoord door mevrouw [D] van [II B.V.] en in een enkel geval door [E].

De koper, de heer [C] , was ten tijde van het passeren van de transactie 79 jaar.

In het dossier bevindt zich geen correspondentie met de koper, de heer [C] . Er is geen schriftelijke koopovereenkomst tussen verkoper en koper.

De aandelen worden geleverd op 25 januari 2016, waarbij als basis voor de koopsom wordt genomen de jaarcijfers ultimo 2014. De koopsom wordt blijkens de akte door koper volledig schuldig gebleven.

De koopsom voor de aandelen bedraagt € 7.500. De jaarstukken van de vennootschap welke in het dossier zitten, vermelden een negatief eigen vermogen ultimo 2014 van € 59.614.

Ten tijde van het passeren van de aandelenoverdracht (januari 2016) waren de jaarstukken van de vennootschap tot en met 2012 bij de Kamer van Koophandel gedeponeerd en geen recentere jaren.

In de email van 14 januari 2016 van mevrouw [E] wordt vermeld: “Koper is bekend met alle lopende zaken en gaat daarmee akkoord. Graag aantekening hiervan in de overdracht”. Ook geeft de verkoper het nieuwe adres van de vennootschap door.

Op 20 september 2016 is de vennootschap failliet verklaard. In het dossier bevindt zich een gespreksaantekening met de curator van de vennootschap d.d. 30 september 2016 (o.a. met vermelding van de woorden vennootschap failliet, koper oudere man, mogelijk dement, katvanger, bijlage 11a).”

4.33.      Het verwijt van het BFT valt uiteen in de volgende drie onderdelen die de kamer hierna

afzonderlijk zal bespreken.

     1. onderzoeksplicht en dienstweigering (bevinding 6.2.1.1. van het BFT-rapport)

4.34.      Het BFT stelt dat de notaris meer onderzoek had moeten doen naar de (wijze waarop de) koopsom van de aandelen (tot stand is gekomen) en hij had hierover meer moeten vastleggen, aangezien recente jaarcijfers niet aanwezig waren en sprake was van een negatief eigen vermogen. Door de akte van aandelenoverdracht toch te passeren heeft de notaris volgens het BFT in strijd gehandeld met de artikelen 17 en 21 lid 2 Wna.

4.35.      De notaris voert aan dat hij achteraf heeft moeten constateren dat de verkoper en de koper kwade opzet hadden en (ook) de notaris hebben bedot. Dat de notaris hier vóór en tijdens het passeren van de akte niet op bedacht was, is te verklaren door enerzijds de 30-jaar lange intensieve en probleemloze samenwerking tussen zijn kantoor en de (familie van de) verkoper en anderzijds door het gesprek dat de notaris met de koper heeft gevoerd, waarin de koper zeer overtuigend de activiteiten schetste die hij vanuit de aangekochte vennootschap zou gaan ontplooien.

4.36.      De kamer overweegt dat op een notaris in beginsel een ministerieplicht rust, die is omschreven in artikel 21 lid 1 Wna:

“De notaris is verplicht de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten, behoudens het bepaalde in het tweede, derde, en vierde lid.”

Van de in dit artikellid genoemde uitzonderingen is vooral het tweede lid van belang, waarin wordt omschreven wanneer de notaris dienst moet weigeren:

“De notaris is verplicht zijn dienst te weigeren wanneer naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden de werkzaamheid die van hem verlangd wordt leidt tot strijd met het recht of de openbare orde, wanneer zijn medewerking wordt verlangd bij handelingen die kennelijk een ongeoorloofd doel of gevolg hebben of wanneer hij andere gegronde redenen voor weigering heeft.”

Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient een notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan. De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen. Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat een notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten.

In artikel 6 Vbg 2011 is artikel 21 lid 2 Wna verder geconcretiseerd:

“1  De notaris is verplicht zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht.

2    De notaris is verplicht zijn dienst te weigeren indien hij de redelijke overtuiging of het vermoeden heeft dat de inhoud van de akte waarvoor zijn tussenkomst is ingeroepen in strijd is met de waarheid.

3    De notaris is verplicht zijn dienst te weigeren indien zijn medewerking wordt gevraagd aan het vaststellen van door hem niet controleerbare feiten.”

4.37.      De kamer is van oordeel dat de notaris in dit geval gegronde redenen had om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren. Bij dit oordeel speelt mee dat de notaris heeft erkend dan wel niet heeft weersproken dat:

-          hij niet met de koper heeft gecorrespondeerd;

-          hij niet rechtstreeks met de verkoper heeft gecorrespondeerd (er zijn weliswaar mails gestuurd naar een zakelijk mailadres, maar die zijn steeds door derden beantwoord);

-          een schriftelijke koopovereenkomst ontbrak;

-          sprake was van een negatief eigen vermogen van [I B.V.] van € 59.614,-- en niet bleek van enige goodwill of andere meerwaarde, terwijl de koopsom van de aandelen € 7.500,-- bedroeg en die koopsom schuldig werd gebleven;

-          recente jaarcijfers niet waren gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

Tegen deze achtergrond had de notaris bedacht moeten zijn op de in artikel 6 Vbg 2011 genoemde gevallen, waarin een notaris zijn dienst moet weigeren. Naar het oordeel van de kamer had de notaris in de gegeven omstandigheden nader onderzoek moeten doen om:

- uit te kunnen sluiten dat misbruik werd gemaakt van juridische onkunde of feitelijk overwicht aan de zijde van de koper;

- vast te kunnen stellen dat de inhoud van de akte (ten aanzien van bijvoorbeeld de (schuldig gebleven) koopsom van de aandelen) waarvoor zijn tussenkomst was ingeroepen, overeenkwam met de waarheid; en

- de door hem vast te stellen feiten te kunnen controleren.

Het is de kamer niet gebleken dat de notaris dit onderzoek heeft gedaan. De kamer is daarom van oordeel dat de notaris in strijd heeft gehandeld met artikel 21 lid 2 Wna jo artikel 6 Vbg 2011.

4.38.      Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel C ten aanzien van verwijt a.1. gegrond worden verklaard.

     2. informatieplicht/Belehrungsplicht (bevinding 6.2.1.2. van het BFT-rapport)

4.39.      Volgens het BFT heeft de notaris niet voldaan aan zijn Belehrungsplicht/informatieplicht. In het dossier is geen rechtstreekse correspondentie aangetroffen tussen de notaris en de koper. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verkoper. Uit het dossier blijkt niet dat de koper en de verkoper (zelf) een concept-akte hebben ontvangen en beoordeeld. Ook zijn er geen aantekeningen in het dossier aangetroffen waaruit blijkt dat de notaris heeft voldaan aan zijn informatieplicht.

Volgens het BFT heeft de notaris daarmee in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 43 Wna.

4.40.      De notaris voert hiertegen aan dat de Belehrung mondeling heeft plaatsgevonden. Zijn medewerkster, mevrouw [F], heeft een gesprek gevoerd met de verkoper. Dit blijkt ook uit een print van zijn kantooragenda. Zelf heeft de notaris voorafgaand aan het passeren van de akte ongeveer veertig minuten gesproken met de koper.

4.41.      De kamer overweegt dat de informatie-/Belehrungsplicht (artikel 43 lid 1 Wna) inhoudt dat een notaris zich ervan dient te vergewissen dat de verschijnende persoon de inhoud van de akte begrijpt en dat de akte de wil van de verschijnende persoon juist weergeeft. Het vervullen van deze verplichting behoort tot de essentie van het notariële ambt. De kamer is met het BFT van oordeel dat de notaris is tekortgeschoten aan bedoelde plicht, zijn zorgplicht en informatieplicht, te voldoen ten aanzien van de in de akte van aandelenoverdracht neergelegde inhoud. Uit niets is namelijk gebleken dat de verkoper en de koper zelf tijdig - dus ruim vóór het passeren van de leveringsakte - in de gelegenheid zijn gesteld om kennis te nemen van de inhoud van de akte met een toelichting over de (juridische) gevolgen van de in de notariële akte opgenomen bepalingen.

4.42.      Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel C ten aanzien van verwijt a.2. gegrond worden verklaard.

     3. Wwft (bevinding 6.2.1.3. van het BFT-rapport)

4.43.      Het BFT verwijt de notaris in de eerste plaats dat hij heeft nagelaten om een (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren in de zin van artikel 3 jo. artikel 8 Wwft. Zo heeft de notaris geen informatie ingewonnen over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie en heeft hij, ondanks de concrete signalen dat de aandelentransactie een hoger risico op witwassen vormde (zo waren geen recente jaarcijfers beschikbaar, waren recente jaarcijfers niet gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, was sprake van een fors negatief eigen vermogen, bleek niet van enige goodwill of andere meerwaarde, terwijl de koopsom € 7.500,-- bedroeg en die koopsom schuldig werd gebleven) geen nader onderzoek ingesteld.

Verder verwijt het BFT de notaris dat hij de transactie niet als ongebruikelijk heeft aangemeld bij de Financial Intelligence Unit - Nederland (FIU-Nederland), terwijl er voldoende grond was te veronderstellen dat deze transactie verband zou kunnen houden met witwassen. Het BFT wijst in dit verband op de volgende in het BFT-rapport genoemde indicatoren.

- D2: transacties die door hun omvang, aard, frequentie of uitvoering ongebruikelijk zijn.

- D12: transactie(s) sluiten niet aan bij het sociaal economisch profiel of leeftijd van de natuurlijke

persoon of economisch profiel van de onderneming.

- E2: aan- of verkopen tegen prijzen die beduidend afwijken van marktprijzen.

- I2: cliënt is mogelijk katvanger.

Na het door het BFT verrichte onderzoek heeft de notaris alsnog een melding gedaan.

4.44.      De notaris vraagt de kamer om de akte van 25 januari 2016 in de tijd te plaatsen. Hij heeft bij de verkoper en de koper aangedrongen op jaarcijfers en ontving daarop de balans over 2014. Destijds was een balans (van maximaal dertien maanden terug) adequaat. Pas vanaf het voorjaar 2018 heeft het BFT het notariaat op regiobijeenkomsten gewezen op de mogelijkheid van vervalste niet-gedeponeerde jaarrekeningen, met de suggestie om kritisch te kijken naar de opsteller van de jaarcijfers. Begin 2016 was de notaris (en het notariaat in het algemeen) hier niet op bedacht.

De notaris heeft naar aanleiding van het BFT-rapport samen met zijn medewerkers een groot aantal verbeterslagen gemaakt in het kantoorbeleid. In de audit van november 2019 werd zijn kantoor “up to standards” bevonden.

4.45.      De kamer overweegt het volgende. De notaris heeft onweersproken gelaten dat de KNB al in 2011 aandacht heeft gevraagd voor aandelenoverdrachten en de oprichting van rechtspersonen in haar notitie “Aandachtspunten aandelenoverdrachten en oprichting van rechtspersonen in verband met WWFT” van 1 december 2011 (overgelegd door het BFT als bijlage 11B). In deze notie staat onder meer vermeld:

“Toets een balans grondig, en vraag naar een balans wanneer deze niet wordt meegeleverd. U bent zelf verantwoordelijk, en kunt niet volstaan met de constatering dat de accountant de stukken heeft aangeleverd.”

Verder heeft de notaris onweersproken gelaten dat de vertrouwensnotarissen van de KNB in december 2013 de notitie “Aandachtspunten bij aandelenoverdracht” (overgelegd door het BFT als bijlage 11C) hebben opgesteld, waarin tips worden gegeven aan notarissen. In deze notitie staat onder 3.f. onder meer het volgende vermeld:

“f) Is de koopprijs aanmerkelijk (te) hoog of (te) laag voor het over te dragen aandelenpakket? U kunt bijvoorbeeld de laatst gedeponeerde jaarrekening van de vennootschap daartoe inzien. Als er geen recente versie gedeponeerd is, kunt u deze opvragen bij de cliënt. Bij twijfel kunt u nadere informatie bij partijen opvragen over de koopprijs en/of na verkregen instemming van partijen bij de betrokken accountant.”

Tegen deze achtergrond en gelet op hetgeen in 4.37. is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notaris heeft nagelaten om een (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren in de zin van artikel 3 jo. artikel 8 Wwft.

4.46.      Verder overweegt de kamer dat een notaris een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie op grond van artikel 16 Wwft onverwijld moet melden aan de FIU-Nederland, nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij in dit geval onverwijld een verplichte melding in de zin van de Wwft had moeten doen bij de FIU-Nederland, hetgeen hij heeft nagelaten. De notaris heeft zelfs geen melding gedaan naar aanleiding van het op 30 september 2016 gevoerde gesprek met de curator van [I B.V.], waarin de curator de koper als katvanger heeft aangeduid. Daarmee heeft de notaris naar het oordeel van de kamer tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat de notaris uiteindelijk alsnog een melding heeft gedaan naar aanleiding van het BFT-onderzoek doet hier niets aan af.

4.47.      Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel C ten aanzien van verwijt a.3. gegrond worden verklaard.

b)      aandelenoverdracht [III B.V.] (bevinding 6.2.4. van het BFT-rapport)

4.48.      In het BFT-rapport staat met betrekking tot de aandelenoverdracht van [III B.V.] (hierna: [III B.V.]) onder meer het volgende vermeld:

“Op 17 juli 2015 worden alle aandelen in [III B.V.] geleverd door de heer [G] aan de heer [H] voor een bedrag van € 500 (bijlage 13) . Over dit dossier zijn door het BFT vragen gesteld (…), welke door de notaris zijn beantwoord (…)

Volgens de notaris zat zowel verkoper en koper in de staalbewerking en kenden de verkoper en koper elkaar via de heer [I] . Volgens de notaris beschikte de verkoper over een lege B.V. en koper wilde een B.V. kopen omdat oprichten te duur was. In het dossier zit een overdrachtsbalans van [III B.V.] die door verkoper is aangeleverd waaruit blijkt dat het eigen vermogen van de vennootschap € 1 is. De overdrachtsbalans per 17 juli 2015 van [III B.V.] is door de verkoper aangeleverd. Deponeringen bij de Kamer van Koophandel van de jaarcijfers over 2013 en 2014 ontbreken. Een schriftelijke koopovereenkomst tussen verkoper en koper ontbreekt.

In het dossier zit voorts de voorafgaande aandelenoverdracht, gepasseerd bij notaris mr. [J] te [vestigingsplaats] . Op 12 mei 2015 zijn alle aandelen door verkoper [G] verkregen van de heer [K] , voor € 1. In het dossier zit tevens een aandeelhoudersbesluit van 7 mei 2015 om over te gaan tot vermindering van het kapitaal. De vermindering van het kapitaal bedraagt € 17.900. De statutenwijziging van [III B.V.] heeft  overeenkomstig op 7 mei 2015 plaatsgehad bij notaris mr. [J] te [vestigingsplaats] .

De factuur voor de kosten van de aandelenoverdracht komen ten laste van de vennootschap en zijn op 16 juli 2015 per bank voldaan. In het dossier bevindt zich ook een briefje waarin staat dat de heer [G] op 8 juli 2015 een bedrag van € 500 heeft ontvangen van de heer [H] .

Op 3 september 2015 is [III B.V.] ontbonden en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.”   

4.49.      Het verwijt van het BFT valt uiteen in de volgende twee onderdelen die de kamer hierna

afzonderlijk zal bespreken.

     1. onderzoeksplicht en dienstweigering (bevinding 6.2.4.1. van het BFT-rapport)

4.50.      Het BFT stelt dat de notaris meer onderzoek had moeten doen naar de (wijze waarop de) koopsom van de aandelen (tot stand is gekomen) en hij had hierover meer moeten vastleggen, gelet op de omstandigheden die in het hiervoor vermelde citaat worden genoemd. Door de akte van aandelenoverdracht toch te passeren heeft de notaris volgens het BFT in strijd gehandeld met de artikelen 17 en 21 lid 2 Wna.

4.51.      De notaris voert aan dat, anders dan het BFT stelt, een schriftelijke koopovereenkomst in dit geval niet ontbreekt. De koopovereenkomst is namelijk in de akte van aandelenoverdracht opgenomen.

4.52.      Onder verwijzing naar hetgeen in 4.36. is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notaris in dit geval gegronde redenen had om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren. Bij dit oordeel speelt mee dat de notaris heeft erkend dan wel niet heeft weersproken dat:

-          het kapitaal van [III B.V.] begin mei 2015 is verminderd met € 17.900,--;

-          op 12 mei 2015 alle aandelen door de verkoper zijn verkregen voor € 1,--;

-          in juli 2015 sprake was van een eigen vermogen van [III B.V.] van € 1,--;

-          de koopsom van de aandelen in juli 2015 € 500,-- bedroeg;

-          recente jaarcijfers niet waren gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

Tegen deze achtergrond had de notaris bedacht moeten zijn op de in artikel 6 Vbg 2011 genoemde gevallen, waarin een notaris zijn dienst moet weigeren. Naar het oordeel van de kamer had de notaris in de gegeven omstandigheden nader onderzoek moeten doen om:

- uit te kunnen sluiten dat sprake was van vennootschapsfraude;

- vast te kunnen stellen dat de inhoud van de akte (ten aanzien van bijvoorbeeld de koopsom van de aandelen) waarvoor zijn tussenkomst was ingeroepen, overeenkwam met de waarheid; en

- de door hem vast te stellen feiten te kunnen controleren.

Het is de kamer niet gebleken dat de notaris dit onderzoek heeft gedaan. De kamer is daarom van oordeel dat de notaris in strijd heeft gehandeld met artikel 21 lid 2 Wna jo artikel 6 Vbg 2011.

4.53.      Op grond van het voorgaande zal klachtonderdeel C ten aanzien van verwijt b.1. gegrond worden verklaard.

     2. Wwft (bevinding 6.2.4.2. van het BFT-rapport)

4.54.      Het BFT verwijt de notaris in de eerste plaats dat hij heeft nagelaten om een (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren in de zin van artikel 3 jo. artikel 8 Wwft. Zo heeft de notaris geen informatie ingewonnen over het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie en heeft hij, ondanks de concrete signalen dat de aandelentransactie een hoger risico op witwassen vormde (gelet op de voorafgaande aandelenoverdracht van € 1,-- en het discutabele motief van de koper dat de aandelenoverdracht goedkoper zou zijn dan de oprichting van een B.V.) geen nader onderzoek ingesteld.

Verder verwijt het BFT de notaris dat hij de transactie niet als ongebruikelijk heeft aangemeld bij de FIU-Nederland, terwijl er voldoende grond was te veronderstellen dat deze transactie verband zou kunnen houden met witwassen. Het BFT wijst in dit verband op de volgende in het BFT-rapport genoemde indicatoren.

- C5: de historie van de cliënt vertoont hiaten, bijvoorbeeld geen informatie of documentatie over

vorige transacties of bedrijfsactiviteiten.

- D2: transacties die door hun omvang, aard, frequentie of uitvoering ongebruikelijk zijn.

- D5: in een korte periode wordt een goed meerdere keren verhandeld.

- I2: cliënt is mogelijk katvanger.

Na het door het BFT verrichte onderzoek heeft de notaris alsnog een melding gedaan.

4.55.      De notaris vraagt de kamer om ook de akte van 17 juli 2015 in de tijd te plaatsen. Het was in 2015 niet gebruikelijk om in vergaande mate het ‘doopceel’ van een vennootschap te lichten, door in dit geval bijvoorbeeld te vragen naar de reden van de eerdere kapitaalsvermindering en de levering ten bedrage van € 1,--. Evenmin was het in 2015 gebruikelijk om na te gaan waarom jaarstukken ontbraken; het genoegen nemen met een wel beschikbare overdrachtsbalans was gebruikelijk, evenals het accepteren van een balans die niet door een accountants- of administratiekantoor was opgesteld én het accepteren van jaarstukken die tot dertien maanden voordien waren opgesteld.

De notaris heeft naar aanleiding van het BFT-rapport samen met zijn medewerkers een groot aantal verbeterslagen gemaakt in het kantoorbeleid.  In de audit van november 2019 werd zijn kantoor “up to standards” bevonden.

4.56.      In aanvulling op hetgeen al in 4.45. is overwogen, wijst de kamer erop dat in de eerder genoemde notitie van de vertrouwensnotarissen “Aandachtspunten bij aandelenoverdracht” van december 2013 ook aandacht wordt gevraagd voor situaties waarin verschillende overdrachten van dezelfde aandelen kort na elkaar plaatsvinden.

Tegen deze achtergrond en mede gelet op hetgeen in 4.52. is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notaris heeft nagelaten om een (verscherpt) cliëntenonderzoek uit te voeren in de zin van artikel 3 jo. artikel 8 Wwft.

4.57.      Verder overweegt de kamer dat een notaris een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie op grond van artikel 16 Wwft onverwijld moet melden aan de FIU-Nederland, nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij in dit geval onverwijld een verplichte melding in de zin van de Wwft had moeten doen bij de FIU-Nederland, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarmee heeft de notaris naar het oordeel van de kamer tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat de notaris alsnog een melding heeft gedaan naar aanleiding van het BFT-onderzoek doet hier niets aan af.

4.58.      Op grond van het voorgaande zal ook klachtonderdeel C ten aanzien van verwijt b.2. gegrond worden verklaard.

Conclusie en maatregel

4.59.      De klachtonderdelen A en C zullen gegrond worden verklaard. Klachtonderdeel B zal  ongegrond worden verklaard.

4.60.      De notaris heeft verzocht om de klacht, gelet op een aantal door hem genoemde omstandigheden, coulant te beoordelen. Aangezien deze omstandigheden geen invloed hebben op de in 4.59. genoemde conclusie, zullen de omstandigheden, voor zover zij van belang zijn, hierna worden besproken in het kader van de maatregeloplegging en proceskostenveroordeling.

4.61.      Wat betreft de maatregeloplegging overweegt de kamer het volgende. Een notaris dient te allen tijde de op hem rustende wettelijke verplichtingen na te komen. De gegronde klachtonderdelen zien onder meer op de - uit de Wna en/of Wwft voortvloeiende - kernwaarden in het notariaat als zorgvuldigheid, integriteit en de poortwachtersfunctie van de notaris.

Een notaris moet zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig gedragen dat het vertrouwen in het notariaat en in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad. Het notariaat kan als beroepsgroep alleen functioneren als het publiek vertrouwen heeft in de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit van een notaris. Het schenden van de Beleidsregel is daarom een ernstige tekortkoming van de notaris.   

Verder moet een notaris onder andere voorkomen dat hij een schakel wordt in de totstandkoming van transacties die verband (kunnen) houden met witwassen en financieren van terrorisme. Het nalaten van een zorgvuldig onderzoek, het niet opschorten dan wel weigeren van zijn dienstverlening en het onvoldoende invulling geven aan de op hem rustende verplichtingen op grond van de Wwft, is daarom ook een ernstige tekortkoming van de notaris.

4.62.      Gezien de ernst van de verweten gedragingen en het feit dat een groot deel van de klachtonderdelen gegrond wordt verklaard, zou de optelsom kunnen zijn dat aan de notaris de zwaardere maatregel van berisping wordt opgelegd, maar daarvoor ziet de kamer te weinig grond. De notaris heeft blijk gegeven van inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en nalaten ten aanzien van klachtonderdeel C. Hij heeft ook maatregelen getroffen ter verbetering van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Wwft. Zo heeft hij naar eigen zeggen zijn kantoorbeleid verbeterd en aangescherpt. In zijn verweerschrift heeft de notaris uitgebreid toegelicht op welke wijze hij dat heeft gedaan en heeft hij gewezen op een audit van zijn notariskantoor in november 2019, waarbij het kantoor “up to standards” werd bevonden. Daar komt bij dat de aan de notaris gemaakte verwijten betrekking hebben op het handelen/nalaten van de notaris in 2015, 2016 en 2017 en er sinds die tijd binnen het notariaat een behoorlijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden in de bewustwording op het gebied van integere beroepsuitoefening en de Wwft.   

Verder weegt in het voordeel van de notaris mee dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft.

4.63.      Gezien het vorenstaande acht de kamer de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

Proceskosten

4.64.      Nu de klacht voor een groot deel gegrond wordt verklaard en aan de notaris een maatregel wordt opgelegd, ziet de kamer - gelet op het bepaalde bij 103b lid 1 onder b Wna en de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat - aanleiding om de notaris te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak door de kamer zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 3.500,00. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

De notaris heeft de kamer verzocht om de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 toe te passen, aangezien de klacht op 7 januari 2021 naar de kamer Den Bosch is doorverwezen. De kamer komt aan dat verzoek niet tegemoet. De nieuwe richtlijn is namelijk in werking getreden per 1 januari 2021 en is van toepassing op klachten die vanaf die datum bij één van de kamers binnenkomen. In dit geval is de klacht op 9 december 2019 binnengekomen bij de kamer Den Haag en is dus de Tijdelijke Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat van toepassing.

De notaris dient genoemde kosten van € 3.500,00 na het onherroepelijk worden van deze beslissing te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in artikel 103b lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5.          De beslissing

De kamer:

5.1.       verklaart de klachtonderdelen A en C gegrond;

5.2.       verklaart de klacht voor het overige (klachtonderdeel B) ongegrond;

5.3.       legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

5.4.       veroordeelt de notaris tot betaling aan de kamer van een bedrag van € 3.500,-- in verband met de genoemde kosten van behandeling van de zaak en bepaalt dat dit bedrag moet worden betaald op de wijze en binnen de termijn die hiervoor onder 4.64. is omschreven.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.L.M. Snijders, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend rechterlijk lid, mr. Y.M.R. van der Voort, plaatsvervangend notarislid, mr. M.A. Rosenbrand-Biesheuvel, notaris lid en mr. G.A.M. van Lith, belasting lid.

Uitgesproken in het openbaar op 20 september 2021 door mr. W.F.J. Aalderink, plaatsvervangend voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Hoger beroep tegen deze beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift - binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij van deze beslissing kennis is gegeven - bij het gerechtshof in Amsterdam, postadres: Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.