Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2021:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/380858 / KL RK 20-149

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2021:25
Datum uitspraak: 07-06-2021
Datum publicatie: 17-06-2021
Zaaknummer(s): C/05/380858 / KL RK 20-149
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht gegrond met berisping
Inhoudsindicatie:   De notaris heeft nagelaten om zich op de hoogte te stellen van het relevante feitencomplex en heeft daarmee onzorgvuldig gehandeld. Dit klachtonderdeel is gegrond. Dat de notaris een aansprakelijkheid van de hand wijst levert op zichzelf geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Dit klachtonderdeel is ongegrond. De maatregel berisping wordt opgelegd.                 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk:          C/05/380858 / KL RK 20-149

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[ naam klaagster ]

wonende in [ woonplaats klaagster]

klaagster,

gemachtigde: mr. M.J. Germs, advocaat te Nijmegen,

tegen

[ naam notaris ]

notaris te [vestigingsplaats notaris]

gemachtigde: mr. W. Knoester, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk klaagster en de notaris genoemd.

1.          Het verloop van de procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit

-        de klacht, met bijlagen, van 10 december 2020;

-        het verweer van de notaris van 17 januari 2021;

-        de brief met bijlagen van de notaris van 8 april 2021.

1.2.       De klachtzaak is ter zitting van 23 april 2021 behandeld, waarbij zijn verschenen namens klaagster, haar gemachtigde enerzijds en de notaris met zijn gemachtigde anderzijds. Allen hebben op de zitting het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen.

2.          De feiten

2.1.       De [erflater] is eerder gehuwd geweest met [overleden echtgenote]. Zij is overleden in [1999]. Zij heeft een testament opgesteld op 1 oktober 1987 waarin een zogeheten ouderlijke boedelverdeling is opgenomen.

2.2.       Op 21 november 2018 heeft de notaris met erflater een bespreking gehad over het op te stellen testament. In de brief van 30 november 2018 die aan erflater is gestuurd door de notaris met het concept testament, staat als volgt: “Uw kinderen zullen moeten afwachten wat er uiteindelijk voor hen overblijft. Zij kunnen uw echtgenote niet dwingen om het bezit te bewaren en/of eerder aan de kinderen uit te betalen.”

2.3.       Klaagster en erflater zijn gehuwd op [2018] in beperkte gemeenschap van goederen.

2.4.       Erflater heeft op 12 december 2018 een testament laten opmaken door de notaris. In het testament zijn de kinderen van erflater benoemd tot erfgenaam en zijn aan klaagster alle goederen van de nalatenschap gelegateerd, alsmede het vruchtgebruik daarvan. Ten aanzien van de bedoeling van erflater is het volgende in het testament opgenomen: “Het is mijn uitdrukkelijke bedoeling om mijn partner, met wie ik al 18 jaar samen ben en met wie ik vandaag in het huwelijk ben getreden, beschermd achter te laten wanneer ik kom te overlijden. Ik zie dit als mijn morele plicht jegens haar en ben van mening dat zij de vrije beschikking over mijn vermogen moet hebben en het recht moet hebben om op mijn vermogen in te teren. Wat van het vermogen overblijft moet aan mijn eigen kinderen toekomen.”

2.5.       Op [2020] is erflater overleden.

2.6.       De kinderen van erflater hebben kort na zijn overlijden aanspraak gemaakt op afgifte van alle activa uit de nalatenschap van erflater in verband met het opeisbaar worden van de vorderingen op erflater die voortvloeien uit de bij testament van de overleden echtgenote opgemaakte ouderlijke boedelverdeling. De vorderingen van de kinderen zijn groter dan de activa die ten tijde van het overlijden van erflater aanwezig waren.

2.7.       Klaagster heeft de notaris bij brief van 30 november 2020 aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade.

2.8.       Bij e-mail van 30 november 2020 heeft de notaris aan de gemachtigde van klaagster bericht dat hij de aansprakelijkstelling doorgeleidt aan zijn verzekeraar en dat hij iedere aansprakelijkheid van de hand wijst.

3.          De klacht en het verweer

3.1.       De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:

1)     Niet voldaan aan zorg- en informatieplicht

Klaagster verwijt de notaris dat het testament nimmer het beoogde effect heeft kunnen sorteren en dat erflater niet is gewezen op de verstrekkende gevolgen van de vorderingen van de kinderen van erflater. Het was de bedoeling dat klaagster na het overlijden van erflater verzorgd achter zou blijven. Daarom is een testament opgemaakt waarbij de kinderen van erflater benoemd zijn tot erfgenamen en aan klaagster alle goederen van de nalatenschap zijn gelegateerd alsmede het vruchtgebruik daarvan. De notaris heeft echter nagelaten om navraag te doen naar eerder opengevallen nalatenschappen.

2)     Grievend gedrag

De notaris heeft iedere aansprakelijkheid ongemotiveerd van de hand gewezen en dat is door klaagster als zeer grievend ervaren.

3.2.       Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4.          De beoordeling

4.1.       Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2.       Gelet op het bepaalde in artikel 43 Wna dient een notaris de zakelijke inhoud van de akte te bespreken en dient hij daarop een toelichting te geven. Zo nodig wijst hij op de gevolgen die voor partijen uit de inhoud van die akte kunnen voortvloeien.

Redelijk belang

4.3.       De notaris heeft aangevoerd dat klaagster geen redelijk belang heeft bij het indienden van de klacht, omdat de zorgplicht die de notaris heeft over het openvallen van een eerder testament jegens erflater is en niet jegens klaagster zodat klaagster geen belanghebbende is zoals bedoeld in artikel 99 lid 1 Wna. Klaagster is daarom niet ontvankelijk in haar klacht.

4.4.       De kamer overweegt als volgt. Waar het om gaat is of klaagster in haar rechtspositie wordt geraakt door het handelen van de notaris. Daarvan is zeker sprake. Erflater heeft immers op basis van het advies van de notaris een testament laten opstellen met het doel om klaagster beschermd achter te laten. Erflater had mogelijk een andere afweging gemaakt indien hij was geïnformeerd over het opengevallen testament van zijn overleden echtgenote en de gevolgen daarvan. Klaagster is daarom ontvankelijk in haar klacht.

Klachtonderdeel 1: niet voldaan aan zorg- en informatieplicht

4.5.       Bij de beoordeling staat voorop dat de door de notaris in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt dat hij zich ervan moet vergewissen of het door hem opgestelde testament wel het gewenste effect kan sorteren, waarbij het ook op zijn weg ligt om navraag te doen naar het relevante feitencomplex. Daarbij is in dit geval in het bijzonder van belang dat erflater ook al in 2003 en 2004 zijn nalatenschap bij de notaris had geregeld waarbij achtereenvolgens een legaat voor klaagster en een woonrecht voor haar waren vastgelegd. In 2009 was erflater wederom bij de notaris om met hem te bespreken of en hoe een huwelijk met klaagster haar na zijn overlijden zou beschermen. Erflater was aldus een bekende cliënt van de notaris. Als erkend staat vast dat de notaris zijn dossier niet heeft open geslagen bij de bespreking op 21 november 2018. Om tijdens die bespreking in kaart te krijgen hoe de bedoeling van erflater -bescherming van klaagster- zo goed mogelijk gerealiseerd kon worden, had de notaris in elk geval behoren te vragen naar de eerder opengevallen nalatenschap van de overleden echtgenote. Volgens klaagster heeft de notaris dat niet gedaan terwijl de notaris heeft aangegeven dat hij dat niet kan bevestigen noch kan ontkennen. Hij acht wel aannemelijk dat er over de nalatenschap van de overleden echtgenote is gesproken, maar kan dat niet aantoonbaar bevestigen omdat hij dat niet gedetailleerd in zijn aantekeningen heeft opgenomen. Dat laatste komt naar het oordeel van de kamer voor het risico van de notaris. Nu de notaris in de brief van 30 november 2018 ook geen melding maakt van mogelijke vorderingen van de kinderen van erflater en zelfs met zoveel woorden vermeldt dat de kinderen moeten afwachten wat er uiteindelijk voor hen overblijft, moet worden aangenomen dat de notaris de eerder opengevallen nalatenschap van de overleden echtgenote niet ter sprake heeft gebracht en de gevolgen daarvan niet inzichtelijk heeft gemaakt voor erflater. Dit kan de notaris worden verweten en in zoverre is de klacht dan ook gegrond.

4.6.       Hieraan doet niet af de stelling van de notaris dat geen enkel testament het probleem van een klaarblijkelijk negatief vermogen had kunnen helen en dat de oorzaak van de schade van klaagster niet de vermeende ontbrekende uitleg is maar het feit dat erflater ten tijde van zijn overlijden al zoveel vermogen had opgemaakt dat de vorderingen van de kinderen uit de nalatenschap van de overleden echtgenote groter waren dan het resterende vermogen. De notaris heeft -door geen navraag te doen naar het bestaan en de inhoud van het testament van de overleden echtgenote- aan erflater de mogelijkheid ontnomen om eventuele andere beschermende maatregelen te treffen en/of met klaagster te bespreken welke financiële gevolgen zijn overlijden voor haar zou hebben. Dan zou zij in elk geval niet, zoals nu het geval is, overvallen zijn door de vorderingen van de kinderen van erflater als gevolg waarvan zij haar woning op stel en sprong heeft moeten verlaten.

Klachtonderdeel 2: grievend gedrag

4.7.       Klaagster heeft de e-mail van 30 november 2020 waarin de notaris iedere aansprakelijkheid van de hand wijst als zeer grievend ervaren. De notaris heeft in dit verband evenwel naar voren gebracht dat hij van zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar zonder overleg geen aansprakelijkheid mag erkennen. Bovendien geldt dat het bevestigen van de ontvangst van de aansprakelijkstelling op dezelfde dag als de ontvangst daarvan met daarbij de mededeling dat deze zou worden doorgeleid naar de verzekeraar, enkel getuigt van een zorgvuldige benadering aldus de notaris.

Hieromtrent geldt het volgende. Anders dan klaagster veronderstelt levert het enkele gegeven dat een notaris een aansprakelijkheid van de hand wijst op zichzelf geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Nadere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden kunnen of moeten maken, zijn niet gesteld. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat als niet betwist vaststaat dat de notaris nog heeft geprobeerd om te bemiddelen tussen klaagster en de kinderen van erflater zodat niet geconcludeerd kan worden dat hij klaagster aan haar lot heeft overgelaten, zoals klaagster lijkt te veronderstellen. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Maatregel

4.8.       Op de gegrondverklaring van een klacht past in beginsel een tuchtrechtelijke reactie.

Gezien de feiten en omstandigheden acht de kamer de maatregel van berisping passend en geboden.

Kostenveroordeling

4.9.       Omdat de kamer de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99 lid 5 Wna het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar te vergoeden.

4.10.     De kamer ziet aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 sub a Wna en de tijdelijke richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de volgende kosten:

-        de kosten die klaagster in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,-;

-        de kosten die klaagster heeft moeten maken voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld op 2 punten voor het indienen van het klaagschrift en de bijstand ter zitting met een waarde per punt van € 500,-.

De notaris dient deze kosten en het griffierecht genoemd in alinea 4.11 binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klaagster te vergoeden. Klaagster dient daarvoor tijdig haar rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de notaris.

4.11.     Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b lid 1 sub b Wna en de tijdelijke richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 3.500,-. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de kamer. De notaris ontvangt hiervoor een nota van het LDCR te Utrecht.

5.          De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

-        verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;

-        verklaart klachtonderdeel 2 ongegrond;

-        legt de notaris op de maatregel van berisping;

-        veroordeelt de notaris tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder alinea 4.10 bepaald;

-        veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van klaagster, vastgesteld op een bedrag van € 50,-, op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder alinea 4.10 bepaald;

-        veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van de aan klaagster verleende rechtsbijstand, vastgesteld op € 1.000,-, op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder alinea 4.10 bepaald;

-        veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 3.500,- , op de wijze en binnen de termijn als hiervóór onder alinea 4.11 bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. D.T. Boks, voorzitter, mr. G.J. Meijer en mr. J.A.H. Bruggemann, leden, en in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Gerwen, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2021.

De secretaris

De voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.