Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TNORARL:2021:15 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/371583 / KL RK 20-68 C/05/371584 / KL RK 20-69 C/05/371585 / KL RK 20-70

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2021:15
Datum uitspraak: 23-02-2021
Datum publicatie: 04-06-2021
Zaaknummer(s):
  • C/05/371583 / KL RK 20-68
  • C/05/371584 / KL RK 20-69
  • C/05/371585 / KL RK 20-70
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Tweetrapsmaking. Klaagster stelt dat erflater het zo niet bedoeld heeft. Wilsgebrek en ook overige bezwaren niet voldoende feitelijk onderbouwd. Bij gemotiveerde betwisting op alle punten klacht op alle onderdelen ongegrond.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/371583 / KL RK 20-68 C/05 371584 /KL RK 20-69

en C/05/371585 KL RK 20-70

beslissing van de kamer voor het notariaat

op de klacht van

[K.],

wonende te […],

klaagster,

tegen

1. [N.] ,

notaris te […],

gemachtigde: mr. L.C. Dufour,

2. [M.],

toegevoegd notaris […],

gemachtigde: mr. L.C. Dufour,

3. [O.],

kandidaat-notaris te […]

gemachtigde: mr. L.C. Dufour.

Partijen worden hierna respectievelijk klaagster en de notaris, de toegevoegd notaris of de kandidaat-notaris dan wel de notarissen genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit

-          de klacht, met bijlagen, van 2 juni 2020

-          het verweer van de notarissen van 28 augustus 2020.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 8 januari 2021 behandeld, waarbij zijn verschenen klaagster enerzijds en de notarissen bijgestaan door hun gemachtigde, anderzijds.

2. De feiten

2.1 Klaagster is in 1985 gehuwd met [E.] (hierna: erflater), beiden in tweede echt. Klaagster en erflater zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit het huwelijk van klaagster en erflater zijn geen kinderen geboren. Erflater had uit zijn eerste huwelijk drie kinderen. De kinderen van erflater hebben in totaal vier kinderen. Klaagster heeft uit haar eerste huwelijk twee kinderen.

2.2. Op 6 juli 2012 hebben klaagster en erflater samenhangende testamenten opgesteld. In het geval erflater voor klaagster zou komen te overlijden, benoemde hij klaagster tot enig erfgenaam. Verder was in dit testament een 50/50 regeling opgenomen, inhoudend dat bij het laatste overlijden de kleinkinderen van erflater de helft van het gezamenlijk vermogen gelegateerd kregen en de kinderen van klaagster erfgenaam werden van de andere helft.

2.3 In maart 2019 hebben klaagster en erflater contact opgenomen met de notarissen met het verzoek om hun testamenten aan te passen.

2.4 Bij e-mail van 15 april 2019 hebben klaagster en erflater de kandidaat-notaris bericht als volgt: “Wij hebben de concepten ontvangen, maar deze zijn niet in overeenstemming met wat wij u gevraagd hebben. Wij kunnen dit niet eenvoudig per mail omschrijven omdat de concepten erg afwijken. Wij willen graag één en ander met u bespreken.”

2.5 In de e-mail van 18 april 2019 hebben klaagster en erflater de kandidaat-notaris het volgende medegedeeld:

(…) Wij hebben gepoogd de testamenten te begrijpen. Helaas is dat niet gelukt. De taal is dermate ingewikkeld dat wij geen idee hebben wat mij moeten gaan ondertekenen.

Wat wij aan u gevraagd hebben is in de oude testamenten enkele namen te wijzigen. Zodat in het testament van [K.], [Z.] erfgenaam wordt en niet langer [P.] en [P.] het vruchtgebruik heeft totdat de woning verkocht wordt. Als de woning al verkocht is, dan erft [Z.] direct.

In het testament van [P.] wordt bepaald dat bij zijn overlijden en als zijn echtgenote voor hem overleden is, [Z.] als executeur testamentair benoemd is.(…)”

2.6 In het concept-testament van erflater (met de oorspronkelijk voorgenomen passeerdatum 24 april 2019) is een zogenaamde tweetrapsmaking opgenomen. Die houdt in dit geval in dat klaagster als eerste erfgenaam van erflater alleen erft, terwijl de kleinkinderen van erflater bij overlijden van klaagster erven volgens de in het testament bepaalde verhouding. De tweetrapsmaking brengt mee dat klaagster als eerste erfgenaam gehouden is zo spoedig mogelijk na het openvallen van de nalatenschap van erflater een beschrijving daarvan op te maken en ook jaarlijks een opgave daarvan aan de kleinkinderen te doen toekomen.

2.7 Op 2 mei 2019 heeft de toegevoegd notaris het testament van klaagster en erflater gepasseerd.

2.8 Op 20 januari 2020 is erflater overleden.

3. De klacht en het verweer

3.1 De kamer vat de klacht op als gericht tegen de gang van zaken rond de totstandkoming van de testamenten en de inhoud van het testament van erflater. Het testament van klaagster zelf staat hier niet ter discussie.

De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen:

Klachtonderdeel 1)

Het testament van 2 mei 2019 is niet in overeenstemming met de aan de notarissen kenbaar gemaakte wensen.

Klachtonderdeel 2)

De notarissen hebben klaagster en erflater in strijd met de waarheid voorgehouden dat op grond van het te passeren testament van erflater de kleinkinderen niet geïnformeerd zouden worden en dat de kleinkinderen niet als erfgenaam in het testament opgenomen zouden worden.

Klachtonderdeel 3)

De toegevoegd notaris heeft de testamenten gepasseerd zonder toelichting, zonder voorlezing en zonder uitleg.

Klachtonderdeel 4)

De notarissen hebben erflater ten onrechte geadviseerd een nieuw testament op te stellen.

3.2 Op het verweer van de notarissen zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

4.2 Artikel 99 lid 1 Wna bepaalt dat klachten tegen notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, schriftelijk en met redenen omkleed, door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend bij de kamer voor het notariaat waaronder de notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris ressorteert.

4.3 Ontvankelijkheid

4.3.1 Anders dan de notarissen betogen, moet klaagster als redelijk belanghebbende in de zin van artikel 99 Wna worden aangemerkt, aangezien klaagster door het advies, door het opstellen en door het uitvoeren van het testament van erflater in haar belang wordt geraakt.

4.3.2 Uit artikel 93 lid 1 Wna in samenhang met artikel 99 lid 1 Wna volgt dat de notaris, de toegevoegd notaris en de kandidaat-notaris elk afzonderlijk en individueel aan het tuchtrecht zijn onderworpen. De ene notaris kan niet op het handelen of nalaten van de andere notaris aangesproken worden.

Ter zitting is vastgesteld dat de notaris op geen enkele wijze bij de verweten handelingen betrokken is geweest. Klaagster kan dus op geen enkel onderdeel in haar klacht worden ontvangen, voor zover deze is gericht tegen de notaris.

4.4 Klachtonderdeel 1

4.4.1 Klaagster stelt zich, onder verwijzing naar de e-mails van 15 april 2019 en 18 april 2019, op het standpunt dat het testament van erflater in 2019 slechts gewijzigd diende te worden voor wat betreft de benoeming van de zoon van klaagster tot executeur.

Erflater heeft nooit gevraagd om de tweetrapsmaking in zijn testament en hij heeft volgens klaagster destijds ook niet begrepen dat hij daarvoor getekend heeft.

Klaagster wijst in dit verband ook op de verklaring van erflater van 2 december 2018 waarmee erflater zijn (klein)kinderen uitsluit van zeggenschap over of bemoeienis met erflater tijdens zijn leven of dood.

4.4.2 De notarissen stellen dat uit de e-mails van 15 april 2019 en 18 april 2019 niet blijkt dat erflater bezwaar had tegen de tweetrapsmaking en de vermelding van de kleinkinderen in het testament. Integendeel, uit de aantekeningen die zijn gemaakt van de besprekingen met erflater en klaagster (op 5 april 2019, 15 april 2019 en 26 april 2019) volgt duidelijk dat erflater wilde dat wat na het overlijden van klaagster van zijn nalatenschap overbleef, voor de helft aan zijn kleinkinderen toekwam. De verklaring van 2 december 2018 was hen niet bekend, alles aldus de notarissen. Erflater wilde dat klaagster het hele vermogen tot haar dood ter beschikking zou houden en een tweetrapsmaking was de enige manier om de wensen van erflater goed vast te leggen.

4.4.3 De kamer overweegt als volgt. De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Tegenover de gemotiveerde en onderbouwde betwisting van de notarissen van hetgeen klaagster op dit punt heeft gesteld, heeft klaagster geen relevante stellingen meer aangevoerd.

Klaagster heeft nog gesteld dat erflater en zij zelf ook ten tijde van het passeren van het testament in een slechte gezondheidstoestand verkeerden. Dat deze toestand ertoe geleid zou hebben dat erflater een testament heeft ondertekend wat hij niet heeft begrepen en of niet heeft gewild of overzien, is niet aannemelijk geworden. Vaststaat immers dat partijen ruim voorafgaand aan de ondertekening bij herhaling uitgebreid contact hebben gehad over de inhoud van het concept-testament dat voor wat betreft de tweetrapsmaking van het begin af aan dezelfde tekst had. Het is dus niet juist, dat de tweetrapsmaking op een laatste moment voor ondertekening in het testament is gezet.

Een en ander leidt tot de slotsom dat de klacht op dit onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond moet worden verklaard.

4.5 Klachtonderdeel 2

4.5.1 Uit de beoordeling van het eerste klachtonderdeel volgt dat ook dit klachtonderdeel geen doel treft.

Verder komt de verklaring van de kandidaat-notaris voor wat betreft de vraag van klaagster bij het passeren van het testament geloofwaardig voor. Klaagster wilde namelijk weten of zij in geval van vooroverlijden van erflater de nalatenschap onder zich kon houden en nog niets aan de kleinkinderen hoefde te betalen. De kandidaat-notaris heeft aangevoerd dat zij klaagster toen gezegd heeft dat de kleinkinderen in dat geval nog geen recht hadden om iets van de erfenis te ontvangen, maar dat zij alleen informatie zouden ontvangen. Deze toelichting van de kandidaat-notaris sluit aan op hetgeen volgt uit de door beide partijen aangedragen stukken. Daartegenover staat dat voor de lezing van klaagster geen enkel concreet aanknopingspunt is aangedragen of uit de stukken of afgelegde verklaringen af te leiden valt.

4.6 Klachtonderdeel 3

4.6.1 Klaagster stelt dat de testamenten op 2 mei 2019 op voorstel van de toegevoegd notaris, vanwege de slechte gezondheidstoestand van erflater, zonder uitleg, bespreking en voorlezen zijn gepasseerd.

4.6.2 De toegevoegd notaris heeft haar werkwijze in geval van passeer-afspraken beschreven. Deze werkwijze houdt onder meer in dat bij aanvang van de passeer-afspreek aan partijen kenbaar wordt gemaakt hoe de bespreking zal verlopen en welke punten en acties op welk moment aan de orde zullen komen. Daarbij vermeldt de toegevoegd notaris dat zij voorafgaand aan de ondertekening de akte deze zal doornemen maar (met uitzondering van de kop, staart en personalia) niet letterlijk zal voorlezen, tenzij partijen daar prijs op stellen.

De toegevoegd notaris is er zeker van deze werkwijze ook in het geval van klaagster en erflater met hun instemming gevolgd te hebben.

De notarissen stellen zich daarom op het standpunt dat de klacht op dit onderdeel niet terecht is.

 4.6.3 De kamer is van oordeel dat klaagster tegenover de toelichting van de notarissen op de gang van zaken door klaagster geen concrete onderbouwing is aangedragen voor haar lezing van de gang van zaken. De klacht wordt daarom bij gebrek aan onderbouwing ook op dit onderdeel ongegrond verklaard.

4.7 Klachtonderdeel 4

4.7.1 Klaagster stelt dat zij met erflater in het contact met de notarissen over de te wijzigen testamenten duidelijk heeft gemaakt dat het slechts om een aanpassing van het eerdere testament van erflater ging, niet om een ingrijpende wijziging zoals vervolgens door de notarissen werd voorgesteld. Het advies van de notarissen op dit punt is daarom onjuist geweest volgens klaagster.

4.7.2 De notarissen stellen dat de door hen geadviseerde wijziging van het testament van erflater in 2019 niet ingrijpend was en enkel de wil van erflater vertaalde, wat ook volgt uit het feit dat de erfstelling van erflater in 2019 ten gunste van zijn kleinkinderen inhoudelijk overeenkomt met het testament van erflater in 2012.

4.7.3 De kamer overweegt dat de aanpassing van 2019 in het testament van erflater er enkel toe geleid heeft dat ondanks de gevolgen van de aanpassing van het testament van klaagster in 2019, erflaters testament van 2019 feitelijk dezelfde erfstelling bevat als in 2012, ten gunste van de kleinkinderen van erflater. Klaagster kan om die reden, aangezien zij haar stelling tegenover de gemotiveerde betwisting van de notarissen ook niet nader onderbouwd heeft, niet gevolgd worden in haar stelling dat de notarissen erflater onjuist zouden hebben geadviseerd. De klacht wordt daarom ook op dit onderdeel ongegrond verklaard.

4.8 Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart de klacht (op alle onderdelen) ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, voorzitter, mr. M.C.J. Heessels,

mr. G. Venema, leden, en in tegenwoordigheid van

mr. M.J. Derksen, secretaris, door de voorzitter mr. M.J.C. van Leeuwen ondertekend in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2021.

De secretaris

De voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.