Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2021:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 174/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:84
Datum uitspraak: 17-09-2021
Datum publicatie: 17-09-2021
Zaaknummer(s): 174/2020
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen verpleegkundige. Klaagster is vanwege chronische pijnklachten aan haar rechteroog en -slaap door verschillende specialisten onderzocht. Omdat deze specialisten geen verklaring konden vinden voor haar pijnklachten, is zij verwezen naar de pijnpolikliniek. Hier is zij in juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een anesthesioloog, fysiotherapeut, psycholoog en beklaagde. Van het MDS is door deze behandelaren vervolgens een schriftelijke terugkoppeling gegeven aan de huisarts. Hierin hebben zij geconcludeerd dat er geen aanvullende behandelopties zijn op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied en zij hebben de behandelend psycholoog gevraagd aanvullende pijneducatie te geven. Tijdens de procedure bij het tuchtcollege heeft klaagster laten weten dat zij inmiddels in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd, waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking op een hersentumor rechts. De klacht is gericht tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt hen dat zij dat een advies hebben opgesteld dat niet ziet op haar pijnklachten en dat zij niets met haar pijnklachten hebben gedaan. Klaagster voelt zich niet serieus genomen. Daarnaast verwijt zij beklaagde dat zij over bepaalde informatie uit het verleden van klaagster beschikte, terwijl klaagster geen toestemming had gegeven voor het delen van die informatie. Naar het oordeel van het college bestond er voor de behandelaren van de pijnpolikliniek geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de oorzaak van klaagsters pijn. Klaagster was vóór verwijzing immers al door meerdere specialisten gezien en deze konden geen verklaring voor haar pijnklachten vinden. Daarnaast waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor toen klaagster op het MDS werd gezien. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders. Ten aanzien van het verwijt dat beklaagde tijdens het spreekuur over informatie uit het verleden van klaagster zou hebben beschikt, heeft beklaagde uitgelegd hoe een en ander tijdens het spreekuur is verlopen en dat zij niet over voorkennis uit klaagsters verleden beschikte. Het college begrijpt deze uitleg en ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Klacht kennelijk ongegrond.    

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ZWOLLE

Beslissing in raadkamer d.d. 17 september 2021 naar aanleiding van de op 20 oktober 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A , te B,

k l a a g s t e r

-tegen-

F , verpleegkundige, (destijds) werkzaam te D,

gemachtigde:E,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift met bijlagen;

- de brief van klaagster van 17 november 2020;

- het verweerschrift met bijlagen;

- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 7 april 2021, met daaraan gehecht de reactie van beklaagde van 14 mei 2021 en de reactie van klaagster van 24 augustus 2021;

- de brief van klaagster van 4 mei 2021;

Gelijktijdig met deze klacht heeft klaagster – samenhangende – klachten ingediend tegen drie andere behandelaren. Deze klachten zijn bekend onder de nummers 173/2020, 175/2020 en 176/2020. In alle klachten wordt vandaag uitspraak gedaan.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier van klaagster) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster is bekend met epilepsie. In 2003 is bij haar een hersentumor aangetroffen. In 2010 heeft zij een auto-ongeval gehad, waarbij zij letsel heeft opgelopen aan haar rechteroog. In 2017 heeft klaagster een hersenoperatie ondergaan. In verband met chronische pijnklachten aan haar rechteroog en –slaap is zij onderzocht door meerdere specialisten, waaronder een kno-arts, oogarts en neuroloog. De specialisten hebben geen verklaring kunnen vinden voor de pijnklachten. Vervolgens is klaagster door de oogarts doorverwezen naar de polikliniek Pijnbehandeling. Klaagster heeft op 26 maart 2020 een telefonische intake gehad bij een arts-assistent anesthesiologie. Deze heeft hiervan een voortgangsverslag opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

in het vragenlijstonderzoek werden aanwijzingen gevonden voor een negatieve invloed van psychologische factoren op de pijnervaring. Op basis van bovenstaande wordt het advies gegeven een psychologisch diagnostisch onderzoek te plannen.”

[….]

Ik besprak dat een multidisciplinaire benadering aangewezen is om alle factoren die bijdragen aan de pijn in kaart kunnen brengen om zo een gepast plan te kunnen maken.”

Klaagster is vervolgens op 3 juni 2020 voor multidisciplinaire diagnostiek op het multidisciplinaire spreekuur (MDS) van de pijnpolikliniek geweest. Tijdens dit spreekuur is zij gezien door een anesthesioloog, fysiotherapeut, psycholoog en beklaagde. Deze behandelaren hebben op 10 juni 2020 een schriftelijke terugkoppeling van het MDS gegeven aan de huisarts. Hierin is onder meer het volgende advies opgenomen:

“Advies:

·         Er zijn geen aanvullende behandelopties op medicamenteus, fysiotherapeutisch en interventioneel gebied.

·         Bij deze zouden wij willen vragen aan de behandelend psycholoog te I aanvullende pijneducatie te geven.”

Tijdens het mondeling vooronderzoek op 7 april 2021 heeft klaagster laten weten dat zij in afwachting was van de resultaten van onderzoek naar de aanwezigheid van een hersentumor. Bij brief van 4 mei 2021 heeft klaagster de uitslag van haar MRI-scan aan het tuchtcollege gestuurd. Daaruit blijkt een verdenking op een hersentumor rechts.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT

Klaagster heeft een klacht ingediend tegen alle vier de behandelaren van de pijnpolikliniek. Klaagster verwijt de behandelaren gezamenlijk dat zij een advies hebben opgesteld dat niet ziet op de reden van verwijzing van klaagster – namelijk haar pijnklachten – en dat zij niets met deze klachten hebben gedaan. Volgens klaagster is zij niet serieus genomen door deze behandelaren.

Daarnaast verwijt klaagster beklaagde dat zij over bepaalde informatie uit het verleden van klaagster beschikte, terwijl klaagster geen toestemming had gegeven voor het delen van die informatie.

Klaagster heeft tijdens het mondeling vooronderzoek verklaard dat zij mogelijk de klacht zou intrekken, maar dat dit afhankelijk was van de uitslag van het onderzoek naar een hersentumor. In haar brief van 4 mei 2021 heeft klaagster laten weten het niet makkelijk te vinden om een keuze te maken rond het voortzetten of intrekken van de klacht.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder nader ingegaan.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Omdat klaagster heeft laten weten geen keuze te kunnen maken tussen het voortzetten of intrekken van haar klacht, moet worden aangenomen dat de klacht wordt voortgezet.

5.2

Het college wijst er op, dat het er bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.3

Klaagster verwijt beklaagde (met de andere behandelaren) dat zij een advies heeft opgesteld dat niet ziet op de reden van verwijzing, dat zij niets met de pijnklachten van klaagster heeft gedaan en dat zij klaagster niet serieus heeft genomen.

Voor zover klaagster hiermee stelt dat de behandelaren van de pijnpolikliniek onderzoek hadden moeten verrichten naar de oorzaak van haar pijn, volgt het college haar daarin niet. Klaagster was vóór verwijzing naar de pijnpolikliniek immers al door meerdere specialisten onderzocht. Juist het feit dat deze specialisten geen verklaring voor haar pijnklachten konden vinden, was reden om haar te verwijzen naar de pijnpolikliniek.

Daar werd geconstateerd dat er geen behandelopties waren en er werd een advies gegeven. Toen klaagster op het MDS werd gezien waren er ook nog geen aanwijzingen voor een hersentumor, zodat er voor beklaagde en de andere behandelaren op dat moment geen aanleiding bestond om daar nader onderzoek naar te laten verrichten. Dat bij onderzoek van een jaar later een hersentumor is geconstateerd, die mogelijk (ook) pijn veroorzaakt, maakt dit niet anders.

Ook overigens blijkt niet dat klaagster tijdens het MDS niet serieus is genomen. De klacht slaagt in zoverre dan ook niet.

5.4

Met betrekking tot het verwijt dat beklaagde tijdens het MDS over bepaalde informatie uit het verleden van klaagster zou hebben beschikt, heeft beklaagde tijdens het mondeling vooronderzoek de volgende uitleg gegeven:

“In het eerste gesprek vroeg ik klaagster naar haar pijnklachten. Door de reactie van klaagster kreeg ik de indruk dat zij weinig vertrouwen had in het MDS, wat ik direct tijdens dat gesprek heb aangekaart. Kennelijk zijn in het verleden soortgelijke vragen aan klaagster gesteld, waardoor ze dacht dat ik deze vraag stelde op basis van voorkennis. Dat was echter niet het geval.”

Klaagster heeft aangegeven deze uitleg te begrijpen:

“Ik ben zeer oplettend wanneer ik praat met artsen of andere zorgverleners en bedenk hoe zij aan bepaalde informatie komen: van mij, uit mijn dossier of van anderen. Hoewel ik hier voor het eerst kwam, kreeg ik door de vragen van de zorgverleners de indruk dat zij meer over mij wisten. Wat dit betreft heeft dit mondelinge vooronderzoek mijn gedachten veranderd.”

Ook het college begrijpt deze uitleg van beklaagde en ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. Dit betekent dat de klacht ook in zoverre niet slaagt.  

5.5

Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.

6.    DE BESLISSING

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, B. Nijhuis-Prigge en J. Tiersma, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van M.D. Moeke, secretaris.

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.         Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.         Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.         Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.