Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRZWO:2021:8 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 101/2020

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2021:8
Datum uitspraak: 11-01-2021
Datum publicatie: 11-01-2021
Zaaknummer(s): 101/2020
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Klacht tegen tandarts, die wordt verweten dat hij (1) zich ten onrechte jegens patiënten als orthodontist presenteert, (2) zich niet toetsbaar en transparant opstelt en (3) de randvoorwaarden voor goede tandheelkundige zorgverlening niet op orde heeft. Gegrond. Voorwaardelijke schorsing.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 11 januari 2021 naar aanleiding van de op 6 juli 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD, gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht, vertegenwoordigd door mr. drs. S. Pravisano-Haps in haar hoedanigheid van inspecteur van de IGJ, bijgestaan door mr. I. de Groot in haar hoedanigheid van advocaat/senior juridisch adviseur van de IGJ,

k l a a g s t e r

-tegen-

A , tandarts, (destijds) werkzaam te B,

bijgestaan door mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam als advocaat bij Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

b e k l a a g d e

1.    HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-          het klaagschrift met bijlagen;

-          het verweerschrift met bijlagen;

-          de e-mail van beklaagde van 21 augustus 2020 met bijlage;

-          de repliek met bijlagen;

-          de dupliek met bijlagen;

-          de brief van klaagster van 26 november 2020 met (opnieuw) bijlage 10;

-          de brief van beklaagde van 27 november 2020 met bijlagen;

-          de e-mail van beklaagde van 30 november 2020 met bijlage;

-          de brief van klaagster van 30 november 2020 met bijlage.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 15 december 2020, waar namens klaagster zijn verschenen mr. drs. S. Pravisano-Haps en mr. De Groot, voornoemd. Beklaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van Oosterhout, voornoemd, en vergezeld door C, als auditor verbonden aan adviesbureau D.

2.    DE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Beklaagde is BIG-geregistreerd als tandarts. Sinds 25 mei 2018 is hij bestuurder van

E te F. Onder zijn bestuur valt tevens G te H. Beklaagde is op beide praktijken werkzaam als tandarts. Voordat beklaagde bestuurder werd, was hij ook al werkzaam in de praktijk E maar toen was zijn broer I bestuurder. Op 15 februari 2018 heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg I als tandarts en orthodontist doorgehaald.

Op 18 juli 2017 heeft dit college geoordeeld dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag en hem de maatregel opgelegd van schorsing voor een jaar, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

De proeftijd liep tot 2 november 2019.

Naar aanleiding van een melding van een patiënte van beklaagde eind november 2019 met betrekking tot onprofessioneel handelen en mogelijk onbevoegd handelen/titelmisbruik door beklaagde heeft klaagster een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft klaagster op 27 januari 2020 een onaangekondigd bezoek afgelegd op de praktijk in F. Tijdens dit bezoek heeft klaagster onder meer een aantal geselecteerde patiëntendossiers ingezien. Een gedeelte daarvan heeft klaagster uitgeprint en meegenomen. Kort na dit bezoek constateerde klaagster dat de bij deze dossiers behorende informed consentverklaringen als bijlage aan het patiëntendossier waren gevoegd en daardoor niet direct in de uitgeprinte dossiers konden worden ingezien. Om die reden heeft klaagster tijdens het bezoek aan de praktijk in H op

28 januari 2020 beklaagde verzocht om deze verklaringen alsnog toe te sturen op uiterlijk 3 februari 2020. Ditzelfde verzocht klaagster ook met betrekking tot patiëntendossiers en bijbehorende informed consentverklaringen die tijdens de bezoeken op 27 januari en 28 januari 2020 niet uitgeprint konden worden. Op 11 februari 2020 heeft een herinspectie op de praktijk in F plaatsgevonden. Klaagster zag opnieuw de eerder opgevraagde patiëntendossiers. Ook bekeek zij twee willekeurig geselecteerde patiëntendossiers.

De bevindingen en conclusies van het in de periode van eind november 2019 tot maart 2020 uitgevoerde onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 maart 2020. In het rapport concludeert klaagster onder meer dat de randvoorwaarden van de praktijk van beklaagde voor het bieden van goede zorg op de onderwerpen hygiëne en infectiepreventie, radiologie, dossiervoering en organisatie van de zorg niet op orde zijn. Daarnaast presenteert beklaagde zich volgens dit rapport als orthodontist richting patiënten, terwijl hem deze titel niet toekomt, en stelt hij zich volgens het rapport niet transparant en toetsbaar op. Klaagster meent dat sprake is van een situatie die voor de patiëntveiligheid, de kwaliteit van zorg of anderszins voor het leveren van goede zorg een ernstige bedreiging vormt.

Op basis van dit rapport heeft klaagster gelijktijdig bij besluit van 24 maart 2020 aan (de praktijk van) beklaagde een aanwijzing op grond van artikel 27 lid 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) gegeven die beklaagde verplicht om binnen vijf werkdagen (eerste termijn) respectievelijk twee maanden (tweede termijn) na datum dagtekening verbetermaatregelen te treffen op de zorgonderdelen infectiepreventie, radiologie, dossiervoering en organisatie.

Tegen dit besluit heeft (de praktijk van) beklaagde bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende schorsing van het aanwijzingsbesluit. Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank J (afdeling Bestuursrecht) van 20 mei 2020 is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Op 28 april 2020 heeft klaagster een bezoek aan de praktijk van beklaagde gebracht om de realisatie te toetsen van de verbetermaatregelen die uiterlijk 31 maart 2020 getroffen dienden te zijn.

Bij brief van 10 juni 2020 heeft klaagster gemelde aanwijzing ter zake van de in die brief genoemde onderdelen op het gebied van infectiepreventie en radiologie (en derhalve gedeeltelijk) beëindigd.

Bij besluit van 23 juni 2020 heeft klaagster (de praktijk van beklaagde) een last onder dwangsom opgelegd voor de volgende (resterende) tekortkomingen:

-      het niet aantoonbaar maken dat het eerder vastgestelde risico door het hergebruik van vuil instrumentarium is weggenomen;

-      het niet borgen dat steriel instrumentarium wordt gebruikt.

Voorts heeft klaagster besloten om de aanleiding voor het opleggen van deze last en de strekking daarvan uiterlijk op 7 juli 2020 openbaar te maken.

Tegen dit besluit heeft (de praktijk van) beklaagde gelijktijdig bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd, inhoudende schorsing van het dwangsombesluit.

Op 29 juni 2020 bracht klaagster een bezoek aan de praktijk van beklaagde om de realisatie te toetsen van de verbetermaatregelen waaraan uiterlijk 26 mei 2020 diende te zijn voldaan.

Bij besluit van 17 juli 2020 heeft klaagster het bezwaar tegen gemeld besluit van

24 maart 2020 ongegrond verklaard.

Omdat (de praktijk van) beklaagde tijdig heeft voldaan aan de last onder dwangsom om naleving van de aanwijzing met betrekking tot zorg voor gebruik van schoon en waar aangewezen steriel instrumentarium af te dwingen, heeft klaagster deze bij besluit van 12 augustus 2020 beëindigd. Daarbij heeft klaagster meegedeeld dat de zakelijke weergave van de overwegingen die tot die beëindiging hebben geleid, openbaar worden gemaakt, reden waarom beklaagde en diens praktijk het bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening hebben gehandhaafd.

Bij uitspraak van 20 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank J (afdeling Bestuursrecht), voor zover hier van belang, het dwangsombesluit geschorst voor zover daarbij is besloten om de daarin opgenomen last openbaar te maken, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij brief van 27 augustus 2020 heeft klaagster (de praktijk van) beklaagde haar voornemen aangekondigd tot het opleggen van een last onder dwangsom wegens het niet volledig voldoen aan de aanwijzing van 24 maart 2020, voor zover deze betrekking heeft op de onderdelen dossiervoering en organisatie.

Bij brief van 18 september 2020 heeft klaagster beklaagde meegedeeld dat zij wegens de getroffen verbetermaatregelen van dit voornemen afziet.

Bij brief van 22 oktober 2020 heeft klaagster beklaagde meegedeeld dat is voldaan aan de vereisten van de eerste en tweede termijn van de aanwijzing d.d. 24 maart 2020 en dat daarom het gehele aanwijzingstraject tot een einde is gekomen.

3.    HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven - dat hij (1) zich jegens patiënten ten onrechte presenteert als orthodontist, (2) zich niet transparant en toetsbaar opstelt en (3) de randvoorwaarden voor het bieden van goede tandheelkundige zorg aan patiënten niet op orde heeft. Ter onderbouwing van de tuchtklacht verwijst klaagster onder meer naar het rapport van 24 maart 2020 en de gespreksverslagen met beklaagde en een patiënte van hem, printscreens van de website van de praktijk van beklaagde en informed consentverklaringen van patiënten van beklaagde. Klaagster betoogt dat beklaagde dermate in strijd heeft gehandeld met relevante wet- en regelgeving, richtlijnen, (beroeps)normen en standaarden dat dit het opleggen van een zware maatregel (doorhaling) rechtvaardigt.

4.    HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE

Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - tegen het eerste klachtonderdeel aan dat klaagster daarbij geen belang heeft, nu zij heeft verklaard dit onderdeel met een bestuursrechtelijke waarschuwing te willen afdoen. Inhoudelijk stelt beklaagde dat de vermelding op de website van de praktijk van het woord “orthodontist” een ongelukkige omissie is die klaagster ook over het hoofd heeft gezien tijdens twee jaren intensief monitoren van de website en die na constatering direct is aangepast. Voorts betwist beklaagde dat hij zich als orthodontist heeft gepresenteerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst beklaagde onder meer naar de schriftelijke verklaringen van o.a.

K (ICT-adviseur), L (patiënt) en haar moeder, M. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel voert beklaagde aan dat sprake is van een misverstand en miscommunicatie en dat de door hem aan klaagster verstrekte informed consentverklaringen van patiënten de juiste en volledige zijn. In dit verband verwijst beklaagde naar een korte schriftelijke toelichting op de werking van het Simplex systeem en het deskundigenrapport van N d.d. 13 november 2020. Voor wat betreft het derde klachtonderdeel erkent beklaagde dat sprake is geweest van een aantal tekortkomingen in het bieden van goede tandheelkundige zorg aan patiënten, waarvoor hij eerst vanaf 2018 als bestuurder verantwoordelijk is, maar behoeft dit volgens hem wel enige nuancering ten aanzien van de onderwerpen Hepatitis B, het onderhoud van de röntgen en de bewaartermijn na sterilisatie (drie of zes maanden). Beklaagde verwijst in dit verband onder meer naar de schriftelijke verklaring van de door hem ingeschakelde auditor C van het D (die hem sinds april 2020 begeleidt) d.d. 23 juli 2020 en 11 augustus 2020 en diens plan van aanpak d.d. 6 april 2020 en

26 augustus 2020. Volgens beklaagde wordt het standpunt van C met betrekking tot de bewaartermijn na sterilisatie ondersteund door de beroepsorganisaties KNMT en ANT en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2020. Ook benadrukt beklaagde dat zijn praktijk - met uitzondering van extracties - slechts “semikritische” behandelingen uitvoert waarvoor volgens de KNMT-richtlijn Infectiepreventie Mondzorg 2016 reiniging en thermische desinfectie of reiniging en onverpakte sterilisatie volstaat.

5.    DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1          

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

Tuchtrechtelijke procedure naast bestuursrechtelijk handhavingstraject

5.2

Beklaagde wijst op de samenloop van de onderhavige tuchtklacht met het bestuurlijk handhavingstraject, dat naar aanleiding van de aanwijzing van 24 maart 2020 inmiddels is afgerond, en de (voorgenomen) oplegging van een waarschuwing voor titelmisbruik. De eigen positie van het tuchtrecht laat echter onverlet dat klaagster, ongeacht de bestuursrechtelijke en/of strafrechtelijke handhaving, gebruik mag maken van haar bevoegdheid om een tuchtklacht in te dienen. Dat het belang van de individuele gezondheidszorg niet is gediend met deze klacht valt, gelet op de aard van de verschillende klachtonderdelen, niet in te zien. Klaagster is dus ontvankelijk in haar klacht.

Klachtonderdeel 1: presentatie als orthodontist/titelmisbruik

5.3

Als uitgangspunt geldt dat artikel 17 lid 2 Wet BIG het verbiedt de beschermde titel van orthodontist te voeren als niet over een dergelijke BIG-registratie wordt beschikt. Vaststaat dat beklaagde in de periode waarop het verweten handelen ziet, niet over een BIG-registratie als orthodontist beschikt heeft en die registratie ook nooit heeft gehad. Beklaagde is dan ook niet bevoegd die titel te voeren en mag evenmin de schijn wekken als orthodontist te handelen (ECLI:NL:TGZCTG:2020:26).

5.4

Ter onderbouwing van het verwijt dat beklaagde zich jegens patiënten ten onrechte als orthodontist heeft gepresenteerd, wijst klaagster op gesprekken die zij met twee patiënten van beklaagde heeft gevoerd. Het college acht dit, gelet op de weerspreking van beklaagde op dit punt, onvoldoende om te oordelen dat beklaagde zich jegens deze patiënten heeft gepresenteerd als orthodontist. Van de eerste patiënt met wie klaagster heeft gesproken, is geen gespreksverslag voorhanden zodat het college niet kan verifiëren welke vragen zijn gesteld en in welke context antwoorden zijn gegeven. Van de tweede patiënt, die tijdens de behandeling door beklaagde minderjarig was, bevindt zich slechts een telefoonnotitie in het dossier. Volgens deze notitie heeft beklaagde tegen deze patiënt gezegd dat hij orthodontist was. Beklaagde heeft echter van diezelfde patiënt een verklaring in het geding gebracht, waaruit blijkt dat het verschil tussen orthodontist en tandarts voor de orthodontie haar ten tijde van het inspectieonderzoek niet bekend was en dat haar moeder alles voor haar regelt. Van de moeder van deze patiënt heeft beklaagde ook een verklaring overgelegd waaruit volgt dat beklaagde zich in het eerste contact heeft voorgesteld als tandarts en niet als orthodontist. Op basis van deze informatie kan het college niet aannemen dat beklaagde zich richting deze patiënt heeft gepresenteerd als orthodontist.

5.5

De naamvoering, E, acht het college evenmin onjuist of misleidend. Beklaagde is tandarts voor orthodontie en voert als zodanig orthodontische behandelingen uit. Beklaagde is daartoe bevoegd.

5.6

Klaagster wijst verder op informed consentverklaringen. Het college stelt vast dat de door beklaagde op 3 februari 2020 aan klaagster toegezonden verklaringen verschillen van de door klaagster tijdens het inspectiebezoek op 11 februari 2020 ingeziene verklaringen. Waar in sommige verklaringen van 3 februari 2020 in de tekst “tandarts” is vermeld, staat op de verklaringen van 11 februari 2020 “orthodontist”. Verder zijn formulieren van 3 februari 2020 veelal door beklaagde en de patiënt ondertekend, en zijn formulieren van 11 februari 2020 veelal niet voorzien van enige ondertekening. Een verklaring voor deze verschillen, anders dan dat hij de formulieren van zijn broer heeft overgenomen waarmee sprake zou zijn van “oude” en “nieuwe” formulieren en dat op

3 februari 2020 de juiste formulieren zijn toegezonden, heeft beklaagde niet gegeven. Daarbij komt dat de loggegevens laten zien dat de informed consentverklaringen die klaagster opvroeg na haar bezoek op 27 en 28 januari 2020 en door beklaagde zijn toegezonden op 3 februari 2020, aan het patiëntendossier zijn toegevoegd op

30 en 31 januari en 3 februari 2020. Dit terwijl behandelingen al voor die data plaats hebben gevonden en voor wijzigingen in het systeem vanuit behandelperspectief geen reden was. Uit de loggegevens is bovendien gebleken dat in bepaalde dossiers de datum van de verrichting van het informed consent is gewijzigd van een datum in 2020 naar een datum in het verleden. Beklaagde stelt dat de informed consentverklaringen door hem zijn verplaatst, maar dat verklaart niet de inhoudelijke veranderingen. Bij gebreke van een alternatieve verklaring, gaat het college er dan ook vanuit dat beklaagde verklaringen achteraf en mogelijk zonder medeweten van zijn patiënten heeft aangepast.

Dat beklaagde aanpassingen heeft doorgevoerd om opzettelijk misbruik van de titel orthodontist te verhullen kan het college op basis van de thans voorhanden zijnde stukken (waarbij het college mede het handschriftonderzoek betrekt) niet vaststellen. Dat neemt niet weg dat patiënten van beklaagde op basis van de informed consentverklaringen die hen onder ogen zijn gekomen mogelijk een onjuiste indruk over de status van behandelaar van beklaagde hebben gekregen en dat het achteraf aanpassen van verklaringen als laakbaar kwalificeert.

5.7

Klaagster heeft verder geconstateerd dat op de website van de praktijk vermeld stond: ‘Onze praktijk: De praktijk bestaat o.a. uit een orthodontist, mondhygiënisten, ervaren assistentes en baliemedewerkersen: ‘dan zijn namelijk je kaken nog in de groei en kan de orthodontist gebruik maken van (…)’. Deze vermeldingen zijn onjuist omdat alleen beklaagde in de praktijk werkzaam is. Beklaagde erkent deze onjuiste vermeldingen op de website van de praktijk. Hij heeft dit, net als klaagster gedurende het tweejarig monitoringstraject in verband met de in 2017 voorwaardelijk opgelegde schorsing, over het hoofd gezien. Met deze stelling miskent beklaagde zijn eigen verantwoordelijkheid voor de juiste inhoud van de website. Daar komt bij dat de website volgens beklaagde zou zijn aangepast, maar dat klaagster er ter zitting onweersproken op heeft gewezen dat bij raadpleging van de website diezelfde ochtend de zinsnede ‘dan zijn namelijk je kaken nog in de groei en kan de orthodontist gebruik maken van (…)’ nog steeds vermeld stond.

5.8

Het college komt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat beklaagde zich jegens zijn patiënten opzettelijk in woord heeft gepresenteerd als orthodontist, maar dat over het specialisme van beklaagde op basis van de informed consentformulieren en de website van zijn praktijk wel misverstand heeft kunnen ontstaan bij zijn patiënten. Het is ongewenst dat het voor patiënten niet duidelijk is of zij met een tandarts of een specialist te maken hebben als zij een orthodontiebehandeling ondergaan en het ligt op de weg van beklaagde om duidelijkheid te geven aan de patiënt over zijn status als behandelaar en elke verwarring over titelgebruik te voorkomen. Dit geldt eens te meer nu risico bestaat op verwisseling van beklaagde met zijn broer I, die op last van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in het BIG-register als tandarts en orthodontist is doorgehaald. Op het moment dat beklaagde zijn broer als bestuurder van de praktijk is opgevolgd, had hij zich bewust moeten zijn van het risico op verwarring en onjuist titelgebruik en had hij tijdig en voldoende maatregelen moeten treffen om deze risico’s op te heffen. Beklaagde heeft dit nagelaten.

Het eerste klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel 2: transparantie/toetsbaarheid

5.9

Het college is met klaagster van oordeel dat uit de gang van zaken rondom de informed consentverklaringen reeds volgt dat beklaagde zich niet transparant en toetsbaar heeft opgesteld. Het college stelt bovendien vast dat beklaagde wisselende en soms tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die niet stroken met feitelijke bevindingen of verklaringen van anderen, zoals bijvoorbeeld over de wijzigingen op de website, de aanpassingen van de informed consentverklaringen en gebruik van het Simplex-systeem en het sterilisatieproces. Ook dit klachtonderdeel acht het college derhalve eveneens gegrond.

Klachtonderdeel 3: randvoorwaarden goede tandheelkundige zorg

5.10

Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op de randvoorwaarden voor het bieden van goede tandheelkundige zorg. In dit verband bestaat tussen partijen allereerst discussie over de bewaartermijn van verpakt gesteriliseerd instrumentarium. Beklaagde hanteerde ten tijde van de aanwijzing en het opleggen van de last onder dwangsom de werkwijze dat hij steriel instrumentarium in laminaatzakken in een gesloten kast (zonder gebruik van een gesloten bak als extra beschermmiddel) in de behandelruimte bewaarde met een expiratiedatum van zes maanden. Klaagster meent dat dit niet conform de professionele standaard is en dat de specifieke omstandigheden bij beklaagde een bewaartermijn van drie maanden vergen. Klaagster wijst in dit verband op het toetsingskader Infectiepreventie Mondzorg IGJ van 2018, dat is gebaseerd op de Richtlijn Infectiepreventie in de mondzorgpraktijken van de KNMT van 2016.

Naar het oordeel van het college bestaat er op grond van dit toetsingskader en deze richtlijn onduidelijkheid over de in acht te nemen bewaartermijn van verpakt gesteriliseerd instrumentarium. Nu de richtlijn van de KNMT momenteel in revisie is, ziet het college geen reden om op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. Bij deze stand van zaken, oordeelt het college dat beklaagde ter zake van de bewaartermijn die hij hanteerde voor verpakt gesteriliseerd instrumentarium geen tuchtrechtelijk verwijt te maken valt.

5.11

Dat neemt niet weg dat tijdens het inspectieonderzoek en het daarop volgende aanwijzingstraject diverse andere tekortkomingen in de praktijkvoering van beklaagde zijn geconstateerd op het gebied van hygiëne en infectiepreventie. Zo heeft klaagster begin 2020 vastgesteld dat ultrasoontips alleen onder de kraan werden afgespoeld voor hergebruik. Dit heeft de assistente van beklaagde tijdens het inspectiebezoek op

27 januari 2020 in F aan de twee betrokken inspecteurs verklaard en laten zien. Beklaagde weersprak dit en gaf aan dat ultrasoontips één keer per week thermisch gedesinfecteerd of onverpakt gesteriliseerd werden. Dit strookt echter niet met de gegevens die van de autoclaaf zijn uitgelezen. Volgens deze gegevens is de autoclaaf in 2018/2019 zes maal in werking geweest. Daarbij is instrumentarium dat is gebruikt (over onder meer een periode van een maand) opgespaard en in één keer gesteriliseerd. Het college acht dit, mede gelet op de frequentie en de aard van het door beklaagde gebruikte instrumentarium, niet in overeenstemming met hetgeen in de beroepsgroep gebruikelijk is. Beklaagde stelt zich verder op het standpunt dat alleen instrumentarium dat voor extracties wordt toegepast (verpakt) gesteriliseerd dient te worden maar conform de KNMT-richtlijn Infectiepreventie in mondzorgpraktijken dient hol instrumentarium zoals ultrasoontips en hand- en hoekstukken, ook bij semi-kritisch gebruik, gesteriliseerd te worden.

5.12

Overige tekortkomingen die klaagster op het onderdeel hygiëne en infectiepreventie heeft vastgesteld hebben betrekking op de beschikbaarheid van een Hepatitis B-vaccinatiebewijs op de praktijk, handhygiëne, scheiding tussen RDS en behandelruimte, scheiding tussen schone en vuile gedeeltes op werkbladen en/of kasten en het onderhoud van de thermodesinfector en de autoclaaf. Maar ook op andere zorgonderdelen heeft klaagster gebreken geconstateerd. Op het onderdeel radiologie stelde klaagster vast dat het ALARA-principe niet werd gevolgd en dat het röntgenapparaat niet was voorzien van een rechthoekige tubus. Wat betreft dossiervorming bleek niet dat het informed consent was afgestemd op de specifieke en reële behoefte van de patiënt en dat het geen begroting bevatte waar dat is aangewezen. Daarnaast waren onderdelen die volgens de (ten tijde van het onderzoek en de aanwijzing geldende) KNMT-richtlijn Patiëntendossier verplicht aanwezig behoren te zijn deels of geheel niet ingevuld. Op het onderdeel praktijkorganisatie bleek dat de praktijk geen klachtenregeling had en dat geen sprake was van een adequate kennisgeving van de spoedgevallendienst op de deur van de praktijk, op de website of in de praktijkfolder.

5.13

Beklaagde voert wat betreft de Hepatitis B-vaccinatie aan dat hij altijd beschermd is geweest, maar dat het bewijs van de vaccinatie niet op de praktijk beschikbaar was en dat deze tekortkoming inmiddels is weggenomen. Beklaagde erkent verder dat het onderhoud van het röntgenapparaat in 2019 wegens vakantie is uitgesteld, maar dat dit in februari 2020 alsnog heeft plaatsgevonden. De rechthoekige tubus is aangeschaft en op 18 maart 2020 betaald en ontvangen voor de aanwijzing van 24 maart 2020.

De overige tekortkomingen die klaagster heeft vastgesteld zijn door beklaagde niet betwist.

5.14

Beklaagde wijst er nog wel op dat inmiddels volledig aan de aanwijzing is voldaan en dat het aanwijzingstraject met goed gevolg is afgerond. Dat laat echter onverlet dat beklaagde als BIG-geregistreerde tandarts in de verweten periode in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij als tandarts behoorde te betrachten. Pas na gerichte aanwijzingen van klaagster en onder druk van het bestuurlijk handhavingstraject heeft beklaagde verbetermaatregelen doorgevoerd.

5.15

Het college stelt verder vast dat in 2017 eveneens tekortkomingen bij de praktijk zijn geconstateerd op het gebied van hygiëne en infectiepreventie, radiologie en dossiervoering. Weliswaar was beklaagde toen nog geen bestuurder, maar hij was toen al wel werkzaam als tandarts bij de praktijk. Toen beklaagde medio 2018 het bestuur van de praktijk op zich nam, heeft hij zich kennelijk onvoldoende verdiept in de (inspectie)geschiedenis van de praktijk, heeft hij zich er niet van vergewist of binnen de praktijk volgens de professionele standaard werd gehandeld en heeft hij nagelaten om dienaangaande passende maatregelen. Dit valt beklaagde aan te rekenen.

De conclusie is dat ook het derde klachtonderdeel gegrond is.

Conclusie

5.16

Alle klachtonderdelen zijn gegrond. Beklaagde heeft onduidelijkheid laten ontstaan en laten voortbestaan over het gebruik van de titel orthodontist, hij heeft achteraf aanpassingen aangebracht in informed consentverklaringen en hij heeft niet voldaan aan de randvoorwaarden voor het bieden van goede tandheelkundige zorg aan patiënten.

Het college kwalificeert dit als ernstige verwijten, die weliswaar niet zien op medisch-inhoudelijk handelen maar wel de kern van het vak raken en risico voor de patiëntveiligheid opleveren. Dat rechtvaardigt een zware maatregel. Hoewel het college het verwijt dat beklaagde zich niet transparant en toetsbaar heeft opgesteld gegrond heeft verklaard, stelt zij ook vast dat beklaagde verbetermaatregelen heeft genomen die ertoe hebben geleid dat het aanwijzingstraject is beëindigd en die ervoor moeten zorgen dat beklaagde ook voor de toekomst de randvoorwaarden voor het bieden van goede tandheelkundige zorg structureel op orde heeft en kan houden. Gelet hierop acht het college, hoewel sprake is van een groot aantal, ernstige tekortkomingen en beklaagde eerder tuchtrechtelijk ernstig de fout in is gegaan, de allerzwaarste maatregel van doorhaling - zoals gewenst door klaagster - niet op zijn plaats. Het college deelt wel de zorg van klaagster of de randvoorwaarden voor goede tandheelkundige zorg voldoende ingebed zijn in de praktijk van beklaagde en voor de toekomst voldoende zijn gewaarborgd. Het door beklaagde overgelegde plan van aanpak d.d. 6 april 2020 en

26 augustus 2020 acht het college daarvoor niet voldoende.

Alles afwegende zal het college aan beklaagde de maatregel van een voorwaardelijke schorsing opleggen voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar onder voorwaarden zoals hierna omschreven. Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.

6.    DE BESLISSING

Het college:

-      verklaart de klacht gegrond; 

-      legt aan beklaagde de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het BIG-register voor de duur van drie maanden en bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer wordt gelegd dan nadat het bevoegde tuchtcollege zulks heeft gelast op grond van het feit dat hij binnen de proeftijd die hierbij wordt bepaald op twee jaar:

a      zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als tandarts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

b      dan wel één of meer van de volgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

*         C of een andere auditor met vergelijkbare kwalificaties bezoekt maandelijks aangekondigd of onaangekondigd de praktijken van beklaagde en controleert in hoeverre de praktijk voldoet aan van toepassing zijnde wet- en regelgeving op het gebied van hygiëne en infectiepreventie, radiologie, dossiervoering en praktijkorganisatie;

*         beklaagde informeert de inspectie iedere drie maanden schriftelijk, voor de inspectie uiterlijk te ontvangen op de eerste van de volgende maand, te starten drie maanden na het ingaan van de proeftijd over de voortgang van het kwaliteitstraject, welke informatie (mede) is ondertekend door de auditor;

*         beklaagde geeft de auditor schriftelijk toestemming om gedurende de proeftijd desgevraagd informatie te verstrekken aan de inspectie over de voortgang van het kwaliteitstraject;

*         beklaagde geeft de auditor schriftelijk toestemming om de inspectie direct te informeren, zodra het kwaliteitstraject is afgebroken of gestopt;

-      bepaalt dat deze beslissing nadat deze onherroepelijk is geworden in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangebonden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en het Nederlands Tandartsenblad.

Aldus gegeven door M. Willemse, voorzitter, M. Mostert, lid-jurist, Th.J.M. Hoppenreijs en R. Rowel en P.A. Mouw, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van P. van der Stroom, secretaris.                                                                                                  

                                                                                                                 voorzitter

                                                                                                                 secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.     Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.     Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.     Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.