ECLI:NL:TGZRZWO:2021:18 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 012/2020
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2021:18 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2021 |
| Datum publicatie: | 05-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | 012/2020 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen verzekeringsarts kennelijk ongegrond. Niet gebleken van vooringenomenheid of persoonlijke rancune. Beklaagde heeft de haar toegewezen taak het oordeel van de primaire verzekeringsarts te toetsen uitgevoerd. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing in raadkamer d.d. 5 januari 2021 naar aanleiding van de op 28 januari 2020
bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van
A , wonende te B,
gemachtigde: mw. C, verbonden aan D te E,
k l a g e r
-tegen-
F , verzekeringsarts, werkzaam te G,
bijgestaan door mr. G.P. van Delft,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het rapport deskundigenoordeel, binnengekomen op 3 september 2020;
- het proces-verbaal van het op 2 november 2020 gehouden gehoor in het kader van het vooronderzoek;
- de reactie op het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek van beklaagde, binnengekomen op 19 november 2020.
- de ontbrekende pagina 2 van productie 14 bij het verweerschrift, namens beklaagde per e-mail toegezonden aan het college op 8 december 2020.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het verzekeringsgeneeskundig dossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klager, geboren in 1955, is op 4 september 2017 uitgevallen voor zijn werk als medewerker steenhouwerij.
Op 6 december 2018 is door de werkgever van klager een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd met de vraag of de inspanningen van de werkgever voldoende waren gelet op de re-integratie van klager.
In het Rapport deskundigenoordeel dd. 16 januari 2019 is vermeld:
“De verzekeringsarts van UWV, (naam), geeft aan:
Beperkingen zijn denkbaar bij beschreven aandoening. In de aangeleverde informatie ontbreekt echte iedere verdere onderbouwing van de beperkingen en de beschreven wisselingen, ook geen objectivering middels een NPO.”
Vervolgens werd in het kader van de aanvraag van een WIA-uitkering voor klager het Actueel oordeel bedrijfsarts ingediend bij het UWV.
In een telefoonrapport van de primaire verzekeringsarts staat vermeld dat op 28 juni 2019 met H (hierna: de bedrijfsarts) is gebeld. Daarvan is opgetekend:
“We bespraken dat ik met de onderhavige brieven en diagnosen geen onderbouwing zie voor de gestelde beperkingen. Ik zie niet wat u tijdens spreekuur heeft gezien, het beloop en wat uw overwegingen hierbij waren en hoe hij verder met het gestelde onvermogen is behandeld, en hoe het is geobjectiveerd.
De ontbrekende onderbouwing heb ik ook vermeld in het Do dat heeft plaatsgevonden.
Ik heb de volgende vragen:
1. Wat waren uw bevindingen in de loop van de begeleiding? Hoe vaak heeft u hem gezien en hoe was het beloop?
2. Hoe is hij behandeld? Wat was het resultaat?
3. Ik zie geen NPO, wat waren de overwegingen dit niet te verrichten?
Ik zie uw antwoord graag binnen 5 werkdagen tegemoet, ”
De inhoud van het gesprek werd tevens vastgelegd in een e-mailbericht aan de bedrijfsarts dd. 28 juni 2019.
Op 10 juli 2019 is door de bedrijfsarts de primaire verzekeringsarts geïnformeerd per
e-mailbericht, voor zover thans van belang inhoudende:
“Eindelijk overleg kunnen hebben met de neuroloog.
Werknemer is aanvankelijk begeleid door een andere arbodienst. Op verzoek vanuit de brancheorganisatie voor natuursteen is belanghebbende door mij voor het eerst gezien op 4 september 2018 en vervolgens 1 keer per 3 maanden gezien er sprake is van een redelijk stabiele medische situatie en tevens omdat er volgens de arbeidsdeskundige er geen re-integratiemogelijkheden waren.
Werknemer heeft twee relevante medische problemen:
1: Belanghebbende heeft cerebrale amyloid angiopathie deze diagnose is een feit, geen vermoeden, dit geeft op de MRI het beeld van een superficiële siderose rechts pariëtaal. Dit ziekte beeld kan uiteindelijk leiden tot een vorm van dementie, belanghebbende is hier heel bang voor, broer werd dement op 66 jarige leeftijd
2: Belanghebbende heeft een Durale AV-fistel welke inoperabel is, hiervoor moet hij krachtsinspanning en overige bloeddrukverhogende situaties vermijden. Aangezien zijn zus is op 68 jarige leeftijd aan een CVA is overleden maakt belanghebbende hier zich grote zorgen over. Belanghebbende heeft hiervoor een second opinion gehad in het I te J.
Mogelijk secundair aan cerebrale amyloid angiopathie heeft belanghebbende cognitieve problemen, zoals geheugen problemen, durft alleen nog in de buurt auto te rijden en is extreem prikkelbaar.
2. Voor cerebrale angiopathie is er geen behandeling. De AV-durale fistel is in J aanvankelijk als inoperabel bestempeld en het voorstel is expectatief beleid.
3. NPO is niet verricht, het NPO loopt in het algemeen achter op het klinische beeld en belanghebbende is zeer angstig dat uit het NPO aanwijzingen voor dementie naar voren zouden komen, dit gezien zijn ziektebeeld en dan zijn broer op 66 jarige leeftijd al dement bleek te zijn. ”
Op 11 juli 2019 is door de verzekeringsarts aan de bedrijfsarts een e-mailbericht teruggestuurd, inhoudende:
“Ik vind het beroerd. U was niet volledig.
Het dossier is al naar de commissie. Ik moeste me houden aan het protocol en ging door te wachten zelf over tijdigheid heen.
Ik heb me ook intensief over het dossier gebogen en gekeken naar genoemde diagnosen en opgezocht. En heb ook gelezen dat het ziektebeeld uiteindelijk… kan leiden tot. Zijn behandelaar verweest hem naar een neuropsycholoog. Hij heeft dit inderdaad afgewezen.
Verdere onderbouwing is ook mijn conclusie in het DO genoemd.
Als ik het dossier ter hand moet nemen, en er geen NPO is, hoe moet ik dan de door u genoemd ernstige beperkingen beoordelen/verifiëren?
Dit is nogal een dilemma. U heeft het dilemma ook niet benoemd toen u het dossier instuurde.
Graag nog uw antwoord.”
Op 17 juli 2019 heeft het UWV aan klager laten weten dat klager tot 31 augustus 2020 recht heeft op loon. De werkgever had tot dan toe onvoldoende gedaan aan de verplichting in het kader van re-integratie. Het UWV besloot tot een loondoorbetalingsverplichting aan de werkgever. De behandeling van de aanvraag voor een WIA-uitkering is uitgesteld.
Op 22 juli 2019 is bezwaar aangetekend tegen de beslissing van 17 juli 2019.
Het UWV heeft op 5 augustus 2019 aan D bericht gestuurd met het verzoek op de machtiging arts in bezwaarprocedure een arts-gemachtigde te vermelden die niet optreedt als bedrijfsarts van de werknemer.
Als arts-gemachtigde is door de werkgever opgegeven K.
Op 9 januari 2020 is klager tijdens de hoorzitting in bezwaar gezien door beklaagde, verzekeringsarts in bezwaar & beroep van het UWV.
Klager had onder meer H, de bedrijfsarts, meegenomen naar de hoorzitting in bezwaar.
De bedrijfsarts is niet tijdens de hoorzitting aanwezig geweest.
Het verslag van de hoorzitting maakt deel uit van de processtukken en heeft de navolgende inhoud:
“ aanwezigen:
belanghebbende : A en echtgenote
gemachtigde : D (C)
Voorzitter/verslaglegger : L
verzekeringsarts B&B : F
arbeidsdeskundige B&B : M
De medewerkers van UWV stellen zich voor en leggen het doel van de hoorzitting uit. Daarna licht degene die het bezwaar heeft ingediend (of iemand die namens hem optreedt) het bezwaar toe.
Voor het begin van de hoorzitting bleek dat niet de arts gemachtigde K aanwezig was maar H als arts-gemachtigde. Aangezien H als bedrijfsarts heeft opgetreden in deze casus mag hij niet als arts-gemachtigde optreden. H is derhalve niet bij de hoorzitting aanwezig geweest, ook niet als toehoorder.
Door gemachtigde wordt aangegeven, nadat betrokkene toestemming heeft gegeven om over de medische gegevens te praten in het bijzijn van gemachtigde, dat het inzetten van een MPO geen toegevoegde waarde heeft.
Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt aangegeven dat in deze de medische onderbouwing van de bedrijfsarts ontbreekt waarom gestelde beperkingen zijn aangenomen . Het waarom van deze beperkingen ontbreekt.
Gemachtigde geeft aan dat de medische informatie toch is toegezonden. Uitgelegd wordt dat door de bedrijfsarts niet medisch is onderbouwd, gemotiveerd waarom beperkingen zijn aangenomen, het waarom ontbreekt. Dit had de bedrijfsarts moeten doen .
Aangegeven wordt dat nu alsnog na motivering een bekortingsverzoek kan worden ingediend. Gemachtigde geeft aan dat zij dit niet gaan doen maar beroep zullen aantekenen.
Voor hetgeen op medisch gebied is besproken wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgenomen in de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Niets meer aan de orde zijn wordt door hoorder de zitting gesloten.”
Beklaagde heeft in haar rapportage van 9 januari 2020 geconcludeerd dat de vraag die voorligt in bezwaar is of er medische argumenten zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Beklaagde heeft in de rapportage de onderzoeksactiviteiten en onderzoeksgegevens opgetekend. Voor zover thans van belang is als heroverweging/beschouwing opgetekend:
“Geschil:
Het geschil betreft de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever. De verzekeringsarts concludeert dat het RIV medisch niet navolgbaar is. De beperkingen zijn niet tijdig onderbouwd, daarmee is de begeleiding niet navolgbaar. Volgens werkgever zijn de beperkingen van de werknemer wel voldoende medisch onderbouwd.
Standpunt ondergetekende:
Er volgen in bezwaar geen medische redenen die aanleiding geven tot wijziging van hetgeen eerder is verwoord
Overweging:
(…)
In bezwaar blijkt een bevestiging van hetgeen de primaire verzekeringsarts heeft geschreven. Er is door de bedrijfsarts een FML opgesteld met daarbij de opmerking dat de belastbaarheid wisselend is in de loop van de dag en in de loop van de dagen. Echter, zonder medische onderbouwing waaruit inzichtelijk blijkt hoe de bedrijfsarts tot deze beperkingen gekomen is. Het enkel meesturen van de brieven van de medische specialisten is niet toereikend. In de FML zijn diverse beperkingen aangenomen en is evenzo een duurbeperking aangenomen. Allereerst is zoals gezegd de onderbouwing niet aanwezig maar subsidiair ontbreekt vanuit de specialistische brieven evenzo een medische situatie die voldoende passend zou kunnen zijn. Daarbij ligt de verantwoordelijkheid voor het tijdig aanleveren van deze onderbouwing bij de bedrijfsarts.
De bedrijfsarts schrijft op 03-05-2019 wel dat er gezien de aard van de werkzaamheden bij de eigen werkgever geen passende arbeid is en dat er daarom geen 2e spoor re-integratie is opgestart. Dit is echter een conclusie is die niet de bedrijfsarts neemt, maar op het werkvlak ligt van de arbeidsdeskundige én belangrijker nog, indien er aangetoond is dat er bij de eigen werkgever geen passende arbeid is, is dat juist de reden voor het starten van een 2e spoort traject.
7.Conclusie:
In bezwaar volgen geen medische gronden die aanleiding geven tot wijziging van het in primair ingenomen standpunt.”
Tegen de daarna genomen beslissing op bezwaar is beroep ingesteld bij de rechtbank.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGER EN DE KLACHT
De klacht is door klager tijdens het mondeling vooronderzoek als volgt weergegeven:
1. Beklaagde heeft de bedrijfsarts, H, de toegang tot de hoorzitting ontzegd en hem zelfs niet als ‘toehoorder’ toegelaten, ondanks het feit dat klager geen bezwaar had tegen de aanwezigheid van de bedrijfsarts bij de hoorzitting.
2. Beklaagde maakte op klager een vooringenomen indruk, door vast te houden aan haar standpunt dat de bedrijfsarts zijn standpunt over de belastbaarheid van klager niet zou hebben onderbouwd en dat hij niet of te laat medische informatie zou hebben verstrekt.
3. Beklaagde maakte tijdens de hoorzitting een geagiteerde indruk en weigerde bijvoorbeeld een verklaring van de psycholoog met betrekking tot de behandeling van klager aan te nemen. Door deze houding van beklaagde is klager na de hoorzitting onwel geworden.
4. Door de houding van beklaagde tijdens de hoorzitting en haar weigering de bedrijfsarts bij de hoorzitting aanwezig te laten zijn, was het voor klager niet mogelijk een goede toelichting op het bezwaar te geven. Beklaagde heeft een persoonlijke rancune tegen de bedrijfsarts nadrukkelijk laten meespelen en heeft geen medisch inhoudelijke vragen aan klager gesteld en ook niet naar zijn ‘dagverhaal’ gevraagd.
5. Beklaagde heeft geen antwoord gegeven op de meerdere malen door de gemachtigde van klager gestelde vraag welke beperkingen door de bedrijfsarts niet waren onderbouwd. Beklaagde heeft ook bij herhaling gezegd dat de medische informatie te laat en onvoldoende onderbouwd was aangeleverd, terwijl wel tijdig voldoende medische informatie was aangeleverd.
6. Beklaagde meent ten onrechte dat de door de bedrijfsarts aangenomen beperkingen onvoldoende onderbouwd zijn.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat de jurist heeft meegedeeld aan klager
dat de bedrijfsarts niet aanwezig kon zijn bij de hoorzitting, ook niet als toehoorder.
Het eerdere oordeel van de verzekeringsarts is altijd uitgangspunt in een bezwaarprocedure.
Getoetst moet worden of er aanleiding is om een ander standpunt in te nemen dan dat
van de primaire verzekeringsarts. Dat klager onwel is geworden na de hoorzitting wist
beklaagde niet en daardoor heeft zij op dat moment geen zorg kunnen verlenen. Beklaagde
heeft tijdens de hoorzitting geprobeerd rustig en kalm informatie te geven over de
toets die voorlag in de bezwaarprocedure. Beklaagde heeft geen persoonlijke rancune
tegen de bedrijfsarts. Klager is in de gelegenheid gesteld zijn standpunt naar voren
te brengen en hem is ook gevraagd naar zijn actuele medische situatie. De medische
gegevens konden door de bedrijfsarts tot een bepaalde datum ingeleverd worden, hetgeen
niet is gebeurd. De primaire verzekeringsarts heeft dit toegelicht. Nieuwe onderbouwing
en aangepast beleid nadien kunnen pas beoordeeld worden in een nieuw verzoek tot bekorting
van de loonsanctie. Beklaagde heeft bij de beoordeling in bezwaar naar eer en geweten
gehandeld en de rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Beklaagde concludeert
tot afwijzing van de klacht.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
De klachtonderdelen gaan allemaal over de hoorzitting van 9 januari 2020 en de daaropvolgende rapportage van beklaagde. De exacte gang van zaken en wat gezegd is tijdens de hoorzitting is niet meer te achterhalen. Daar zijn alleen partijen bij aanwezig geweest en daarvan is een verslag opgemaakt. Dit is geen letterlijke weergave. Voor zover partijen van mening verschillen over wat tijdens de hoorzitting is gezegd zal het college het verslag als uitgangspunt nemen. Als het verslag geen duidelijkheid geeft en het woord van klager daaromtrent tegenover het woord van beklaagde staat kan het college geen oordeel geven omdat de feiten onvoldoende vaststaan.
5.3
Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel oordeelt het college als volgt.
De voorzitter van de hoorzitting heeft de regie tijdens een hoorzitting en ook wat betreft de gang van zaken rondom het toelaten van aanwezigen bij die hoorzitting. Beklaagde was als bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting. H was behandelend bedrijfsarts van klager en onaangekondigd aanwezig in de wachtruimte voor de hoorzitting. Niet duidelijk geworden is welk aandeel beklaagde zou hebben gehad in de - overigens terechte - weigering om H bij de hoorzitting toe te laten. Daarover staan de standpunten van partijen tegenover elkaar en blijkt niets uit het verslag van de hoorzitting.
De voorzitter is degene die verantwoordelijk is voor de genomen beslissingen. Daar kan beklaagde dus geen verwijt van worden gemaakt.
5.4
Het tweede klachtonderdeel faalt eveneens.
Dat beklaagde zich uitgesproken heeft over de laat ingebrachte informatie van de bedrijfsarts in de voorlopende procedure maakt niet dat zij daarmee ook vooringenomen is geweest. Waarschijnlijk heeft beklaagde in het kader van verwachtingenmanagement hierover gesproken tijdens de hoorzitting. Daarmee is beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.
5.5
Met betrekking tot het derde klachtonderdeel is in het verslag niets opgetekend over al dan niet aangeboden en geweigerde informatie van de psycholoog. Hierin staat het woord van klager tegenover het woord van beklaagde en is geen onderbouwing in het verslag of in het dossier aanwezig. Daarmee staan de feiten onvoldoende vast en kan het college daarover geen oordeel geven. Niet gebleken is dat beklaagde op de hoogte is geraakt van het onwel worden van klager na de hoorzitting.
5.6
Klager stelt in klachtonderdeel vier dat hij geen goede toelichting op het bezwaar heeft kunnen geven. Klager werd bijgestaan door een gemachtigde en dat klager geen toelichting heeft kunnen geven op het bezwaar blijkt niet uit het verslag van de hoorzitting. Van een persoonlijke rancune tegen de bedrijfsarts door beklaagde is het college niet gebleken. Het lag niet op de weg van beklaagde om nogmaals naar een volledig medisch dagverhaal te informeren. Beklaagde had de haar toegewezen taak als bezwaarverzekeringsarts om de beoordeling door de primaire verzekeringsarts te toetsen. Het vierde klachtonderdeel is daarmee eveneens ongegrond.
5.7
Omtrent het vijfde en zesde klachtonderdeel oordeelt het college dat beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het dossier is gebleken dat de bedrijfsarts op een laat tijdstip een aantal diagnoses per e-mail aan de primaire verzekeringsarts heeft gezonden. Dat betrof echter geen onderbouwing van de aangenomen beperkingen. Hoe hier verder over gesproken is tijdens de hoorzitting is niet vast te stellen op basis van het verslag van de hoorzitting. Het college kan daarover dus geen oordeel geven.
Ook hier betrof het de taak van beklaagde om de beoordeling van de primaire verzekeringsarts te toetsen. Beklaagde heeft deze weergegeven in haar rapportage van
9 januari 2020 die aan de daaraan te stellen vereisten voldoet. Beklaagde heeft op basis van haar onderzoek en de haar ter beschikking staande gegevens kunnen concluderen dat er geen medische gronden waren om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts.
5.8
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist.
6. DE BESLISSING
Het college verklaart dat de klacht kennelijk ongegrond is.
Aldus gegeven door W.J.B. Cornelissen, voorzitter, H.A.M. Veneman, H. Donkers,
leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring
kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.