ECLI:NL:TGZRZWO:2021:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 007/2020
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2021:1 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2021 |
| Datum publicatie: | 05-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | 007/2020 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Verzekeringsarts mist lichamelijke problematiek van cliënte en stelt bijgevolg geen beperkingen op dat terrein. Heeft verder als mogelijke diagnose zonder onderbouwing (ASS?) vermeld; die vermelding is tijdens de tuchtprocedure verwijderd. Onzorgvuldig handelen; waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 5 januari 2021 naar aanleiding van de op 19 augustus 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven ingekomen en aan het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle overgedragen klacht van
A , wonende te B,
bijgestaan door mr. J.A.B.H.M. Willemse, advocaat te Ulft,
k l a a g s t e r
-tegen-
C , verzekeringsarts, (destijds) werkzaam te D,
bijgestaan door mr. drs. G.P. van Delft, te Amsterdam,
b e k l a a g d e
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- het klaagschrift met de bijlagen; het aanvullende klaagschrift ingekomen op 20 augustus 2019;
- het aanvullende klaagschrift ingekomen op 20 oktober 2019;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 26 juni 2020 gehouden gehoor in het kader van het
vooronderzoek, waar klaagster en beklaagde in persoon zijn verschenen;
- de aangepaste rapportage van beklaagde ingekomen op 9 juli 2020.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 11 december 2020, waar zijn verschenen klaagster en beklaagde, beiden bijgestaan door hun gemachtigde.
E is ter zitting gehoord als getuige, meegebracht door klaagster.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het verzekeringsgeneeskundig dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster is op 31 augustus 2016 ziekgemeld vanuit de Werkloosheidswet (WW). De maatgevende functie was begeleider dagbesteding, 18 uur per week.
Beklaagde is als verzekeringsarts verbonden aan het Uitvoeringsinstituut voor Werknemersverzekeringen (hierna: UWV).
Op 28 september 2016 heeft beklaagde klaagster gezien in het kader van een beoordeling in het kader van de Wet verbetering poortwachter. Er is sprake geweest van dossierstudie en een spreekuurcontact. Beklaagde heeft als volgt gerapporteerd over klaagster.
“Anamnese
Ziekmelding per 31-08-2016 vanuit WW in verband met psychische klachten en lichamelijke klachten. Kan niet verwerken dat zij is ontslagen en ervaart dat als groot onrecht. Wil dat het UWV optreedt tegen laatste WG.
Voelt zich burnout en acht daar haar oude WG voor verantwoordelijk.
Verder allerlei lichamelijke klachten; bekend met polyneuropathie, waarvoor onderzoeken door neurologe. Sinds enige tijd ook trekkingen in linker arm en onderbuik.
Recent EMG-onderzoek gehad, en die liet geen aanwijzingen voor PNP zien.
Nu volgt er een MRI-scanonderzoek van de CWK en bloedonderzoek op verdenking van M. Lyme. Op 18/10 moet betrokkene weer retour naar neurologe voor uitslagen.
Verder klachten van Raynaud aan handen en tevens arthrose aan beide handen.
(…)
Actuele medicatie: Nifedipine, Paracetamol.
(…)
Beloop en behandeling : Obv neurologe, tevens FT.
(…)
Diagnose: 8P619: overspannenheid. Mogelijk M. Lyme?”
De prognose van de aandoening beoordeelde beklaagde als “op termijn gunstig”. Ten aanzien van belastbaarheid was de verwachting dat op termijn volledig herstel voor arbeid zou plaatsvinden.
Na vier maanden zou een medische herbeoordeling plaatsvinden. Het doel van dat spreekuurgesprek was het opstarten van re-integratie. Dit gesprek heeft niet plaatsgevonden.
De neuroloog heeft op 18 oktober 2016 een specialistenbrief geschreven aan de huisarts van klaagster. Daarin is – onder meer – over de MRI CWK vermeld:
“Uncovertebraalarthrosis beiderzijds op het niveau C3-C4 met met name een rechtszijdige paramediane en foraminale HNP waardoor vernauwing van het neuroframen.
Uncovertebraalarthrosis met protrusie van discusmateriaal met name aan de linkerzijde op de niveaus C5-C6 en C6-C7.”
De conclusie luidde dat sprake was van Burn-out met lichamelijke (functionele) klachten. Er was geen neurologisch substraat.
Op 4 juni 2018 heeft beklaagde klaagster gezien voor een medisch onderzoek in verband met de Toetsing Verbetering Belastbaarheid 2e ziektejaar.
De rapportage van beklaagde luidde – voor zover thans van belang voor de klacht:
“ 1. Vraagstelling
· Is de klant thans geschikt te achten voor zijn arbeid als bedoel in artikel 19 Ziektewet?
· Is er bij de klant sprake van een vermindering van benutbare mogelijkheden ten aanzien van het kunnen verrichten van arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek? Zo ja, wat zijn de benutbare mogelijkheden?
2. Onderzoek
2.1 Onderzoeksactiviteiten
Dossierstudie en spreekuur d.d. 04-06-2018.
(…)
2.2.2 Anamnese, sociaal-medisch
(…)
Anamnese
Betrokkene geeft te kennen dat er weinig tot geen verbetering in haar klachtenbeeld is opgetreden. Zij ervaart heel veel stress, spanningsklachten en heeft ook nog steeds last van tintelingen door het gehele lichaam.
Zij is uitvoerig onderzocht in september/oktober 2016 door de neuroloog, maar die kon geen afwijkingen op neurologisch gebied vinden.
Er is nog bloedonderzoek gedaan om te kijken of er soms sprake was van M. Lyme, doch ook dat kon niet aangetoond worden.
Betrokkene werd door de neuroloog bevestigd in het feit dat zij een burnout heeft en tot heden blijft betrokkene daar haar voormalige werkgever verantwoordelijk voor houden.
Betrokkene roept opnieuw ondergetekende op om de laatste werkgever mede verantwoordelijk te stellen voor de situatie waar betrokkene in verkeert. Aangegeven is dat UWV daar verder niets in kan betekenen.
Betrokkene kreeg het advies van de neuroloog om hulp te zoeken bij een psycholoog; betrokkene is geweest voor een intake-gesprek bij een psycholoog van F, maar tot een behandeling is het niet gekomen, en betrokkene is nu drukdoende om haar dossiergegevens bij F vernietigd te krijgen, maar F weigert dit.
Betrokkene geeft nu aan dat haar klachten wellicht zullen afnemen, zodra de dossiergegevens bij F vernietigd zijn: “pas dan kan ik weer door met mijn leven”.
(…)
Beloop en behandeling : thans geen actieve behandeling gaande.
(…)
Actuele medicatie: Nifedipine, Paracetamol.
(…)
2.2.4. Onderzoeksbevindingen
Lichamelijk onderzoek
Niet zieke, wat vermoeid ogende 53-jarige vrouw, normaal postuur, uiterlijk conform kalenderleeftijd. Zij komt samen met een goede bekende naar het spreekuur toe.
Er is sprake van een volstrekt normaal bewegingspatroon.
Nader lichamelijk onderzoek achterwege gelaten, geen noodzaak toe.
Psychisch onderzoek
Licht gespannen, opgejaagd, wat warrig, springt van de hak op te tak, soms stemverheffing, licht geagiteerd, wat dwingend in haar gedrag, lijkt af en toe conflict te zoeken, onzeker, verder wel normale concentratie en aandacht voor het gesprek, normofore stemming.
2.2.5 Informatie van derden
Deze werd niet opgevraagd omdat eigen onderzoek voldoende informatie opleverde.
3. Diagnose: 8P619: overspannenheid. (ASS?)
4. Beschouwing van belastbaarheid en prognose
(…)
Bij het spreekuurcontact van heden, 04-06-2018, blijkt dat er sprake is van een stationair klachtenpatroon, waarbij nader onderzoek geen duidelijke afwijkingen op lichamelijk gebied heeft aangetoond, en voorts een behandeling voor de psychische klachten niet noodzakelijk bleek. Betrokkene acht zich vanwege een beperkte lichamelijke en mentale spankracht, met name voor wat betreft algehele stressbestendigheid, beperkt in staat tot het verrichten van arbeid.
Betrokkene wil eerst dat bepaalde dossiergegevens vernietigd worden alvorens zij zich weer kan gaan richten op arbeid.
Op grond van de anamnestische gegevens en de bevindingen bij het spreekuurcontact van 04-06-2018 is de conclusie dat betrokkene nog dusdanig beperkt is in mentale spankracht, met name voor wat betreft algehele stressbestendigheid, dat zij beperkingen ondervindt ten aanzien van het verrichten van arbeid.
Betrokkene heeft wel benutbare mogelijkheden ten aanzien van het verrichten van arbeid aangezien zij niet voldoet aan de voor een situatie van geen benutbare mogelijkheden geldende criteria (klinische opname, volledige bedlegerigheid, volledige hulpbehoevendheid).
De uit de beperkte mentale spankracht voortvloeiende verminderde stressbestendigheid maakt dat betrokkene aangewezen is op werkzaamheden met een duidelijke structuur in planning en taakverdeling.
Verder is zij beperkt ten aanzien van het omgaan met deadlines en piekbelasting, heeft zij moeite met sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud, en vindt zij het lastig om met veelvuldige storingen en onderbrekingen om te gaan. Er is tevens sprake van een beperkte conflicthantering.
Tenslotte is betrokkene aangewezen op werk zondert onregelmatige diensten en werktijden. Gezien de aard van de aandoening en het beloop tot heden is er sprake van een voorlopig stationaire toestand, waarbij in ieder geval op korte termijn geen aanzienlijke verbetering van de belastbaarheid verwacht mag worden.
5. Conclusie
Functionele mogelijkheden op 04-06-2018: zie Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst.
6. Reactie van de klant
Cliënt is het eens met de visie van de verzekeringsarts.”
Op 18 juni 2018 zijn de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) en de Kritische FML vastgelegd.
Naast de in de rapportage vermelde beperkingen heeft beklaagde beperkingen aangenomen bij sociaal functioneren (aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is, aangewezen op werk waarin meestal weinig of geen direct contact met patiënten of hulpbehoevenden is vereist en aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat).
Klaagster heeft bezwaar ingediend tegen de beslissing van 27 juni 2018 waarbij het UWV de Ziektewetuitkering heeft beëindigd per 28 juli 2018 omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon van voordat zij ziek werd.
Op 25 oktober 2018 heeft een bezwaarverzekeringsarts gerapporteerd omtrent klaagster.
De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en de hoorzitting dd. 23 oktober 2018 meegemaakt. Tijdens de hoorzitting heeft klaagster vermeld dat beklaagde haar fysieke problemen niet heeft meegenomen, artrose van handen en ganglion aan de linker pols. Klaagster heeft ook klachten vermeld omtrent belasting van de nek en krampgevoelens in de voeten. Klaagster kon sommige gestelde beperkingen niet goed begrijpen. Zij begreep niet waarom zij niet met patiënten of hulpbehoevenden zou kunnen werken. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts kennis genomen van een schrijven van een manueel therapeut waar klaagster onder behandeling is. De manueel therapeut heeft aangegeven dat klaagster wegens tendomyogene klachten van de rug, nek/schouders in behandeling is en heeft vermeld dat klaagster alles wel kan doen, maar dat belasten van de cervicale wervelkolom en de lumbale wervelkolom toename van klachten geeft.
De bezwaarverzekeringsarts heeft zich in heroverweging op het standpunt gesteld dat op basis van de voorliggende gegevens en wat in bezwaar is aangegeven er medische reden is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts (RTG: beklaagde). Er is onvoldoende rekening gehouden met de medische gegevens van klaagster. De bezwaarverzekeringsarts rapporteert daaromtrent – voor zover thans voor beoordeling van de klacht van belang:
“Verzekerde is bekend met klachten passende bij ziekte van Raynaud, nekklachten, artrose beide handen en onwillekeurige trekkingen van armen en schouders (zonder duidelijke verklaring). MRI-onderzoek van de nek heeft eerder uncovertertebrale artrose beiderzijds op niveau C3-C4 met een HNP, waardoor vernauwing van het neuroframen, aangetoond. Verder ook nog uncovertertebrale artrose op niveau C5-C6 en C6-C7. Volgens neuroloog geen neurologische consequenties.
Aan handen zijn artrotische afwijkingen waarneembaar met ulnaire deviatie vingers. Deze lichamelijke problemen geven aanleiding tot het stellen van beperkingen. Primaire verzekeringsarts heeft geen beperkingen op fysiek terrein gesteld. De afwijkingen aan handen, nek en de Raynaudklachten rechtvaardigt echter wel het stellen van beperkingen. Veelvuldig draaien met het hoofd dient in werk beperkt te worden. Kracht zetten met beide handen (met name knijpen en wringen) dienen in werk beperkt te worden. Ook het zwaar tillen en dragen is daardoor niet goed mogelijk. Zwaardere trillingsbelasting aan handen en armen voorkomen.
Vanwege de Raynaudklachten niet werken in koude en/of vochtige omgevingen. Door mij zijn deze beperkingen toegevoegd aan de functionele mogelijkhedenlijst.
Voor de geuite onwillekeurige trekkingen van armen en schouders bestaat geen medisch substraat en ik zie dan ook geen reden om daaraan structurele beperkingen toe te kennen.
(…)
Ik zie geen harde medische reden om te stellen dat zij ook aangewezen is op werk waarin meestal weinig of geen direct contact met patiënten of hulpbehoevenden bestaat. Dat zelfde geldt voor contacten met klanten. Deze beperkingen heb ik dan ook weer verwijderd uit de functionele mogelijkhedenlijst.
De belastbaarheid wordt door mij dus anders ingeschat dan eerder door primaire verzekeringsarts gedaan is. Met name fysieke beperkingen heb ik toegevoegd. ”
Het bezwaar van klaagster is bij beslissing op bezwaar van 8 november 2018 gegrond verklaard. De Ziektewetuitkering werd per 28 juli 2018 voortgezet.
Beklaagde heeft na het vooronderzoek op 26 juni 2020 de rapportage van 4 juni 2018 aangepast in die zin dat als diagnose nu is vermeld:
“ 3. Diagnose : 8P619: overspannenheid.”
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde - zakelijk weergegeven – dat deze zomaar, zonder enig onderzoek, veel beweringen en beperkingen typt nadat hij klaagster 20 maanden niet heeft gezien en niet heeft gesproken of onderzocht. Hij typt ook zomaar afkortingen van ziektebeelden, zonder onderzoek en/of zonder testen.
De klachtonderdelen luiden, zoals door klaagster is bevestigd bij het vooronderzoek, conform het verweerschrift:
1. beklaagde heeft op 4 juni 2018 geen lichamelijk onderzoek verricht;
2. beklaagde heeft op 4 juni 2018 geen psychisch onderzoek verricht;
3. ten onrechte heeft beklaagde geen medische informatie opgevraagd bij behandelend artsen;
4. beklaagde heeft ten onrechte de diagnose ASS gesteld in zijn rapportage;
5. beklaagde heeft de aangenomen beperkingen niet met klaagster besproken en de beperkingen niet juist ingeschat;
6. klaagster is het niet eens met de door beklaagde opgestelde Kritische functionele mogelijkheden lijst.
De bezwaarverzekeringsarts heeft in heroverweging wel lichamelijke beperkingen aangenomen en minder psychische beperkingen dan door beklaagde zijn aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarmee geconcludeerd dat het verzekerings-geneeskundig oordeel van de beklaagde geen stand kan houden.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert - zakelijk weergegeven - aan dat hij met zijn handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Er heeft op 4 juni 2018 algemeen (oriënterend) lichamelijk onderzoek plaatsgevonden. Beklaagde heeft tijdens het spreekuur ook onderzoek gedaan naar de psyche van klaagster. Klaagster heeft beklaagde niet verzocht nadere informatie op te vragen bij behandelend artsen. Beklaagde beschikte over informatie van de neuroloog. Beklaagde heeft de diagnose overspannenheid gesteld en niet de diagnose ASS. Beklaagde heeft zich de vraag gesteld of ASS mogelijk bij klaagster aan de orde zou kunnen zijn. Beklaagde heeft dit opgetekend als punt van aandacht om mee te nemen bij de volgende beoordeling. Het is niet gebruikelijk om alle beoordelingspunten op de FML met een cliënt door te nemen. De beperkingen zijn in globale zin wel met klaagster gedeeld. Het enkele feit dat klaagster het niet eens is met de opgestelde FML of de kritische FML wil niet zeggen dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De rapportage van beklaagde voldoet aan de daaraan te stellen criteria. Het gegeven dat onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts tot een andere uitkomst heeft geleid maakt niet dat de eerdere beoordeling van beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Het college zal de klachtonderdelen bespreken in de volgorde als vermeld onder 3.
Alle klachtonderdelen hebben betrekking op het spreekuurcontact van beklaagde met klaagster op 4 juni 2018 en de rapportage en de FML die beklaagde naar aanleiding daarvan heeft opgesteld. Partijen zijn verdeeld over de duur van dit spreekuurcontact. Aan de hand van de verklaringen van de getuige en partijen – in onderling verband beschouwd – bepaalt het college die duur op maximaal 30 minuten. Daaruit volgt niet één op één dat het onderzoek van beklaagde naar de voorliggende vraagstelling dus onzorgvuldig, want te kort, is geweest. Dat hangt af van de inhoudelijke beoordeling van de concrete klachtonderdelen, waarover hierna meer.
5.3
Klachtonderdeel 1 is terecht voorgedragen.
Uit de rapportage van het spreekuurcontact op 28 september 2016 blijkt dat klaagster bekend was met klachten van Raynaud en arthrose aan beide handen. Beklaagde heeft voorts genoteerd dat klaagster als medicatie Nifedipine (passend bij klachten van Raynaud) gebruikte en fysiotherapie onderging. In de rapportage van het spreekuur-contact van 4 juni 2018 is beklaagde niet teruggekomen op deze gegevens. Ter zitting heeft beklaagde verklaard dat hij gefocust was op de psychische problematiek. Hij erkende de lichamelijke klachten gemist te hebben. Die klachten zijn op 4 juni 2018 dus niet onderzocht. Dit had te meer op de weg van beklaagde gelegen, omdat ook uit de specialistenbrief van 18 oktober 2016 van de neuroloog – die beklaagde volgens zijn verklaring toen al in bezit had – bleek dat sprake was van lichamelijke (functionele) klachten. Dit betekent dat het lichamelijk onderzoek door beklaagde onvoldoende is geweest.
5.4
Klachtonderdeel 2 slaagt niet.
Uit de verklaring van klaagster ter zitting blijkt dat zij op het spreekuurcontact op 4 juni 2018 heeft verteld over “psychiatrische bagger”. De anamnese als vermeld in de rapportage van beklaagde sluit hierop aan. Psychisch onderzoek kan, zoals in dit geval is gebeurd, plaatsvinden door middel van gesprek en observatie. De onderzoeksbevinding die beklaagde in dit verband heeft genoteerd kan niet kennelijk onjuist worden geacht. Dat die bevinding is “geknipt en geplakt” uit de eerdere rapportage betekent niet anders dan dat beklaagde tot dezelfde bevinding is gekomen. Het staat dus niet vast dat geen psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden.
5.5
Klachtonderdeel 3 is ongegrond.
In dit stadium (Toetsing Verbetering Belastbaarheid 2e ziektejaar) wordt informatie van derden opgevraagd als de bevindingen daar aanleiding toe geven. Beklaagde heeft genoteerd dat thans geen actieve behandeling gaande is. Klaagster heeft niet gesteld dat die notitie onjuist is. Het is verder niet gebleken dat klaagster heeft verzocht om informatie op te vragen. Beklaagde mocht afzien van het opvragen van informatie van derden.
5.6
Klachtonderdeel 4 is gegrond.
Beklaagde erkent dat de notitie (ASS?) bij de diagnose in zijn rapportage is gebaseerd op een gedachte die hij niet op de geëigende manier heeft onderbouwd. Beklaagde erkent ook dat hij deze notitie niet had moeten maken in de rapportage. Die erkenning brengt reeds mee dat de rapportage op dit punt onzorgvuldig is opgesteld. Dat klaagster ontdaan was door deze notitie is begrijpelijk. Het is juist dat beklaagde deze notitie na het vooronderzoek heeft verwijderd uit de rapportage.
5.7
Klachtonderdelen 5 en 6 zijn terecht voorgedragen.
Uit de verklaring van beklaagde ter zitting volgt dat de FML zou volgen na het spreekuurcontact en dat hij klaagster heeft aangegeven: wel in staat arbeid te verrichten, beperkingen met name in het mentale vlak. Hieruit en wat in 5.3 is overwogen volgt in elk geval dat beklaagde niets heeft vermeld over lichamelijke beperkingen. Logischerwijs heeft beklaagde in de (Kritische) FML ook geen beperkingen op lichamelijk gebied aangenomen. Dat had wel gemoeten en het ontbreken daarvan is onzorgvuldig. Dat de bezwaarverzekeringsarts in heroverweging minder psychische beperkingen dan beklaagde heeft aangenomen, brengt niet mee dat beklaagde op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat is de nuttige functie van de heroverweging in bezwaar.
5.8
Omdat de klachtonderdelen 1, 4, 5 en 6 gegrond zijn bevonden, heeft beklaagde wat dit betreft niet voldaan aan de norm als vermeld in 5.1. Het college zal de klacht gedeeltelijk gegrond verklaren en aan beklaagde een maatregel opleggen. Het college heeft in aanmerking genomen dat beklaagde zich ter zitting toetsbaar heeft opgesteld. Hij verklaarde geschrokken te zijn dat hij de lichamelijke problematiek heeft gemist. Hij heeft – onweersproken – al eerder aangeboden de notitie (ASS?) aan te passen en die notitie later ook verwijderd. Beklaagde heeft het college overtuigd dat het leereffect aanwezig is en dat hem dit niet nog eens overkomt. Verder is beklaagde niet eerder met de tuchtrechter in aanraking geweest. Alles overziende wordt volstaan met het opleggen van een waarschuwing.
6. DE BESLISSING
Het college:
- verklaart de klacht gegrond, voor wat betreft de klachtonderdelen 1, 4, 5 en 6;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt aan beklaagde de maatregel van waarschuwing op.
Aldus gegeven door W.J.B. Cornelissen, voorzitter, H.A.M. Veneman, H. Donkers, leden-beroepsgenoten, in tegenwoordigheid van J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b.
Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.