Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:50 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-087b

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:50
Datum uitspraak: 04-05-2021
Datum publicatie: 04-05-2021
Zaaknummer(s): 2020-087b
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Voor een behandeling – en dus ook voor een second opinion – van een minderjarige tot zestien jaar is er toestemming nodig van beide gezaghebbende ouders. Klager en de moeder van de dochter zijn gescheiden en zij hebben beiden het gezag over de dochter. Dit betekent dat ook de moeder moet instemmen met een behandeling. Beklaagde merkt terecht op dat hij niet zonder meer kon aannemen dat ook de moeder instemde met de gevraagde second opinion. Er was op het moment van het consult geen sprake van een acute situatie waarin de toestemming van de moeder niet kon worden afgewacht. Ook het advies van beklaagde om, na het verkrijgen van de toestemming van de moeder, naar de kinderarts te gaan om de second opinion te regelen is een zorgvuldige handelwijze. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te D,

beklaagde,

gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam te Utrecht.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift, ontvangen op 7 juli 2020;

-          de brief van beklaagde van 16 september 2020, ingekomen op 22 september 2020;

-          de brief van klager van 18 september 2020, ingekomen op 22 september 2020;

-          de brief van klager van 5 oktober 2020, ingekomen op 7 oktober 2020;

-          de brief van klager van 13 oktober 2020, ingekomen op 14 oktober 2020;

-          het verweerschrift van 18 november 2020, ingekomen op 19 november 2020;

-          het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 13 januari 2021.

1.2              Het College heeft de klacht op 23 maart 2021 in raadkamer behandeld.

2.                  De feiten

2.1              Beklaagde is sinds 1 juni 2020 op de vrijdag werkzaam als waarnemend huisarts bij de huisartsenpraktijk E. 

2.2              Klager heeft een dochter, geboren in 2008 (verder te noemen: de dochter). Beklaagde heeft klager eenmaal op een consult gezien, op vrijdag 26 juni 2020. Dit consult ging over de zorgen die klager had om de dochter en over haar behandeling bij F.

2.3              Daarna is er nog eenmaal telefonisch contact geweest, op vrijdag 3 juli 2020. Dit gesprek ging over het verzoek van klager tijdens het consult de week ervoor, om een verwijzing voor een second opinion.

3.                  De klacht

Klager verwijt beklaagde – samengevat – dat hij:

a.              heeft geweigerd een brief in ontvangst te nemen en in het dossier van de dochter te voegen;

b.             klager en de dochter niet serieus heeft genomen, dat hij heeft geweigerd daadwerkelijk in gesprek te gaan met klager, voorlichting te geven en invulling te geven aan zijn rol als zorgverlener;

c.              heeft geweigerd een second opinion aanvraag te verstrekken.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft primair een beroep gedaan op de (gedeeltelijke) niet-ontvankelijkheid van klager en subsidiair de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.                  Ontvankelijkheid

5.1       Beklaagde stelt dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht voor zover de klacht betrekking heeft op de aan de dochter geleverde zorg, omdat niet is gebleken dat de dochter op de hoogte is van het indienen van de tuchtklacht en daarmee instemt. Volgens beklaagde is instemming van de dochter nodig. Het College volgt dit standpunt niet.

5.2       Het College is bevoegd tot kennisname van een schriftelijke klacht van een rechtstreeks belanghebbende (art. 65 lid 1 sub a Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg). Een rechtstreeks belanghebbende is in ieder geval de patiënt zelf, maar ook naaste bloed- en aanverwanten, zoals ouders. Uit artikel 7:447 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat een minderjarige patiënt vanaf zestien jaar zelf bevoegd is een klacht in te dienen. Daarmee is de bevoegdheid om te klagen van de ouders/wettelijke vertegenwoordigers van minderjarigen vanaf zestien jaar vervallen. Bij kinderen tot zestien jaar is het uitgangspunt dat zij niet in staat zijn om hun belangen zelf te behartigen op dit punt en daarom zijn in principe alleen de ouders/wettelijke vertegenwoordigers daartoe bevoegd, zonder dat de instemming van de minderjarige patiënt nodig is (zie CTG 1 oktober 2013, ECLI:NL:TGZCTG:2013:110). De dochter was op het moment van het indienen van de klacht 12 jaar oud. Klager is dus bevoegd om in zijn rol van wettelijk vertegenwoordiger te klagen, zonder dat de dochter met het indienen van de klacht heeft ingestemd. Klager kan dan ook worden ontvangen in alle klachtonderdelen.

5.3       Beklaagde schrijft in zijn verweerschrift alleen in te gaan op de klachten over het handelen tegenover klager en niet op de klachten over het handelen tegenover de dochter. Desondanks heeft het College voldoende informatie ontvangen, in het klaag- en het verweerschrift en het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, om weloverwogen over alle klachtonderdelen te kunnen oordelen.

6.                  De beoordeling

6.1       Het College is van oordeel dat beklaagde niet kan worden verweten dat hij heeft

gehandeld in strijd met de zorg die hij klager behoorde te geven en zal de klacht in al haar onderdelen ongegrond verklaren. Het College zal dit oordeel hieronder toelichten.

Klachtonderdeel a

6.2       Klager heeft tijdens het consult op 26 juni 2020 aan beklaagde een brief overhandigd met het verzoek die brief in het dossier van de dochter te voegen. Het gaat hier om een brief van klager aan de kinderarts die betrokken is bij de behandeling van de dochter.

6.3       Volgens klager heeft beklaagde geweigerd om de brief in ontvangst te nemen en aan het dossier van de dochter toe te voegen. Voor klager is het onduidelijk of de brief nu in het dossier zit. Beklaagde weerspreekt dat hij geweigerd heeft de brief in ontvangst te nemen. Hij stelt dat hij klager heeft bevestigd dat de brief aan het dossier van de dochter zou worden toegevoegd en dat dit dezelfde dag ook is gebeurd. Kennelijk is er in de communicatie onduidelijkheid ontstaan. Wat er tijdens het gesprek tussen klager en beklaagde is gezegd, daar kan het College niet over oordelen. Dat is immers het woord van klager tegenover het woord van beklaagde. Maar het College ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van beklaagde dat de brief aan het dossier van de dochter is toegevoegd. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel b

6.4        Klager verwijt beklaagde dat hij klager en de dochter niet serieus heeft

genomen, dat hij heeft geweigerd daadwerkelijk in gesprek te gaan met klager, hem voorlichting te geven en invulling te geven aan zijn rol als zorgverlener. Beklaagde weerspreekt dit. Beklaagde stelt dat hij tijdens het consult, dat ongeveer 30 minuten duurde, zoekende was naar wat klager precies van hem verwachtte en dat hij heeft geprobeerd de hulpvraag duidelijker te krijgen. Volgens beklaagde had klager veel vragen over de eetstoornis van de dochter en over behandelmethodes. Beklaagde stelt dat hij voor zover hij kon als huisarts antwoorden heeft gegeven, maar dat hij klager ook bij veel vragen heeft geadviseerd deze voor te leggen aan de specialisten bij F. Dit heeft hij niet gedaan om het gesprek met klager te weigeren, maar juist om klager te helpen, aldus beklaagde.

6.5       Klager is eenmaal bij beklaagde op consult geweest en op het moment van

dit consult was F al bij de dochter betrokken. F is een kliniek die gespecialiseerd is in de behandeling van eetstoornissen. Dat beklaagde klager voor het antwoord op (een aantal van) zijn vragen heeft doorverwezen naar deze specialisten die reeds bij de dochter betrokken waren, is niet in strijd met zijn zorgplicht. Het College ziet in de stellingen van klager verder geen aanleiding om te oordelen dat het consult met beklaagde niet zorgvuldig is verlopen. Niet duidelijk is wat klager concreet van beklaagde verwachtte in het consult, en wat beklaagde volgens klager anders had moeten doen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel c

6.6       Klager stelt dat beklaagde heeft geweigerd een second opinion aanvraag aan klager te

verstrekken. Beklaagde weerspreekt dit. Beklaagde stelt dat hij in het consult van 26 juni 2020 aan klager heeft verteld dat hij over het verzoek om een second opinion moest nadenken omdat hij wilde nagaan of toestemming van de dochter en haar moeder nodig was. Beklaagde heeft klager vervolgens op 3 juli 2020 gebeld – nadat hij de regels van de KNMG op dit punt had opgezocht – en klager geadviseerd om de toestemming van de dochter en haar moeder te vragen én om vervolgens naar de kinderarts te gaan zodat die de second opinion kon regelen.  Het College vindt dit een goede manier van handelen.

6.7       Voor een behandeling – en dus ook voor een second opinion – van een minderjarige

tot zestien jaar is er toestemming nodig van beide gezaghebbende ouders. Klager en de moeder van de dochter zijn gescheiden en zij hebben beiden het gezag over de dochter. Dit betekent dat ook de moeder moet instemmen met een behandeling. Beklaagde merkt terecht op dat hij niet zonder meer kon aannemen dat ook de moeder instemde met de gevraagde second opinion. In het bijzonder niet omdat in de ontslagbrief van de kinderarts over de opname van de dochter in F stond dat moeder het eens was met het gevoerde beleid, maar vader niet.

6.8       Er was op het moment van het consult geen sprake van een acute situatie waarin de

toestemming van de moeder niet kon worden afgewacht. De dochter was immers kort daarvoor ontslagen uit het ziekenhuis in een stabiele toestand en zij was aangemeld bij F.

6.9       Ook het advies van beklaagde om, na het verkrijgen van de toestemming van de

moeder, naar de kinderarts te gaan om de second opinion te regelen is een zorgvuldige handelwijze. Het is gebruikelijk en gepast om de behandelend specialist niet te omzeilen maar een second opinion via de betreffende specialist te laten verlopen. Bovendien kan de specialist direct de juiste informatie doorsturen naar degene aan wie de second opinion wordt gevraagd.

Ook dit klachtonderdeel is dus ongegrond.

7.                  De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

de klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 4 mei 2021 door E.P. de Beij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.C. Baak, B. van Ek, I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.