Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-143

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:49
Datum uitspraak: 04-05-2021
Datum publicatie: 04-05-2021
Zaaknummer(s): 2020-143
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster niet ontvankelijk in haar klacht tegen een huisarts. Vast staat dat beklaagde geen behandelrelatie heeft of heeft gehad met klaagster. De relatie tussen klaagster en beklaagde betrof enkel een privérelatie waarbij zij directe buren zijn. Het College is van oordeel dat de verweten gedragingen van beklaagde louter betrekking hebben op de relatie van onderlinge buren en dus alleen op de privésfeer. De verweten gedragingen zijn niet van dien aard dat sprake is van weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat de verweten uiting - waarvan beklaagde overigens met klem heeft betwist dat zij dit überhaupt heeft gezegd - niet kan worden getoetst aan de tuchtnormen zodat klaagster alleen al op die grond niet ontvankelijk wordt verklaard in haar klacht.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: C, wonende te B,

tegen:

D, huisarts,

werkzaam te B,

gemachtigde: mr. J.A.J. Leeman, werkzaam te Rotterdam.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 8 oktober 2020;

-          een ondertekende machtiging d.d. 22 oktober 2020, waarin klaagster gemachtigde machtigt om namens haar de klacht in te dienen;

-          het verweerschrift met bijlage;

-          de brief van de zijde van klaagster, gedateerd 19 februari 2021, ontvangen op 23 februari 2021.

1.2              De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling

te worden gehoord.

1.3              Het College heeft de klacht op 23 maart 2021 in raadkamer behandeld.

2.                  De feiten

2.1              Klaagster is de ex-echtgenote van C (hierna: gemachtigde). Klaagster en gemachtigde wonen in het zelfde gebouw ieder op een apart adres. Zij zijn boven- c.q. onderburen van elkaar. Gemachtigde verleent mantelzorg aan klaagster vanwege haar (geestes)toestand. Beklaagde is een directe buurvrouw van zowel klaagster als gemachtigde. Beklaagde is huisarts, maar heeft beroepsmatig noch met klaagster, noch met gemachtigde een relatie.

2.2              Het klaagschrift is opgesteld door gemachtigde en daarbij heeft gemachtigde vermeld dat gemachtigde namens klaagster de klacht indient omdat klaagster dement is.

3.                  De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij medio 2019 in het openbaar op kwetsende en onbeschofte wijze de geestelijke toestand van klaagster kenbaar heeft gemaakt op zo’n wijze dat dit hoorbaar was voor het gehele plein. Meer specifiek verwijt klaagster dat beklaagde in het bijzijn van een buurman luid hoorbaar heeft geroepen: “Oh nee, O nee, dat mens had allang in een tehuis moeten zitten, die hoort niet thuis in een woonwijk. Ze valt iedereen op het plein lastig en loopt voortdurend bij iedereen aan te bellen om mede te delen dat ze geen sleutel heeft.”

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft primair betoogd dat klaagster niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar klacht en subsidiair dat de klacht ongegrond moet worden verklaard. Voor zover nodig zal daarop hieronder nader worden ingegaan.

5.                  De beoordeling

5.1       Het College dient allereerst de vraagt te beantwoorden of het tuchtrecht in dit geval van toepassing kan zijn. Klaagster stelt dat beklaagde ‘en plein publique’ heeft geroepen. “Oh nee, O nee, dat mens had allang in een tehuis moeten zitten, die hoort niet thuis in een woonwijk. Ze valt iedereen op het plein lastig en loopt voortdurend bij iedereen aan te bellen om mede te delen dat ze geen sleutel heeft.” Beklaagde heeft daarentegen in de stukken met klem betwist dat zij dit of iets in die richting ooit heeft gezegd.

Wat daar ook van zij, vast staat dat beklaagde geen behandelrelatie heeft of heeft gehad met klaagster (en evenmin met gemachtigde). De relatie tussen klaagster en beklaagde betrof enkel een privérelatie waarbij zij directe buren zijn. De verweten gedraging kan daarom niet worden getoetst aan de eerste tuchtnorm van artikel 47, eerste lid, onder a Wet op de beroepen van de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG).

5.2       Handelingen van een BIG-geregistreerde die in de privésfeer plaatsvinden kunnen echter in bepaalde gevallen wel worden getoetst aan de tweede tuchtnorm van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet BIG. Om te komen tot een antwoord op de vraag of in dit geval getoetst kan worden aan deze tweede tuchtnorm en dus of klaagster ontvankelijk is in haar klacht, overweegt het College als volgt.

De ontvankelijkheidsvraag kwam ook aan de orde in een zaak waarover het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) op 3 maart 2020 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:TGZCTG:2020:61). In die zaak is overwogen dat handelingen van een BIG-geregistreerde die in de privésfeer plaatsvinden niet onder het tuchtrecht vallen, tenzij het handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg. Er kan sprake zijn van ‘weerslag’ in geval van (i) zeer ernstig verwijtbaar handelen in flagrante strijd met de algemene zorgplicht, (ii) handelen dat de waarden van het beroep in de kern raakt, en (iii) handelen dat het vertrouwen in het handelen van een arts wezenlijk aantast. Het CTG “voegde daar nog toe dat voor toetsing aan de (nieuwe) tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 onder b van die wet is vereist dat sprake is van enig ander dan onder a van dat artikel bedoeld handelen of nalaten, in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

5.3       In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat leidde tot deze nieuwe tweede tuchtnorm is de beoogde invulling van die norm toegelicht: “De wijziging beoogt te verduidelijken dat het tuchtrecht tevens van toepassing is in de volgende situaties. (…) als een BIG-geregistreerde in de privésfeer of in de hoedanigheid van een ander beroep dan waarvoor hij is geregistreerd zich schuldig maakt aan misdragingen van dien aard en ernst dat hij een gevaar voor patiënten vormt of het vertrouwen in de beroepsbeoefening ernstig schaadt. Hier moet gedacht worden aan levens-, gewelds-, en zedendelicten, zoals seksueel misbruik of ernstige mishandeling.” (Kamerstukken II, 2016-2017, 34 629, nr. 3 (MvT), p. 22).

5.4       Het College is van oordeel dat de verweten gedragingen van beklaagde louter betrekking hebben op de relatie van onderlinge buren en dus alleen op de privésfeer. De verweten gedragingen zijn niet van dien aard dat sprake is van weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat de verweten uiting - waarvan beklaagde overigens met klem heeft betwist dat zij dit überhaupt heeft gezegd - niet kan worden getoetst aan de tuchtnormen zodat klaagster alleen al op die grond niet ontvankelijk wordt verklaard in haar klacht.

6.         De beslissing

Het College:

-           verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht.  

Deze beslissing is gegeven op 4 mei 2021 door E.P. de Beij, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, H.C. Baak, B. van Ek, I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.