Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-158

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:41
Datum uitspraak: 16-03-2021
Datum publicatie: 16-03-2021
Zaaknummer(s): 2020-158
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. Beklaagde is, in de procedure tussen klager en zijn broer, door de broer benaderd als (partij)deskundige. Zij heeft in dat kader onderzoek gedaan naar de twijfel die er bij de broer bestaat over de rechtsgeldigheid van het testament van de vader in verband met (de twijfel over) diens wilsbekwaamheid. Het College is van oordeel dat het rapport van beklaagde aan geen van de criteria voldoet die volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gelden voor een dergelijke deskundigenrapportage. Zo ontbreekt in het rapport een duidelijk overzicht van de feiten, omstandigheden en bevindingen waar beklaagde haar (vergaande) conclusies op baseert en is het rapport erg summier. Ook geeft het rapport geen blijk van een geschikte onderzoeksmethodiek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden. Tot slot getuigen ook de diskwalificerende opmerkingen over klager die beklaagde in het rapport maakt niet van een professionaliteit die verwacht mag worden. Het rapport geeft daardoor blijk van een onvoldoende mate van objectiviteit. Het College vindt dat beklaagde een zodanig ernstig verwijt gemaakt kan worden van haar handelwijze dat het College het van belang vindt om ook met de op te leggen maatregel te benadrukken dat dit zich niet meer mag herhalen. Ook weegt het College daarbij mee dat beklaagde op de zitting weinig zelfinzicht en reflectief vermogen heeft getoond. Klacht gegrond verklaard. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Datum uitspraak: 16 maart 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld, werkzaam te Bergen op Zoom,

tegen:

C , verpleegkundige,

werkzaam te D,

beklaagde.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift met bijlage, gedateerd 10 augustus 2020, ontvangen op 14 augustus 2020;

-          de nadere uiteenzetting van het klaagschrift, gedateerd 11 augustus 2020, ontvangen op 13 augustus 2020;

-          het verweerschrift met bijlagen, gedateerd 9 december 2020, ontvangen op 9 december 2020;

-          de brief van klager, gedateerd 18 januari 2021, ontvangen op 20 januari 2021.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3              De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 2 februari 2021. De partijen, klager bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Daarnaast was de heer E, de broer van klager (hierna: de broer) op de zitting aanwezig.

2.                  De feiten

2.1              Beklaagde is in het BIG-register ingeschreven als verpleegkundige en heeft zich gespecialiseerd tot sociaalpsychiatrisch verpleegkundige. Sinds tien jaar is zij werkzaam als directeur van F, een bureau voor advies, onderzoek en interventie bij ouderenmishandeling.

2.2              Klager en de broer zijn zonen van de heer G (hierna: de vader).

2.3              Bij beschikking van 3 oktober 2013 van de rechtbank H zijn de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vader onder bewind gesteld van klager. Ook is bij deze beschikking klager tot mentor benoemd van de vader.

2.4              In 2015 heeft de vader een testament opgemaakt waarin de broer is onterfd.

2.5              Op 27 februari 2016 is de vader overleden.

2.6              De broer heeft een procedure tot nietigverklaring van het testament aanhangig gemaakt bij de rechtbank H. Hij stelt in deze procedure dat de vader ten tijde van het opmaken van het testament niet wilsbekwaam was.

2.7              Beklaagde heeft op verzoek van de broer onderzoek gedaan naar de wilsbekwaamheid van de vader.

2.8              Op 16 maart 2020 heeft beklaagde aan de advocaat van de broer een brief geschreven met de resultaten van haar onderzoek. Op haar briefpapier vermeldt beklaagde dat zij een bureau voor advies, onderzoek en interventie heeft, wordt haar BIG-registratienummer genoemd en ondertekent zij met de vermelding Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige. Zij concludeert in deze brief (alle citaten inclusief eventuele taal- en typfouten):

“Gezien de ernstige geheugenstoornis waar de heer G ten gevolge van het Syndroom van Korsakov aan leed, kan gevoeglijk worden aangenomen dat hij noch het initiatief had kunnen nemen, noch de gevolgen had kunnen overzien. Ik ben op grond hiervan de mening toegedaan dat dit testament onterecht gepasseerd is.”

(…)

Mijn conclusie:

In dit droevige verhaal draait het nog maar om één ding: geld. Ik onderken de gebruikelijke rode draad die door deze geschiedenis heen loopt, namelijk

§  het indoctrineren van de oudere: E deugd niet, die steelt, die procedeert.

§  het isoleren van de oudere: E, de enige bezoeker die nog komt, mag zijn vader niet meer in het appartement bezoeken; soms werkt de telefoon niet.

§  geld en goederen incasseren van de oudere: het vermogen is ‘veilig’ gesteld door A door zijn broer E testamentair te onterven.”

Verder geeft ze in de brief toestemming om haar conclusie in de procedure over de rechtskracht van het testament in te brengen en geeft zij aan bereid te zijn om aanwezig te zijn bij de zitting om haar bevindingen toe te lichten.

3.                  De klacht

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij buiten de grenzen van haar deskundigheid is getreden en dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het verrichten van haar onderzoek naar de wilsbekwaamheid van de vader.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Zij is van mening dat zij op zorgvuldige wijze haar onderzoek heeft verricht.

5.                  De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1              Voordat de klacht inhoudelijk wordt besproken, beoordeelt het College of klager ontvangen kan worden in zijn klacht. Dit is het geval. Het College is van oordeel dat klager als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 65 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) kan worden aangemerkt. Het onderzoek waar de klacht over gaat is immers opgesteld met het oog op een procedure tussen klager en zijn broer over de rechtsgeldigheid van het testament van de vader, waarbij beklaagde onderzoek heeft gedaan naar de in die procedure aan de orde zijnde vraag of de vader van klager ten tijde van het opmaken van zijn testament in staat was om zijn wil te bepalen. Beklaagde kan niet tuchtrechtelijk aansprakelijk worden gehouden op grond van het eerste lid onder a van artikel 47 van de Wet BIG, omdat er geen sprake was van een behandelrelatie tussen klager en beklaagde. Het handelen van beklaagde valt wel onder de tuchtnorm van artikel 47, eerste lid onder b van de Wet BIG. Beklaagde heeft immers (zo heeft zij desgevraagd op de zitting verklaard) gehandeld in de hoedanigheid van sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, zij heeft op basis van de stukken die zij tot haar beschikking had een oordeel gevormd over de wilsbekwaamheid van de vader en zij heeft dit oordeel aan een derde ter kennis gebracht.

De klacht

5.2              De conclusie van het College is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet BIG en dus dat de klacht gegrond is. Het College licht dat hieronder toe.

5.3              Beklaagde is, in de procedure tussen klager en de broer, door de broer benaderd als (partij)deskundige. Zij heeft in dat kader onderzoek gedaan naar de twijfel die er bij de broer bestaat over de rechtsgeldigheid van het testament van de vader in verband met (de twijfel over) diens wilsbekwaamheid. Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg moet een dergelijke deskundigenrapportage voldoen aan de volgende criteria:

o   het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

o   het rapport geeft blijk van een geschikte methodiek van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;

o   in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

o   het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

o   de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

5.4              Het College is van oordeel dat het rapport van beklaagde (de brief van 16 maart 2020) aan geen van de bovengenoemde criteria voldoet.

5.5              Zo ontbreekt in het rapport een duidelijk overzicht van de feiten, omstandigheden en bevindingen waar beklaagde haar (vergaande) conclusies op baseert. Het rapport is erg summier. Het bestaat uit een aantal citaten, met name uit e-mailconversaties van de broers, en de (daaruit) getrokken conclusies van beklaagde. Ook geeft het rapport geen blijk van een geschikte onderzoeksmethodiek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden. Desgevraagd heeft beklaagde op de zitting verklaard dat zij geen gebruik heeft gemaakt van een onderzoeksmethodiek. Zij stelt zich gebaseerd te hebben op de feiten. Op welke feiten en op welke gronden de (vergaande) conclusies gebaseerd zijn – anders dan de citaten uit e-mails die overigens niet als feiten zijn aan te merken – is echter niet inzichtelijk in het rapport weergegeven. Beklaagde stelt dat haar conclusies zijn gebaseerd op een omvangrijke hoeveelheid stukken, door beklaagde ‘dossiers’ genoemd, maar het rapport maakt ook niet duidelijk welke stukken dat zijn. Evenmin kan het College vaststellen dat beklaagde alle relevante stukken bij haar onderzoek heeft gebruikt. Verder heeft beklaagde op de zitting, nadat zij daar naar was gevraagd, verklaard dat zij een rechter en een geriater heeft gesproken in het kader van haar onderzoek. In het rapport is dit niet vermeld en onduidelijk is gebleven welke vraagstelling en welke gegevens aan deze personen zijn voorgelegd. Ook is niet bekend wie deze personen zijn geweest. Daarover verklaarde beklaagde op de zitting dat zij de namen van de geraadpleegde personen niet wilde noemen, uit angst dat klager deze personen vervolgens zou gaan lastigvallen. Waar deze angst op is gebaseerd, is door beklaagde niet verder toegelicht.

5.6              Met het rapport is beklaagde de grenzen van haar deskundigheid te buiten gegaan.

Los van het feit dat uit het rapport geen, althans onvoldoende aanknopingspunten blijken voor de door haar getrokken conclusie over de wilsbekwaamheid van de vader ten tijde van het passeren van het testament (daar wordt hieronder nog nader op ingegaan) had beklaagde zich in haar functie als sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en/of onderzoeker ouderenmishandeling moeten weerhouden van het geven van een oordeel hierover. Zoals beklaagde zelf ook op de zitting heeft verklaard, dient een dergelijk oordeel overgelaten te worden aan een (onafhankelijke) arts. Beklaagde had zich dienen te beperken tot het geven van een advies dat er volgens haar redenen waren om de wilsbekwaamheid van de vader nader te onderzoeken.

5.7              De conclusie van beklaagde dat de vader niet wilsbekwaam was ten tijde van het passeren van het testament is gebaseerd op haar vaststelling dat de vader leed aan het syndroom van Korsakov. Deze conclusie trekt beklaagde zonder dat daar (voldoende) harde gegevens of een diagnose voor zijn. Zij lijkt haar conclusie nagenoeg volledig te baseren op een e-mail van klager, die huisarts is, aan de broer, waarin klager schrijft:

“Zoals je zelf al aangeeft is Pa bijzonder vergeetachtig. Hij weet inderdaad niet meer wat er een paar minuten eerder gezegd is…In vergelijking met vorig jaar holt pa achteruit……Ik verdenk hem van Korsakov: een vergeetachtigheid die progressief is a.g.v. alcohol.” 

Een e-mail van klager aan zijn broer over de gezondheidstoestand van hun vader kan niet gekwalificeerd worden als het stellen van een diagnose. Dat klager huisarts is maakt dit niet anders. Ook overige informatie die in het rapport staat, zoals een kort citaat uit een evaluatieverslag van de woongemeenschap waar de vader verbleef is onvoldoende om deze (vergaande) conclusie te kunnen dragen. Daar waar in het rapport staat:

29-11-2013: ‘uitslag van de MRI, ‘hieruit is gebleken dat de vergeetachtigheid of met dementie of met het alcoholgebruik te maken heeft.”

wordt verder niet duidelijk met welke reden deze MRI is gemaakt en of hier een diagnose uit is voortgekomen. Ook dit lijkt een citaat te zijn van een e-mail van klager aan de broer. Dat beklaagde, zoals zij stelt, overleg heeft gehad met een geriater, is verder niet onderbouwd.

5.8              Tot slot getuigen ook de diskwalificerende opmerkingen over klager die beklaagde in

het rapport maakt niet van een professionaliteit die verwacht mag worden. Het rapport geeft daardoor blijk van een onvoldoende mate van objectiviteit.

De op te leggen maatregel

5.9              Het College legt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing op voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Het College vindt dat beklaagde een zodanig ernstig verwijt gemaakt kan worden van haar handelwijze dat het College het van belang vindt om ook met de op te leggen maatregel te benadrukken dat dit zich niet meer mag herhalen. Ook weegt het College daarbij mee dat beklaagde op de zitting weinig zelfinzicht en reflectief vermogen heeft getoond. Zij heeft meermaals herhaald dat zij een deskundige is op het gebied van ouderenmishandeling en dat zij niet zomaar een conclusie trekt. Zij lijkt zich echter niet te realiseren dat zij met de door haar opgeschreven conclusies, die in een civiele procedure zijn ingebracht, haar deskundigheid te buiten ging én dat het in haar rapport ontbreekt aan een inzichtelijke weergave van de feiten, omstandigheden en gronden waar zij haar conclusies op baseert. Door een (deskundigen)rapport op te stellen zonder te werken met een geschikte onderzoeksmethodiek, waarin vergaande conclusies worden getrokken die buiten de deskundigheid van beklaagde vallen en die bovendien niet (inzichtelijk) worden onderbouwd door feiten en omstandigheden, heeft zij gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt en dat heeft zijn weerslag op het vertrouwen in de individuele gezondheidszorg.

5.10          Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing (geanonimiseerd) worden gepubliceerd.

6.         De beslissing

Het College:

-           verklaart de klacht gegrond;

-           schorst de bevoegdheid van beklaagde om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van zes maanden;

-           beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders mocht bepalen op grond dat beklaagde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt;

-           bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden;

-           bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat beklaagde in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen.

-           bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Nursing en Sociale Psychiatrie.

Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen,

lid-jurist, I.M. Bonte, W.M.E. Bil en M. Houtlosser, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door

R. van der Vaart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2021.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.