ECLI:NL:TGZRSGR:2021:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-099c
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2021 |
| Datum publicatie: | 09-03-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-099c |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een arts. Het College overweegt dat klaagster blijkens het dossier bij de opname onder de zorg van de verloskundige is gekomen. Bij vaginaal bloedverlies en contracties dienen volgens de geldende richtlijnen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd: een CTG, echoscopie en onderzoek van de zwangere buik, eventueel aangevuld met een inwendig onderzoek. De verloskundige heeft genoteerd dat al deze onderzoeken zijn verricht en gelet op wat beide partijen hebben opgemerkt, is het aannemelijk dat beklaagde alleen aanwezig is geweest om bij het opslaan van de echobeelden te assisteren. Bij de echo was een goed beeld te zien, de placenta was goed beoordeelbaar en eventuele ernstige problemen waren door de onderzoeken uitgesloten. Op basis van de bevindingen was de – verdedigbare – inschatting van de verloskundige dat er sprake was van een beginnende bevalling en dat andere onderzoeken voor dat moment niet aangewezen waren. Er was geen aanleiding voor beklaagde om in te grijpen of om op dat moment de dienstdoende gynaecoloog te raadplegen. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 9 maart 2021
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A en B,
beiden wonende te C,
klagers,
gemachtigde: mr. S.L.J. Spee, werkzaam te Rotterdam,
tegen:
D , arts,
destijds werkzaam te E,
beklaagde,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 5 augustus 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 december 2020.
1.3
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting
van 26 januari 2021. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen
en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities
overgelegd.
1.4 De klacht is behandeld tezamen met vier andere, met de klacht samenhangende zaken zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Die zaken zijn bekend onder dossiernummers 2020-099a, b,
d en e.
2. De feiten
2.1
Tijdens de zwangerschap van klaagster (geboren in 1989) is bij de 20-weken echo op
14 juli 2017 geconstateerd dat de navelstreng één in plaats van twee slagaders bevatte,
waarop zij voor controle is verwezen naar de polikliniek obstetrie van het F. Daar
is op 20 juli 2017 een geavanceerd ultrageluidonderzoek (GUO) gedaan, waarbij geen
verdere bijzonderheden zijn gezien. Wel vermeldt het verslag dat een enkele arterie
in de navelstreng is geassocieerd met een verhoogd risico op structurele afwijkingen
(5-10% met name hart en nieren) en een laag geboortegewicht, in verband waarmee het
geïndiceerd is de foetale groei echoscopisch te vervolgen in het laatste trimester
van de zwangerschap. Over de placenta vermeldt het verslag: “hoog anterior”.
2.2
Op 6 oktober 2017 is klaagster bij een zwangerschap van 31 weken en vier dagen door
de verloskundige verwezen naar de gynaecoloog in verband met contracties om de 4 à
5 minuten gedurende 30-40 seconden. Daarop is klaagster op 7 oktober 2017 wegens dreigende
vroeggeboorte opgenomen geweest op de afdeling verloskunde in het F. Zij was overgenomen
vanuit het G in E (hierna: het ziekenhuis). Klaagster kreeg Celestone ter longrijping
van het kind en weeënremmers, waarna de baarmoeder rustig werd en klaagster op 9 oktober
2017 kon worden ontslagen. Vanaf dat moment kwam klaagster wekelijks op controle in
het ziekenhuis.
2.3 In de vroege nacht van 9 op 10 november 2017 werd klaagster, toen 36 weken en vier dagen zwanger, opgenomen in het ziekenhuis vanwege bloedverlies. De verloskundige in het ziekenhuis heeft hierover genoteerd (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten):
“Mw. komt ivm menstruatieachtige pijn en helderrood bloedverlies. Voelt baby goed bewegen. V3telt wel last van tintelende vingers en scotomen te hebben. (…)
Hartactie aanwezig regulair
Aanvullend onderzoek echo
Toelichting aanvullend onderzoek Placenta op VW, ligt goed aan. Cx
lengte 2 cm, veel bloedverlies in portio.
VT: weke half verstreken portio, 1-2 cm ontsluiting.
Conclusie Beginnend in partu.”
Om 4.48 uur die nacht noteerde de verloskundige:
“Mw. blijft wat krampende pijn houden. Neemt niet echt toe, blijft wel ruim bloedverlies
houden. CTG fraai. (…)”
en om 4.51 uur over het CTG dat sprake is van lichte contracties, aanwezige kindsbewegingen
en een basis hartfrequentie van 110-150 slagen per minuut met acceleraties en geen
deceleraties, met de conclusie dat sprake is van een normaal CTG. Beklaagde is bij
het maken van deze echo aanwezig geweest. Zij was destijds arts, niet in opleiding
tot specialist (anios). Bij de verdere behandeling van klaagster is zij niet meer
betrokken geweest.
2.4 Op 10 november 2017 werd klaagster bezocht door een anios (beklaagde in 2020-099d), en de op dat moment dienstdoende en superviserende gynaecoloog (beklaagde in 2020-099b). Om 9.03 uur heeft deze gynaecoloog in de decursus aangetekend:
“VISITE
(…)
O: Vandaag nog geen controles gedaan. Ligt rustig in bed, oogt niet in partu.
Abdomen: soepel, CVIBI, uterus niet en bois, niet pijnlijk, niet contractiel.
VT: nu niet verricht, want oogt rustig.
CTG: Fraai, BHF 140, var goed, acc+, dec-. Toco irreg act.
Echo: HL, VW normaal, Kb goed, placenta VW / rechts lateraal, niet laag, goed te vervolgen,
geen haematomen.”
2.5 Op 11 november 2017 werd besloten tot inleiding van de bevalling op maandag 13 november 2017. Op die datum zou de zwangerschapsduur 37 weken zijn. In de nacht van 12 op 13 november 2017 is wegens bloedverlies bij klaagster en het niet kunnen registreren van foetale hartactie met het CTG en echografisch bevestigde trage hartslag van 60 slagen per minuut een spoedkeizersnede uitgevoerd. Daarbij is het zoontje van klagers, H, in zeer slechte toestand geboren. Hij is overgebracht naar het I te J en daar op 14 november 2017 overleden.
3. De klacht
Klagers verwijten beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:
a. nagelaten heeft om zorgvuldig en uitgebreid onderzoek te doen naar het voortdurende bloedverlies/foetaal bloedverlies tijdens de opname in de nacht van 9 op 10 november 2017;
b. nagelaten heeft om ondanks aanwezige risicofactoren meerdere diagnoses te overwegen en daartoe onderzoeken te verrichten;
c. onvolledig en onzorgvuldig het dossier heeft bijgehouden.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1
De afloop van de zwangerschap en het verdere verloop is buitengewoon verdrietig. Het
is duidelijk en begrijpelijk dat de gang van zaken rond het overlijden van H de ouders
nog steeds erg bezig houdt.
5.2 In deze tuchtzaak moet het College beoordelen of beklaagde binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven. Dat is een zakelijke beoordeling. Daarbij gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar of beklaagde heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam arts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht, rekening houdend met de stand van de wetenschap op dat moment en de voor de arts geldende beroepsnormen.
Klachtonderdelen a en b
5.3
Bij haar opname in het ziekenhuis werd klaagster volgens het klaagschrift gezien door
een verloskundige en beklaagde. Het onderzoek dat plaatsvond verliep volgens klaagster
niet professioneel. De betreffende verloskundige was niet bekend met het echoapparaat
en vertelde dat zij een invalkracht was. Beklaagde zou vervolgens hebben geprobeerd
een inwendige echo te maken. Klagers werd verteld dat de echo niet goed te beoordelen
was in verband met een bloedprop in de baarmoedermond en toen is er een standaard
uitwendige echo gemaakt. Naar aanleiding daarvan werd klagers meegedeeld dat het kind
niet in nood was, de placenta nog goed vast leek te zitten en de bevalling was gestart,
aldus het klaagschrift.
5.4
Beklaagde heeft naar voren gebracht dat zij alleen door de verloskundige bij klaagster
is geroepen omdat de verloskundige, die normaal gesproken in een ander ziekenhuis
werkte, hulp nodig had om de echobeelden in het elektronisch dossier op te slaan.
Beklaagde kan zich niet meer met zekerheid herinneren of zij de echoscopiebeelden
heeft meebeoordeeld, of zelf de echoprobe heeft vastgehouden.
5.5 Het College overweegt dat klaagster blijkens het dossier bij de opname onder de zorg van de verloskundige is gekomen. Bij vaginaal bloedverlies en contracties dienen volgens de geldende richtlijnen de volgende onderzoeken te worden uitgevoerd: een CTG, echoscopie en onderzoek van de zwangere buik, eventueel aangevuld met een inwendig onderzoek. De verloskundige heeft genoteerd dat al deze onderzoeken zijn verricht en gelet op wat beide partijen hebben opgemerkt, is het aannemelijk dat beklaagde alleen aanwezig is geweest om bij het opslaan van de echobeelden te assisteren. Bij de echo was een goed beeld te zien, de placenta was goed beoordeelbaar en eventuele ernstige problemen waren door de onderzoeken uitgesloten. Op basis van de bevindingen was de – verdedigbare – inschatting van de verloskundige dat er sprake was van een beginnende bevalling en dat andere onderzoeken voor dat moment niet aangewezen waren. Er was geen aanleiding voor beklaagde om in te grijpen of om op dat moment de dienstdoende gynaecoloog te raadplegen. Het College kan niet vaststellen dat beklaagde hierbij tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel c
5.6 Bij haar opname in het ziekenhuis is klaagster door de verloskundige onderzocht, waarmee deze op dat moment haar behandelaar was. De verloskundige heeft de verrichte onderzoeken en de uitslagen daarvan in het medisch dossier vastgelegd, waarmee aan de dossierplicht is voldaan. Dat beklaagde de verloskundige bij het opslaan van de echobeelden heeft geholpen, maakt niet dat zij medeverantwoordelijkheid droeg voor het onderzoek zelf en de gegevens daarvan (ook) had moeten noteren. Klagers hebben nog opgemerkt dat van de echo waar beklaagde bij betrokken was, pas negen uur later verslag is gedaan door de op dat moment dienstdoende gynaecoloog. Uit het dossier blijkt echter voldoende dat de verloskundige verslag heeft gedaan van de door haar verrichte echo en dat de bewuste gynaecoloog later zelf ook een echo heeft verricht en genoteerd.
Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.7 De conclusie is dat beklaagde niet kan worden verweten dat zij heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten.
De klacht zal ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het College verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.B. Verkleij, voorzitter, P.M. de Keuning, lid-jurist,
S. Veersema, A.J. Goverde en G.L. Bremer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door Y.M.C. Bouman,
secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2021.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.