ECLI:NL:TGZRSGR:2021:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-130
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2021 |
| Datum publicatie: | 02-03-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-130 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft in het verweerschrift en ter zitting uitgelegd dat hij patiënte wilsbekwaam achtte, omdat zij inzicht had in haar gezondheidssituatie, inzicht in haar zorgbehoefte en inzicht in de mogelijkheden en onmogelijkheden. Het College is van oordeel dat beklaagde in redelijkheid tot die beslissing heeft kunnen komen. De omstandigheid dat patiënte onder invloed van (zware) medicatie verkeerde maakt niet dat het oordeel van beklaagde anders had moeten uitvallen. Dat betekent dat beklaagde de wens van patiënte om naar een hospice te gaan, moest respecteren en zich daarvoor ook moest inzetten in het kader van een goede zorgverlening. Dat dit tegen de wens van klager was is heel verdrietig in deze situatie, maar de (laatste) wens van patiënte gaat daarop voor. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 2 maart 2021
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klager,
tegen:
C , huisarts,
werkzaam te B,
beklaagde,
gemachtigde: mr. drs. S. Slabbers, verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 september 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek met bijlage.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 19 januari 2021. Klager was afwezig. Beklaagde was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde, en heeft zijn standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1
Klager is de echtgenoot van mevrouw D (geboren in 1947 en overleden op [..] september
2020), verder te noemen ‘patiënte’.
2.2 Beklaagde was de huisarts van patiënte. In de maand voor het overlijden van patiënte heeft zij van 5 augustus 2020 tot 14 augustus 2020 en van 16 augustus 2020 tot 27 augustus 2020 in het ziekenhuis verbleven. Zij was gediagnosticeerd met een uitgezaaid pancreascarcinoom en was uitbehandeld. Op 27 augustus 2020 werd patiënte ontslagen uit het ziekenhuis met 24-uurs zorg via E.
2.3
In de brief van het palliatief consultatieteam van het ziekenhuis van 28 augustus
2020 aan beklaagde staat onder andere: “(…) Wenst thuis laatste fase door te brengen en hier ook te overlijden.” In de brief van de afdeling Interne geneeskunde van het ziekenhuis aan de huisarts
van 31 augustus 2020 staat onder andere: “(…) Patiënte gaf aan graag naar huis te willen om uiteindelijk te willen overlijden.”
2.4 Op 30 augustus 2020 heeft beklaagde met spoed een thuisvisite afgelegd bij patiënte en klager op verzoek van de thuiszorg vanwege een ruzie tussen klager en een verzorgende. Beklaagde heeft de ruzie bemiddeld. Op 31 augustus 2020 heeft beklaagde opnieuw patiënte thuis bezocht, nadat klager de verzorgende had gesommeerd om het huis te verlaten. Beklaagde heeft toen aangegeven dat bij E geen verzorgende beschikbaar was en dat E ook niet meer bereid was om zorg te leveren. Hierop heeft beklaagde aan patiënte twee keuzes voorgehouden: of een andere thuiszorgorganisatie benaderen, met mogelijk weer ruzies tussen klager en de verzorgende of naar een hospice gaan. Patiënte heeft de keuze voor het hospice met beklaagde besproken en in het bijzijn van klager uitgesproken. Patiënte is daarna overgebracht naar een hospice.
Op [..] september 2020 is patiënte in het hospice overleden.
3. De klacht
De klacht houdt - zakelijk weergegeven - in dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld bij het bepalen van de wilsbekwaamheid van patiënte. Beklaagde heeft patiëntes levenstestament en twee rapporten van medici genegeerd, waardoor patiënte niet heeft kunnen overlijden in haar eigen woning in het bijzijn van klager en haar familie.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft primair een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van klager en subsidiair de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College acht klager ontvankelijk in zijn klacht vanwege zijn belang bij behandeling van de klacht in het kader van de individuele gezondheidszorg.
5.2 De klacht houdt in dat beklaagde ten onrechte heeft geoordeeld dat patiënte wilsbekwaam was om te beslissen om naar een hospice te gaan om daar te overlijden. Klager stelt dat dit in weerwil is van hetgeen patiënte in haar levenstestament had bepaald en dit blijkt ook uit twee brieven van het ziekenhuis.
5.3 In het algemeen geldt als uitgangspunt dat een ieder wilsbekwaam is, tot het tegendeel
is komen vast te staan, bijvoorbeeld door een ondercuratelestelling of een verklaring
daaromtrent van een psychiater. Een patiënt wordt voor wilsonbekwaam gehouden als
hij niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen
aangaande een bepaalde (behandelings)beslissing. Beklaagde heeft in het verweerschrift
en ter zitting uitgelegd dat hij patiënte wilsbekwaam achtte, omdat zij inzicht had
in haar gezondheidssituatie, inzicht in haar zorgbehoefte en inzicht in de mogelijkheden
en onmogelijkheden. Het College is van oordeel dat beklaagde in redelijkheid tot die
beslissing heeft kunnen komen. De omstandigheid dat patiënte onder invloed van (zware)
medicatie verkeerde maakt niet dat het oordeel van beklaagde anders had moeten uitvallen.
Het College merkt daarbij op dat buiten kijf staat dat de wens van patiënte was om
thuis te overlijden, zoals ook blijkt uit de brieven van het ziekenhuis. Echter door
de omstandigheden thuis (de ruzie met de verzorgenden, waarvan ze veel last had, zo
verklaarde de huisarts) heeft patiënte er voor gekozen om niet meer thuis te willen
blijven, maar naar een hospice te gaan. Deze beslissingsvrijheid heeft een wilsbekwame
patiënt en dit staat los van wat eventueel in een levenstestament is opgenomen. Het
College gaat er zonder meer vanuit dat klager zich met veel liefde en toewijding heeft
ingezet voor de laatste zorg van zijn echtgenote. Ter zitting heeft beklaagde uitvoerig
verslag gedaan van zijn overwegingen, zijn gesprekken met patiënte, met klager en
ook met de zoon van patiënte. Het College kan niet anders dan vaststellen dat beklaagde
zeer zorgvuldig heeft gehandeld in deze zeer lastige situatie. Er is geen enkele aanwijzing
dat patiënte niet wilsbekwaam zou zijn geweest; integendeel zelfs zo blijkt uit de
toelichting ter zitting van de zijde van beklaagde. Dat betekent dat beklaagde de
wens van patiënte om naar een hospice te gaan, moest respecteren en zich daarvoor
ook moest inzetten in het kader van een goede zorgverlening. Dat dit tegen de wens
van klager was is heel verdrietig in deze situatie, maar de (laatste) wens van patiënte
gaat daarop voor.
5.4 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht ongegrond is. Beklaagde kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Dozy, voorzitter, J.T.W. van Ravenstein, lid-jurist,
H.C. Baak, V.M. Schijf en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2021.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.