ECLI:NL:TGZRSGR:2021:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-086
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2021 |
| Datum publicatie: | 02-03-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-086 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat beklaagde patiënt veelvuldig heeft gezien en behandeld in zijn praktijk. De medische (en psychosociale) klachten waarmee patiënt zich bij beklaagde presenteerde, waren uiteenlopend van aard. Dat beklaagde patiënt onvoldoende zorg zou hebben gegeven en onvoldoende serieus zou hebben genomen, is het College niet gebleken uit het medisch dossier/huisartsenjournaal. Bij bestudering van het journaal van beklaagde komt juist het beeld naar voren van een arts die serieus ingaat op (en onderzoek doet naar) de klachten die de patiënt met hem deelt, die diens (familie)geschiedenis bij de beoordeling betrekt en die ook informatie van artsen uit het buitenland in ogenschouw neemt. Dat beklaagde in deze complexe casus – die zich kenmerkt door een scala aan weinig eenduidige, deels psychosomatische klachten – signalen zou hebben gemist die wijzen op hartproblemen, blijkt niet uit het medisch dossier. Klacht kennelijk ongegrond verklaard. |
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A en B,
C,
klaagsters,
tegen:
D , huisarts,
werkzaam te C,
beklaagde,
gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 juni 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een brief, gedateerd 3 september 2020, met bijlagen, van de gemachtigde van beklaagde;
-
het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 25 november 2020.
1.2 Het College heeft de klacht op 19 januari 2021 in raadkamer behandeld.
2.
De feiten
2.1
Klaagster (a) is de echtgenote van E (geboren in 1968 en overleden op [..] november
2017), verder te noemen ‘patiënt’. Klaagster (b) is de dochter van patiënt.
2.2 Beklaagde is sinds 1985 werkzaam als huisarts. Sinds 2012 is beklaagde de vaste huisarts van patiënt.
2.3 Na een doorverwijzing door beklaagde vanwege klachten van pijn op de borst (bij een familiegeschiedenis van hart- en vaatziekten), heeft er op 4 februari 2015 op de polikliniek cardiologie een uitgebreide cardiologische evaluatie plaatsgevonden. Het elektrocardiogram (verder: ‘ECG’) dat op die dag is gemaakt, vertoonde geen afwijkingen en na onderzoek kon er cardiaal geen pathologie worden aangetoond.
2.4 Op 18 oktober 2017 heeft beklaagde patiënt beoordeeld in verband met veelvuldig
hoesten en een (terugkerende) koortslip. Op 30 oktober 2017 meldde patiënt zich bij beklaagde met soortgelijke klachten, koorts en energieverlies. Hierop zijn bloedonderzoek en een longfoto ingezet, waaruit bleek dat de leverfunctie van patiënt verslechterd was. Tijdens het onderzoek werden geen aanwijzingen gevonden voor ontstekingen of andere problematiek.
2.5 Op 1 november 2017 heeft beklaagde patiënt voor het laatst gezien, in verband met afvallen en leverfunctiestoornissen. Beklaagde heeft patiënt toen doorverwezen naar een internist.
2.6 Op 18 november 2017 heeft patiënt de huisartsenpost bezocht. Het waarneembericht vermeldt over dit bezoek onder meer het volgende: “Dochter belt heeft al paar dagen maagpijn, nu toename pijn. (…) Bewegingsdrang + bloed geprikt, lever was afwijkend. Hartproblemen in familie. Pt zou volgens dochter beetje geel zien (…) Heeft as maandag afspraak [internist] ivm lichte leverfunctiestoornissen en blijvende pijn bovenbuik. Gegevens opgezocht SEH: lichte leverfunctiestoornissen, niet significant gestegen tov eerder lab begin 2017. Leuco’s gb. ECHO augustus 2017: pancreas slechts gedeeltelijk in beeld, verde gda. Vandaag meer pijn in buik dan gebruikelijk, ook wat pijn kaken, niet gerelateerd aan inspanning, is hele dag door. Geen aperte koliekpijn gebruikt op dit moment rennies en heeft nog omeprazol 20 mg in huis, dat heeft hij vandaag en gisteren ingenomen. Heeft antidepressiva, bij gebruik antidepressiva aangekomen in gewicht tot 80 kg, na stoppen weer afgevallen tot eigen gewicht ongeveer 65 kg. gebruikt nu opnieuw antidepressiva (…). Med: citalopram 20 mg 1ddl, wellbutrin (ook als antidepressivum van een dokter op vakantie gekregen, mocht daarmee doorgaan van eigen HA vlgs eigen zeggen), rennies, melatonine 3mg 1 ddl, multivit 1ddl. niet acuut ziek, niet apert icterisch maar lastig te beoordelen door huidskleur, RR 140/90, pols 68 ra, S02 98%, T 35,2 oor, gluc nn 4,7, pulm NAG, cor S1S2S-, abd: slank, norm peristaltiek, geen abn weerst buikpijn dd maagklachten. pm gastroscopie? lichte leverfunctiestoornissen waarvoor volgende week analyse interne pm pancreas?? overwegen welibutrin stop via eigen HA gezien dubbelmedicatie antidepressiva? voor nu advies 2x2 tablet omeprazol 20 mg tot en met afspraak interne (heeft nog voldoende in huis) ”.
2.7 Op 20 november 2017 heeft een consult bij de internist plaatsgevonden. De internist heeft (in aanwezigheid van klaagster b) een hetero- en familieanamnese afgenomen. Als onderdeel van het lichamelijk onderzoek heeft de internist onder meer het hart van patiënt beluisterd; dit liet normale tonen horen, geen souffles. Het ECG liet een sinusritme zonder afwijkingen zien.
2.8 Op [..] november 2017 is patiënt plotseling overleden. Na het overlijden is er geen obductie uitgevoerd. Hierdoor is de (precieze) oorzaak van overlijden niet komen vast te staan.
3.
De klacht
De klacht houdt – zakelijk weergegeven – in dat beklaagde onvoldoende medische zorg aan patiënt heeft gegeven en dat hij zijn klachten niet serieus heeft genomen. Signalen die wijzen op hartproblemen, zoals pijn op de borst, pijn in de kaken en schouders, duizelingen, misselijkheid, kortademigheid, vermoeidheid, gewichtsverlies en koud zweet, zijn – in weerwil van een familiegeschiedenis van hart- en vaatziekten, waarmee beklaagde bekend was – door beklaagde voor maagproblemen aangezien. Als beklaagde een hartonderzoek had gedaan, dan had patiënt nu nog geleefd, aldus klaagsters.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5.
De beoordeling
5.1 Uit het huisartsenjournaal blijkt dat beklaagde patiënt veelvuldig heeft gezien en behandeld in zijn praktijk. De medische (en psychosociale) klachten waarmee patiënt zich bij beklaagde presenteerde, waren uiteenlopend van aard en omvatten onder meer rug- en schouderpijn, pijn op de borst, afvallen, zweten, maag- en leverfunctiestoornissen, hoesten, misselijkheid, stressklachten, somberte en PTSS. Dat beklaagde patiënt onvoldoende zorg zou hebben gegeven en onvoldoende serieus zou hebben genomen, is het College niet gebleken uit het medisch dossier/huisartsenjournaal. Bij bestudering van het journaal van beklaagde komt juist het beeld naar voren van een arts die serieus ingaat op (en onderzoek doet naar) de klachten die de patiënt met hem deelt, die diens (familie)geschiedenis bij de beoordeling betrekt en die ook informatie van artsen uit het buitenland in ogenschouw neemt.
5.2 Behalve dat beklaagde patiënt zelf heeft gezien en behandeld, heeft hij hem waar nodig ook verwezen naar medisch specialisten. Zo zijn de pijnklachten van patiënt door een neuroloog (en op de pijnpoli) geëvalueerd, leverde onderzoek door een cardioloog dat in 2015 heeft plaatsgevonden geen aangeboren of verworven afwijkingen op en is er in augustus 2017 een buikecho gemaakt, waaruit evenmin bijzonderheden naar voren zijn gekomen. Op 1 november 2017 heeft beklaagde patiënt nog naar een internist verwezen vanwege afvallen en leverfunctiestoornissen.
5.3 Dat beklaagde in deze complexe casus – die zich kenmerkt door een scala aan weinig eenduidige, deels psychosomatische klachten – signalen zou hebben gemist die wijzen op hartproblemen, blijkt niet uit het medisch dossier. Ook de internist en de waarnemend huisarts die patiënt in de week vóór zijn overlijden nog hebben onderzocht – beklaagde zelf was in die periode met vakantie – hebben net als de cardioloog (in 2015) geen aanwijzingen gevonden voor hartproblemen.
5.4 Voor een deel van de klachten van patiënt die door klaagsters als hartklachten worden gecategoriseerd (misselijkheid, duizeligheid, zweten, vermoeidheid, gewichtsverlies), geldt bovendien dat deze algemeen van aard zijn en (tevens) verband kunnen houden met de chronische stressklachten van patiënt of met (onttrekkingsverschijnselen als gevolg van) de wisselende doseringen psychofarmaca die patiënt kon innemen, omdat niet alleen beklaagde maar ook zijn artsen in het buitenland hem dergelijke middelen voorschreven.
5.5 Het plotselinge overlijden van patiënt, hoe verdrietig ook, is naar het oordeel van het College dan ook niet aan fouten of nalatigheid van beklaagde te wijten. Dit neemt niet weg dat het College begrip heeft voor de gevoelens van wanhoop en frustratie die klaagsters moeten hebben ervaren toen zij vernamen dat patiënt mogelijk toch is overleden aan dat waarover de familie zich al geruime tijd zorgen maakte: het falen van zijn hart.
5.6 Uit het voorgaande vloeit voort dat de klacht – zonder nader onderzoek – ongegrond moet worden verklaard. Van verwijtbaar handelen in de zin van artikel 47, eerste lid, van de Wet BIG is immers geen sprake.
6.
De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 2 maart 2021 door R.A. Dozy, voorzitter, J.T.W. van Ravenstein, lid-jurist, H.C. Baak, V.M. Schijf en I. Weenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.