ECLI:NL:TGZRSGR:2021:16 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-089
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:16 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2021 |
| Datum publicatie: | 19-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-089 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Het College komt op basis van de stukken en het ter zitting besprokene tot het oordeel dat beklaagde in zijn behandelbeleid heeft gehandeld overeenkomstig de instructies van de orthopeed en het ‘Fysiotherapeutenprotocol na artroscopische hechting van het bovenste deel van het labrum, Schoudernetwerken Nederland’ (hierna Protocol). Daarbij heeft hij de instructies van de orthopeed - zoals behoort - leidend laten zijn. Beklaagde heeft klaagsters pijn onderkend en heeft getracht door training en mobilisatie – dit alles binnen de kaders van de orthopeed en het Protocol – de pijn juist te doen verminderen. Al met al heeft beklaagde de pijn (en de frustraties) en de wijze hoe daarmee diende te worden omgegaan in voldoende mate met klaagster besproken. Klacht ongegrond verklaard. |
Datum uitspraak: 19 januari 2021
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
tegen:
C , fysiotherapeut,
werkzaam te B,
beklaagde.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2020;
- het verweerschrift.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3
De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting
van 8 december 2020. Twee leden-beroepsgenoten van het College hebben aan de zitting
deelgenomen via een digitale verbinding. De partijen zijn verschenen en hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. Klaagster heeft pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klaagster, geboren in 1991, was sinds november 2017 bij een collega van beklaagde voor fysiotherapie onder behandeling wegens pijn in haar rechter schouder. Deze pijn was acuut ontstaan na het doen van een zogenaamde ‘shoulderpress’. Wegens het aanhouden van de klachten is klaagster, na tussenkomst van de huisarts, in februari 2018 verwezen naar de orthopeed. Er bleek sprake van een zeer grote SLAP 4 laesie (een beschadiging van de kraakbenige rand van het schouderblad en van de aanhechting van de bicepspees). Enkele jaren daarvoor was klaagster als voetganger door een auto aangereden.
2.2 Op 14 mei 2018 is klaagster aan haar schouder geopereerd (Bankart repair, een scopische SLAP repair en biceps tenodese rechts). Conform het advies van de orthopeed heeft zij vervolgens zes weken een mitella heeft gedragen. Bij het controleconsult van 28 juni 2018 is zij door de orthopeed verwezen voor fysiotherapie. De verwijsbrief van de orthopeed luidt voor zover hier relevant: “Nu 6 wkn na scopische SLAP repair rechts. [..] Nu enige capsulaire reactie passend bij per-op beeld, gaarne niet door pijngrens. SLAP repair: Na 6 wkn mag actief bewegen tot borsthoogte, maximaal 1 kg tillen, start isometrische krachtsoefeningen en stretchen. Na 3 mnd Theraband oefeningen, en volledige actieve anteflexie en abductie met maximaal 5 kg gewicht. Na 6 mnd functioneel opbouwen.”
2.3 Beklaagde was al eerder onder fysiotherapeutische behandeling voor haar schouder en beklaagde heeft de fysiotherapeutische zorg voor klaagster overgenomen met ingang van maart 2018. In afwachting van haar operatie heeft klaagster in april en mei 2018 vier keer een consult bij beklaagde gehad ter vermindering van pijn. De behandeling bestond uit sederende massage en thoracale en costo-transversale mobilisatie.
2.4 In de periode van juli 2018 tot en met eind november 2018 is klaagster gemiddeld zo’n drie keer per maand bij beklaagde op consult geweest. In de periode van half juli tot half augustus 2018 was beklaagde niet betrokken en is de behandeling gecontinueerd door een andere fysiotherapeut.
2.5 Op het consult d.d. 2 juli 2018 (het eerste consult na de operatie) heeft beklaagde uitvoerig met klaagster gesproken en heeft hij onderzoek gedaan. In het fysiotherapeutische dossier heeft beklaagde de stoornissen genoteerd zoals klaagster die hem had verteld: “Stekende pijn VAS 80/100 dorsale zijde proximale deel bovenarm re Stijfheid van de rehterbovenarm/schouder VAS 80/100 Uitstralende pijn naar rest van rechter bovenarm Krachtsverlies met pijn”. Beklaagde heeft daaraan toegevoegd: “pijn, vermindere mob cto / schouder, hypertonie, kracht – uithoudingsvermogen cuff / schouder musc / ST”. Onder ‘Herstelbeïnvloedende factoren’ heeft beklaagde vermeld dat de schouderpijn de afgelopen 6 tot 9 maanden op de voorgrond heeft gestaan met mogelijk sensitisaties als gevolg en dat het verkeersongeval van enkele jaren daarvoor mogelijk letsel kan hebben veroorzaakt. Hij noteerde voorts dat klaagster therapietrouw is en adviezen serieus neemt.
2.6 De door beklaagde ingezette behandeling bestond uit fases. De eerste drie maanden bestond de behandeling uit activeren, mobiliseren. Aanvankelijk adviseerde hij dagelijks 10.000 stappen te zetten, een week later is dat bijgesteld naar een advies om 5.000 stappen te doen en dit wekelijks met 1.000 stappen op te bouwen. Ook gaf hij oefeningen tot 90 graden (tot borsthoogte) en ontspanningsoefeningen.
2.7 Toen beklaagde na zijn vakantie klaagster op 14 augustus 2018 weer op consult zag, merkte hij op dat zij nog relatief beperkt was in haar functioneren en dat zij pijn leek te vermijden. Hij heeft geadviseerd om – nu de eerste 3 maanden waren verstreken – meer mobiliserende en functie-versterkende oefeningen te gaan doen. Hij heeft op 17 augustus 2018 geadviseerd om oefeningen uit te voeren met behulp van dynaband, cross trainer, loopband, pull down/row en sit up. Hij adviseerde twee keer per week te trainen en één keer per week mild de schouder/scapula te mobiliseren.
2.8 Bij een controleconsult aan de orthopeed op 11 september 2018 heeft klaagster verteld nog veel pijn te hebben en drie maal daags oefeningen te doen. De orthopeed heeft geadviseerd de belasting tijdelijk te verminderen. Hij heeft aan beklaagde bericht: “Nog forse capsulaire helings reactie, gaarne minder focus op ROM passief en meer werken aan opbouw kracht/belastbaarheid cuff binnen bewegingsbeperking, scapula stabiliserende oefeningen.”
Beklaagde heeft daarop tijdens het volgende consult klaagster geadviseerd de training voort te zetten, maar het mobiliseren terug te brengen naar één keer per twee weken en te stoppen met huiswerkoefeningen.
2.9 Na een tussenevaluatie op 27 november 2018, waarbij beklaagde met haar heeft besproken of zij nog voldoende vertrouwen had in de behandeling, heeft klaagster twee dagen later te kennen gegeven de behandeling bij een andere fysiotherapeut te willen voortzetten.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat hij haar niet de juiste zorg heeft gegeven. Beklaagde heeft klaagster oefeningen laten doen waarbij zij teveel werd belast (teveel strekoefeningen en teveel exo- en endo-rotaties) en waarbij zij genoodzaakt werd steeds over haar pijngrens heen te gaan, met alle gevolgen van dien.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Het College komt op basis van de stukken en het ter zitting besprokene tot het oordeel dat beklaagde in zijn behandelbeleid heeft gehandeld overeenkomstig de instructies van de orthopeed en het ‘Fysiotherapeutenprotocol na artroscopische hechting van het bovenste deel van het labrum, Schoudernetwerken Nederland’ (hierna Protocol). Daarbij heeft hij de instructies van de orthopeed - zoals behoort - leidend laten zijn. In de eerste drie maanden van de revalidatie zijn isometrische krachtoefeningen en mobiliserende schouderoefeningen uitgevoerd binnen een bereik van maximaal 90 graden. Daarnaast is cardiovasculaire training gegeven in de vorm van een wandelprogramma. Pas na drie maanden (de tweede helft van augustus 2018) is beklaagde overgegaan tot meer mobiliserende en functie-versterkende oefeningen.
Tevens blijkt uit het medisch dossier van de orthopeed dat de beweeglijkheid van klaagsters arm in de periode van 28 juni 2018 en 11 september 2018 is verbeterd, in die zin dat de ‘exo 0’ is gestegen naar ‘exo 70’. In behandel-technisch opzicht is beklaagde gebleven binnen de contouren van het Protocol en daarom valt hem terzake geen verwijt te maken.
5.2 Voor zover de klacht ziet op de door klaagster doorstane pijn, overweegt het College
als volgt. Duidelijk is dat klaagster over een langere periode (veel) pijn heeft gehad aan haar schouder en arm en dat zij daarvoor aanvankelijk forse pijnmedicatie gebruikte. Het College merkt op dat de door de orthopeed meegeven instructie ‘niet door de pijngrens’ niet betekent dat oefeningen op geen enkele wijze meer tot pijn mogen leiden, maar dat een patiënt ‘op geleide van pijn’ mag bewegen. Het revalidatieproces na een SLAP repair is volgens het College niet altijd geheel pijnvrij. Relevant is dan dat er goede instructies worden gegeven over pijn: welke mate van pijn is toelaatbaar en hoelang mag pijn na oefeningen aanhouden. Beklaagde heeft ter zitting verklaard - en dit wordt ook niet door klaagster betwist - dat zij regelmatig hebben gesproken over deze aspecten van ‘pijn’. Ook uit het dossier blijkt dat de pijn, de daarmee gepaard gaande frustraties en de verwarring bij klaagster over ‘hoe om te gaan met pijn tijdens de oefeningen’ geregeld onderwerp van gesprek waren. Beklaagde heeft klaagsters pijn onderkend en heeft getracht door training en mobilisatie – dit alles binnen de kaders van de orthopeed en het Protocol – de pijn juist te doen verminderen. Toen beklaagde bleek dat klaagsters vertrouwen in zijn beleid tanende was en van een doorbraak in de behandelresultaten (nog) geen sprake was, heeft hij dit proactief met haar besproken. Al met al heeft beklaagde de pijn (en de frustraties) en de wijze hoe daarmee diende te worden omgegaan in voldoende mate met klaagster besproken.
5.3 Gelet op het hiervoor vermelde is het College van oordeel dat beklaagde terzake geen
verwijt valt te maken.
5.4 De conclusie is dan ook dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
5.4 De klacht zal ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door Y.J. Wijnnobel, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, J.E. Geensen, R. Valk, J.L. Keijzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.