Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/3254

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:154
Datum uitspraak: 28-12-2021
Datum publicatie: 28-12-2021
Zaaknummer(s): D2021/3254
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft zonder toestemming van klager aan de huisarts van de kinderen laten weten dat bij klager sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Niet alleen had beklaagde deze informatie niet zonder medeweten van klager mogen delen en heeft zij, door dit wel te doen, haar medisch beroepsgeheim en de privacy van klager geschonden, maar de door beklaagde verstrekte informatie bleek ook nog eens feitelijk onjuist te zijn. Beklaagde valt daarnaast te verwijten dat zij, toen zij erachter kwam dat zij een fout had gemaakt, dit niet uit eigen beweging bij klager getracht heeft recht te zetten. Het klachtonderdeel dat beklaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van haar handelen voor de kinderen is ongegrond. Het College acht het aannemelijk dat beklaagde het belang van de kinderen van klager heeft willen dienen. De klacht dat beklaagde de vragen van klager onvoldoende heeft beantwoord is ook ongegrond. Het College begrijpt dat het voor beklaagde niet mogelijk was om alle vragen van klager te beantwoorden, deels omdat zij de antwoorden niet wist en deels omdat zij gehouden was aan haar medisch beroepsgeheim. De vragen die zij kon beantwoorden, heeft zij beantwoord. Ook heeft zij klager aangeboden om in een begeleid gesprek tot een oplossing te komen. Klacht deels gegrond, berisping.Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Beklaagde heeft zonder toestemming van klager aan de huisarts van de kinderen laten weten dat bij klager sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Niet alleen had beklaagde deze informatie niet zonder medeweten van klager mogen delen en heeft zij, door dit wel te doen, haar medisch beroepsgeheim en de privacy van klager geschonden, maar de door beklaagde verstrekte informatie bleek ook nog eens feitelijk onjuist te zijn. Beklaagde valt daarnaast te verwijten dat zij, toen zij erachter kwam dat zij een fout had gemaakt, dit niet uit eigen beweging bij klager getracht heeft recht te zetten. Het klachtonderdeel dat beklaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van haar handelen voor de kinderen is ongegrond. Het College acht het aannemelijk dat beklaagde het belang van de kinderen van klager heeft willen dienen. De klacht dat beklaagde de vragen van klager onvoldoende heeft beantwoord is ook ongegrond. Het College begrijpt dat het voor beklaagde niet mogelijk was om alle vragen van klager te beantwoorden, deels omdat zij de antwoorden niet wist en deels omdat zij gehouden was aan haar medisch beroepsgeheim. De vragen die zij kon beantwoorden, heeft zij beantwoord. Ook heeft zij klager aangeboden om in een begeleid gesprek tot een oplossing te komen. Klacht deels gegrond, berisping.

Datum uitspraak: 28 december 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klager,

tegen:

C , huisarts,

werkzaam te B,

beklaagde,

gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam te Amsterdam.

NaN. Het verloop van de procedure

NaN. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 13 juli 2021 en
  • het verweerschrift met bijlage.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 16 november 2021. Klager, beklaagde en de gemachtigde van beklaagde zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

NaN. De feiten

2.1       Klager is vader van twee kinderen van (op dit moment) negen en zeven jaar oud. Samen met zijn ex-partner heeft hij het ouderlijk gezag over de kinderen. Klager is met zijn ex-partner verwikkeld in een conflictueuze echtscheiding.

2.2       Beklaagde is huisarts in B. Klager was haar patiënt. De kinderen van klager zijn ingeschreven bij huisarts D, beklaagde in de procedure met kenmerk D2021/3256.

2.3       Naar aanleiding van signalen die beklaagde van twee verschillende personen had ontvangen heeft zij op 15 februari 2021 telefonisch contact opgenomen met de huisarts van de kinderen. Tijdens dit gesprek heeft beklaagde onder meer aan deze huisarts verteld dat klager een narcistische persoonlijkheidsstoornis had.

2.4       Op 25 februari 2021 ontving klager een brief van de huisarts van de kinderen waarin het volgende stond vermeld: ‘Op basis van berichten die mij zijn toegekomen heb ik besloten een melding te moeten doen bij Veilig Thuis. Het kan zijn dat daartoe Veilig Thuis u beide[n] zal benaderen en zal willen onderzoeken of het welbevinden van uw kinderen in het geding kan zijn’.

2.5       In de melding aan Veilig Thuis is opgenomen dat bij klager sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Naar aanleiding van het onderzoek door Veilig Thuis heeft de ex-partner van klager de zorgregeling opgeschort en heeft klager zijn kinderen zesenhalve week niet gezien.

2.6       Op 9 maart 2021 werd beklaagde door Veilig Thuis gebeld. Tijdens dit gesprek heeft beklaagde het medisch dossier van klager erop nageslagen en ontdekt dat er bij klager geen sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Dit heeft zij aan Veilig Thuis doorgegeven.

2.7       Op 30 maart 2021 is klager op eigen initiatief op het spreekuur van beklaagde verschenen en heeft hij met haar gesproken over de melding bij Veilig Thuis. Tijdens dit gesprek heeft beklaagde haar excuses aangeboden. Op 6 april 2021 hebben klager en beklaagde nogmaals telefonisch gesproken, waarna beklaagde op 8 april 2021 een brief aan klager heeft geschreven, waarin zij hem nogmaals haar excuses heeft aangeboden.

2.8       Op 19 april 2021 en op 9 mei 2021 heeft klager e-mails naar beklaagde gestuurd met daarin vragen over de gang van zaken. Beklaagde heeft in een brief van 5 mei 2021 geantwoord dat zij de vragen van klager niet (verder) kan beantwoorden. Op 25 mei 2021 heeft beklaagde nogmaals een brief geschreven met daarin een uitleg waarom zij de nog openstaande vragen van klager niet kan beantwoorden en met daarbij tevens een uitnodiging om samen met een klachtenfunctionaris of mediator in gesprek te gaan.

NaN. De klacht

Klager verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:

a)         klager niet heeft geïnformeerd, waardoor klager overal zelf achter heeft moeten komen;

b)         de privacy van klager heeft geschonden door medische gegevens te delen met een externe partij;

c)         onjuiste medische informatie over klager heeft verstrekt over een narcistische persoonlijkheidsstoornis;

d)         onvoldoende rekening heeft gehouden met de verstrekkende gevolgen van haar handelen, waarmee zij (ook) het belang van de kinderen van klager heeft geschaad;

e)         onzorgvuldig heeft gehandeld; de gevolgen hiervan had zij moeten kunnen inschatten;

f)         op geen enkele manier de bij klager levende vragen heeft beantwoord, en herhaalde pogingen om tot een gesprek/uitleg te komen niet serieus heeft genomen.

NaN. Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft zich ten aanzien van de klachtonderdelen a, b, c en e gerefereerd aan het oordeel van het College. Zij vindt dat zij anders had moeten handelen en ziet in dat zij niet met de huisarts van de kinderen had moeten delen dat er bij klager sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De klachtonderdelen d en f en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen heeft zij wel bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

NaN. De beoordeling

5.1       Het College moet beoordelen of beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame en redelijk zorgvuldige beroepsuitoefening. Het gaat hierbij om het persoonlijk handelen of nalaten van beklaagde; zij is niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor het handelen of nalaten van anderen. Het College komt tot het oordeel dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hieronder wordt uiteengezet hoe het College tot deze beslissing is gekomen.

Klachtonderdelen a, b, c en e

5.2       Met beklaagde is het College van oordeel dat ten aanzien van deze klachtonderdelen sprake is van onzorgvuldig handelen. Beklaagde heeft zonder toestemming van klager aan de huisarts van de kinderen laten weten dat bij klager sprake was van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Niet alleen had beklaagde dit niet zonder medeweten van klager mogen doen en heeft zij, door dit wel te doen, haar medisch beroepsgeheim en de privacy van klager geschonden, maar de door beklaagde verstrekte informatie bleek ook nog eens feitelijk onjuist te zijn. Beklaagde valt daarnaast te verwijten dat zij, toen zij erachter kwam dat zij een fout had gemaakt, dit niet uit eigen beweging bij klager getracht heeft recht te zetten. Hierdoor heeft klager via Veilig Thuis moeten vernemen dat beklaagde een fout had gemaakt. Zodoende heeft beklaagde de mogelijkheid laten passeren om direct en op eigen initiatief excuses te maken. De klachtonderdelen a, b c, en e zijn hiermee gegrond.

Klachtonderdeel d

5.3       Klager stelt daarnaast dat beklaagde onvoldoende rekening heeft gehouden met de verstrekkende gevolgen van haar handelen, met als gevolg dat zij het belang van de kinderen van klager heeft geschaad. Beklaagde meent dat zij juist in het belang van de kinderen heeft gehandeld, door met de huisarts van de kinderen contact op te nemen nadat zij uit twee verschillende bronnen informatie had ontvangen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de veiligheid van de kinderen van klager bij klager in het geding zou kunnen zijn. Het College acht het aannemelijk dat beklaagde het belang van de kinderen van klager heeft willen dienen, door contact op te nemen met de huisarts van de kinderen nadat zij zorgwekkende signalen had ontvangen. Dat het optreden van beklaagde (in de ogen van klager) uiteindelijk averechts heeft gewerkt, is ongelukkig maar maakt de bedoelingen van beklaagde niet anders en valt haar in die zin niet te verwijten. Beklaagde is overigens ook niet degene geweest die de melding bij Veilig Thuis heeft gedaan, die de ex-partner van klager heeft doen besluiten de zorgregeling op te schorten; het was de huisarts van de kinderen die hier – mede (maar niet uitsluitend) op grond van de signalen die beklaagde aan hem doorgaf – aanleiding toe heeft gezien. Dit klachtonderdeel is gelet op het voorgaande ongegrond.

Klachtonderdeel f

5.4       Klager vindt dat beklaagde geen antwoord heeft gegeven op zijn vragen en dat zij niet is ingegaan op zijn pogingen om een gesprek aan te gaan. Beklaagde heeft dit betwist. Zij heeft haar excuses meermalen – in een persoonlijk gesprek en per brief – aangeboden, is met klager in gesprek gegaan en heeft voor zover dat voor haar mogelijk was, gelet op haar beroepsgeheim, antwoord gegeven op de vragen van klager. Het College begrijpt dat het voor beklaagde niet mogelijk was om alle vragen van klager te beantwoorden, deels omdat zij de antwoorden niet wist en deels omdat zij gehouden was aan haar medisch beroepsgeheim. De vragen die zij kon beantwoorden, heeft zij beantwoord. Ook heeft zij klager aangeboden om in een begeleid gesprek tot een oplossing te komen. Het College is gelet op dit alles van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Conclusie en op te leggen maatregel

5.5       De conclusie is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van klager behoorde te betrachten. De klacht is gedeeltelijk gegrond.

5.6       Voor wat betreft de op te leggen maatregel, overweegt het College als volgt. Beklaagde heeft – ook tijdens de zitting – zelfinzicht getoond en laten zien lering uit het voorval te hebben getrokken. Het College begrijpt ook dat de meldcode kindermishandeling zich voor veel beroepsgenoten niet altijd eenvoudig laat toepassen. Desondanks acht het College de oplegging van de maatregel van berisping in dit geval passend en geboden, nu beklaagde medische informatie over klager, haar patiënt, zonder toestemming heeft gedeeld met de huisarts van de kinderen, de door haar gedeelde informatie bovendien feitelijk onjuist was, en zij hierover – nadat zij op 9 maart 2021 haar fout ontdekte – niet zélf contact heeft opgenomen met klager, wetende dat haar fout inmiddels ook bij klager bekend was. Als beklaagde op (of in de dagen direct na) 9 maart 2021 meer proactief zou hebben opgetreden, had een oplossing ‘in der minne’ misschien nog binnen handbereik gelegen.

5.7       Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.


6.         De beslissing


Het College:

  • verklaart de klacht gegrond voor wat betreft de klachtonderdelen a, b, c, en e;
  • legt op de maatregel van berisping;
  • verklaart de klacht voor het overige (klachtonderdelen d en f) ongegrond;
  • bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.

Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, A.C. Hendriks, lid-jurist, I. Weenink, G.J. Dogterom en I. Dawson, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.C. Brand, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2021.