We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:146 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2439

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:146
Datum uitspraak: 14-12-2021
Datum publicatie: 14-12-2021
Zaaknummer(s): D2021/2439
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft met zijn advies tot re-integratie voor een beperkt aantal uren per week voldoende oog gehad voor het welzijn van klager als werknemer. Hij kon onder de omstandigheden zonder nader onderzoek redelijkerwijs tot het oordeel komen dat bij klager sprake was van spanningsklachten als gevolg van een arbeidsconflict met de werkgever en niet van een burn-out. Het college merkt verder op dat de opmerkingen van de bedrijfsarts over koffiedrinken en e-mails lezen moeten worden gezien als een advies in het kader van de verzuimbegeleiding en niet als een opdracht aan klager. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond. Klacht ongegrond verklaard.

Datum uitspraak: 14 december 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
 

A ,
wonende te B,
klager,
gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, werkzaam te Eindhoven,

tegen:

C , bedrijfsarts,

werkzaam te D,

beklaagde, hierna: de bedrijfsarts,

gemachtigde: mr. C. van der Kolk-Heinsbroek, werkzaam te Utrecht.

1.       Het verloop van de procedure

1.1 Klager heeft zijn klacht op papier gezet in het klaagschrift en dit met bijlagen aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te Zwolle gestuurd, waar het op 11 februari 2021 is ontvangen. Na ontvangst van het griffierecht heeft het RTG Zwolle het klaagschrift doorgestuurd naar dit college. Op 16 maart 2021 is het hier ontvangen. De bedrijfsarts heeft vervolgens in het verweerschrift schriftelijk gereageerd op de klacht. Vervolgens hebben de partijen de gelegenheid gekregen om samen met een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

1.2 Op 2 november 2021 is de zaak door het college ter zitting behandeld. Klager heeft op voorhand laten weten hierbij niet aanwezig te kunnen zijn. Klager werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De bedrijfsarts was aanwezig vergezeld door zijn gemachtigde. Beide partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2. De kern van de klacht en de beslissing

2.1 Klager heeft zich op 22 juni 2020 ziek gemeld. Hij is eerst op consult geweest bij een collega van de bedrijfsarts. Deze collega-bedrijfsarts heeft op 30 juli 2020 de begeleiding van klager neergelegd. De bedrijfsarts heeft vervolgens de begeleiding overgenomen. Op 4 september 2020 heeft hij een telefonisch consult gehad met klager. Daaropvolgend is er op verzoek van klager op 25 september 2020 nog telefonisch contact geweest met klager en op 16 oktober 2020 heeft een vervolgconsult plaatsgehad. Op 28 oktober 2020 heeft de bedrijfsarts de begeleiding van klager gestaakt vanwege verstoorde communicatie.

2.2 Klager is van mening dat de bedrijfsarts niet heeft gehandeld overeenkomstig de voor zijn beroepsgroep geldende regels. In de kern is klager van mening dat de bedrijfsarts zich niet onafhankelijk heeft opgesteld en onder één hoedje speelde met de werkgever.

2.3 Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college toe hoe het tot die beslissing is gekomen.

3. Uitleg van de beslissing

3.1       De vraag die het college moet beantwoorden is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijke handelende’ bedrijfsarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen.

De klachtonderdelen 1, 2, 5, 6 en 7
3.2       In de eerste plaats merkt het college op dat het alleen klachten kan beoordelen die tegen de bedrijfsarts persoonlijk zijn gericht. Om die reden zijn de klachtonderdelen 1 (misbruik titel bedrijfsarts door arbodienst werkgever), 2 (het ten onrechte verstrekken van medische informatie aan werkgever door een andere bedrijfsarts), 5 (ten onrechte geven van voorschriften over medische behandeling, 6 (toegang tot open spreekuur weigeren) en 7 (gevraagd advies bleef uit/Plan van Aanpak door arbodienst niet aan de bedrijfsarts verzonden) ongegrond. Deze klachtonderdelen gaan over het handelen van anderen dan de bedrijfsarts en hebben overwegend betrekking op de periode van verzuimbegeleiding waarin de bedrijfsarts nog niet betrokken was.

Klachtonderdeel 3: niet verschaffen van volledige inzage in het dossier
3.3       Klager verwijt de bedrijfsarts in de eerste plaats dat aan het verzoek van klager tot volledige inzage in zijn dossier geen gehoor is gegeven. De bedrijfsarts heeft in zijn verweerschrift uitgelegd dat hij op 16 november 2020 via het secretariaat van zijn werkgever (E) het medisch dossier aan klager heeft verzonden en dit aan de arbodienst van de werkgever heeft bevestigd. Tijdens de zitting is dit niet weersproken door de gemachtigde van klager. Het college gaat er daarom van uit dat klager het medisch dossier heeft ontvangen. Klager heeft niet nader onderbouwd dat en waarom het dossier niet adequaat of onvolledig zou zijn. Het college heeft dan ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het medisch dossier niet compleet is geweest. Het verwijt aan de bedrijfsarts is daarom niet terecht.

Klachtonderdeel 4: ten onrechte geen terugkoppeling van advies aan werknemer
3.4       Klager verwijt de bedrijfsarts verder dat een terugkoppeling van het consult enkel naar de werkgever is gestuurd en niet aan hem. Volgens de bedrijfsarts zijn alle terugkoppelingen zowel aan klager als zijn werkgever toegezonden.

3.5       Het college overweegt dat het tot de taak van de bedrijfsarts behoort zowel de werknemer als de werkgever te voorzien van zijn bedrijfsgezondheidskundige adviezen. In de praktijk gebeurt de verzending van de adviezen vaak via de werkgever van de bedrijfsarts of de arbodienst van de werkgever. De bedrijfsarts mag daar, behalve als er aanwijzingen zijn dat dit niet goed verloopt, ook op vertrouwen. Het college heeft geen aanknopingspunten om vast te stellen dat de adviezen niet ook aan klager zijn gestuurd of dat de bedrijfsarts zijn verantwoordelijkheid hierin niet heeft genomen. Niet duidelijk is welk advies of welke adviezen klager niet zou hebben ontvangen. De gemachtigde van klager heeft het verweer van de bedrijfsarts ook niet weersproken tijdens de zitting. Het is het college dan ook niet gebleken dat de bedrijfsarts onzorgvuldig en partijdig heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts ook hier geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.
Klachtonderdelen 8 en 9: consult van 16 oktober 2020
3.6       Omdat deze klachtonderdelen alle twee voortvloeien uit het consult van 16 oktober 2020, behandelt het college de klachtonderdelen 8 en 9 gezamenlijk.

3.7       Op 25 september 2020 schreef de bedrijfsarts in zijn advies dat in deze fase activeren of re-integreren niet aan de orde was. In het verslag van het consult van 16 oktober 2020 is vermeld (citaten voor zover van belang en inclusief eventuele type- en taalfouten):
mediation on hold, partijen komen er niet uit, spanningen blijven, partijen willen van mij weten hoe lang het gaat duren voordat cliënt kan solliciteren dus VOK [toevoeging college: vaststellingsovereenkomst], A blijft hierop doorgaan, wilt van mij een duidelijk antwoord, steeds maar weer uitleg dat dit lastig is, kan mnd duren, maar misschien kan afscheid zijn herstel bespoedigen, in gesprek reële heer, hij begrijpt mijn visie, snapt dat een uitspraak lastig is, relatie werkgever erg gestoord, ik geef aan dat wat mij betreft mediation wel weer opgestart moet worden, ook geef ik aan dat activering voorzichtig opgestart mag worden i.o.m. werkgever, fysiek moet hij afwisselen, hij geeft aan het niet te zien zitten ivm Corona, ik leg uit RIVM zegt bij geen klachten met PBM [toevoeging college: persoonlijke beschermingsmiddelen] i.p. belastbaar, maar graag bespreken werkgever.
Advies:
Mediation is niet succesvol. Behandelingen zijn gaande.
Ik begrijp dat partijen nadenken over een vaststellingsovereenkomst.

Hiervoor is herstelprognose van belang.

Deze is lastig in te schatten, ik denk 3-6 maanden.

Wel zal m.i. duidelijkheid over toekomst de herstelprognose positief beïnvloeden.

Verder acht ik cliënt wel weer inzetbaar in passende taken (geen forse stressbelasting).

Start met 2 x 2-3 hr/dg in de week. Graag elke 2 wk uitbreiden met 3 hr/week.

3.8       Samengevat is het verwijt van klager aan de bedrijfsarts dat hij hem heeft medegedeeld dat hij moest gaan re-integreren zonder (voldoende) onderzoek te doen of klager daartoe wel in staat was. Er is slechts vijf minuten gesproken over de burn-out. Ook schreef de bedrijfsarts voor dat klager in het kader van de werkhervatting zou gaan koffiedrinken bij de werkgever en e-mailberichten zou lezen. De bedrijfsarts heeft vervolgens echter niet met de werkgever afgestemd dat klager langs zou komen op het bedrijf. Op 27 oktober 2020 stond hij bij de werkgever voor een gesloten deur.

3.9       De bedrijfsarts heeft aangevoerd dat hij zich niet herkent in deze klachten. Hij heeft uitgebreid de tijd genomen voor klager in de telefonische consulten, ook omdat hij al bekend was met de onvrede van klager over de vorige bedrijfsarts en de arbodienst van de werkgever. Volgens de bedrijfsarts waren het prima gesprekken. Klager was het in het gesprek van 16 oktober 2020 niet eens met het advies tot werkhervatting, waarop de bedrijfsarts hem heeft uitgelegd wat zijn rol is en dat het zijn taak is om eventuele mogelijkheden aan te geven, ook al loopt er al enige tijd een medationtraject. Ook heeft hij geprobeerd klager duidelijk te maken dat de daadwerkelijk activering/re-integratie een zaak is tussen werkgever en werknemer, omdat de bedrijfsarts geen zicht heeft op de feitelijke mogelijkheden daarvoor. Hij geeft ook nooit opdrachten aan de werknemer. Tijdens de zitting heeft de bedrijfsarts verder toegelicht dat mensen in een conflictsituatie spanning en klachten ervaren, zeker als het al drie maanden speelt. Een werknemer kan dan het gevoel hebben dat hij niet in staat is te werken. In zijn advisering heeft de bedrijfsarts rekening gehouden met de bij klager bestaande spanningsklachten en aanvankelijk de uitkomsten van de mediation willen afwachten. Een aantal weken later heeft hij toch het advies gegeven om met re-integratie te beginnen, omdat hij uit de van klager verkregen informatie opmaakte dat het de vraag was of de mediation effectief zou zijn. In het licht van een mediationtraject dat dreigde te mislukken, was de visie van de bedrijfsarts dat – mede vanwege het tijdsverloop van toen al 3 à 4 maanden en gelet op de STECR Werkwijzer arbeidsconflicten – het beter was om iets te gaan doen dan om klager 100% thuis te laten zitten. De bedrijfsarts heeft verklaard dat het niet gebruikelijk is om in een dergelijke situatie het gehele mediationtraject af te wachten.

3.10     Het college oordeelt dat de bedrijfsarts met zijn advies tot re-integratie voor een beperkt aantal uren per week voldoende oog heeft gehad voor het welzijn van klager als werknemer. Hij kon onder de omstandigheden zonder nader onderzoek redelijkerwijs tot het oordeel komen dat bij klager sprake was van spanningsklachten als gevolg van een arbeidsconflict met de werkgever en niet van een burn-out. Een bedrijfsarts mag zich zelfstandig een oordeel vormen over de vraag of een werknemer zich niet in staat voelt om te werken in verband met een bestaand conflict op het werk of functionele beperkingen heeft ten gevolge van ziekte. Dat bij klager op 16 oktober 2020 sprake was van een burn-out kan het college op grond van de stukken niet vaststellen. Hoewel het advies ook anders had kunnen luiden, is het college van oordeel dat de bedrijfsarts in dit verband geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

3.11     Het college merkt verder op dat de opmerkingen van de bedrijfsarts over koffiedrinken en e-mails lezen moeten worden gezien als een advies in het kader van de verzuimbegeleiding en niet als een opdracht aan klager. Zoals de bedrijfsarts heeft toegelicht, behoort het niet tot zijn taak en bevoegdheid om opdrachten te geven aan werknemers of werkgevers. Vervolgens lag het op de weg van klager om zelf contact met zijn werkgever op te nemen om een afspraak te maken voor het drinken van een kop koffie, of in ieder geval aan te kondigen dat en wanneer hij weer zou komen, mede met het oog op de bijzondere situatie die de verspreiding van het coronavirus ook in die periode meebracht. Klager kan daarom de bedrijfsarts niet verwijten dat hij de werkgever niet voldoende heeft geïnformeerd, waardoor er op het bedrijf niemand aanwezig was toen klager zich daar onaangekondigd meldde. Bovendien is gebleken dat de bedrijfsarts, nadat hij die dag een sms-bericht van klager had ontvangen, heeft geprobeerd telefonisch contact met hem te krijgen. Dit getuigt van voldoende zorgvuldigheid en betrokkenheid.

Conclusie

3.12     De conclusie is dat de bedrijfsarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarom zal de klacht ongegrond worden verklaard.
 

4. De beslissing

Het college verklaart de klacht ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 14 december 2021 door N.B. Verkleij, voorzitter,
K.M. Volker, lid-jurist, J. Dogger, M. Keus en R.P. van Straaten, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R. van der Vaart als secretaris.