Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/8

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:139
Datum uitspraak: 30-11-2021
Datum publicatie: 30-11-2021
Zaaknummer(s): D2021/8
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een fysiotherapeut. Beklaagde heeft het destijds 4-jarige dochtertje van klaagster behandeld wegens urine incontinentie. Het college kan niet vaststellen dat beklaagde een of meerdere rectaal touchers heeft verricht. Van beklaagde had mogen worden verwacht dat zij een afkorting zoals RT in het dossier zou hebben toegelicht. Immers kan het gebruik van afkortingen zonder uitleg leiden tot misverstanden, zoals hier ook gebleken is. Het achterwege laten van die uitleg is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat beklaagde een rectaal toucher heeft verricht. Dit klachtonderdeel is ongegrond. Het sturen van een rekening voor een gesprek met de ouders had achterwege moeten blijven toen duidelijk was dat het om een klachtgesprek ging. Dit klachtonderdeel is gegrond. Overige klachtonderdelen ongegrond. Klacht gedeeltelijk gegrond, geen maatregel.

Kenmerk: D2021/8


Datum uitspraak: 30 november 2021


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


tegen:


C, fysiotherapeut,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. M.E.M. van Eeden, werkzaam te Utrecht.


1. Het verloop van de procedure


1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2021;
- het verweerschrift met bijlagen; ontvangen op 6 juli 2021;
- de brief van beklaagde met bijlagen, ontvangen op 30 augustus 2021.


1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.


1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare
terechtzitting van 19 oktober 2021. De partijen, klaagster vergezeld door haar echtgenoot en beklaagde bijgestaan door haar gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Ter zitting is E, bekkenfysiotherapeut gespecialiseerd in kinderen, op verzoek van klaagster, als deskundige gehoord. Klaagster heeft pleitnotities overgelegd.


2. De feiten


2.1 Beklaagde is geregistreerd bekkenfysiotherapeut sinds 2002, met als specialisatie
kinderbekkenfysiotherapie. Zij is sinds 1998 werkzaam in een eigen praktijk.


2.2 Het (destijds) 4-jarige dochtertje van klaagster, F, is na verwijzing door de
huisarts in de periode van 21 september 2017 tot 20 februari 2018 door beklaagde behandeld wegens urine incontinentie. Er vonden zes consulten plaats.


2.3 Beklaagde heeft F tijdens het eerste consult lichamelijk onderzocht, een
blaasscan en een uroflowmetrie gemaakt. Er was sprake van een disfunctionele bekkenbodemmusculatuur met een matige propriocepsis en een instabiele blaas.


2.4 Beklaagde heeft in het patiëntendossier voor zover hier van belang genoteerd: “RT:
volle ampulla recti” (consult 2-10-2017), respectievelijk: “bij RT wel mooie lege ampulla recti nu” (consult 17-10-2017), respectievelijk “Bij RT: sfincter ani wel erg sterk” (consult 19-12-2017), respectievelijk: “RT gedaan: geen anale vulling dus ampulla is vandaag mooi leeg (…)” (consult 20-02-2018).


2.5 Op 20 februari 2018 is F in overleg met klaagster verwezen naar de poli voor buik en incontinentieklachten (BINK) omdat de klachten onvoldoende zijn afgenomen.


2.6 Op 29 november 2020 vragen klagers het dossier bij beklaagde op. Nadat klaagster dat verzoek desgevraagd schriftelijk heeft gedaan, is het dossier begin december 2020 kosteloos aan klaagster verstrekt.


2.7 Vervolgens heeft klaagster om een gesprek met beklaagde gevraagd. In een mail van
2 maart 2021 van klaagster aan beklaagde is onder meer vermeld: “Middels deze mail wil ik u nogmaals vragen uw plicht als zorgvuldig hulpverlener in acht te nemen door met mij, zonder kosten of verwijzing, in gesprek te gaan. (…)”. Beklaagde heeft per mail van 4 maart 2021 aan klaagster onder meer gemeld: “U heeft een zeer ongebruikelijk verzoek; een nabespreking van een reeds lang afgesloten dossier. U heeft aangegeven dat er geen sprake is van een nieuwe fysieke of lichamelijke klachten van uw dochter. Het is mij niet duidelijk waar dit gesprek over zou moeten gaan. (…)” Op 19 maart 2021 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster, haar echtgenoot en beklaagde.

2.8 Beklaagde heeft voor dit gesprek een factuur van € 51,- aan klaagster verzonden voor een consult instructie/overleg ouders van patiënt. De factuur is tot op heden onbetaald gebleven.


3. De klacht


Klaagster verwijt beklaagde, kort samengevat en zakelijk weergegeven, dat zij:
a. in strijd met de geldende behandelregels (het kind moet ouder zijn dan zes jaar, eerdere behandeling heeft niet geholpen, er is toestemming van de ouders nodig en het kan alleen bij wijze van uitzondering) viermaal een rectaal toucher heeft verricht bij F;
b. geweigerd heeft mee te werken aan een verzoek tot inzage in het dossier;
c. slechts na aandringen bereid was tot een gesprek over de klachten van klaagster en klaagsters rechten op grond van de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen Zorg (Wkkgz) niet heeft gerespecteerd;
d. in strijd heeft gehandeld met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt door een vergoeding of verwijzing te vragen voor een klachtgesprek;
e. op geen enkele wijze empathie of zelfreflectie toonde tijdens het klachtgesprek.


4. Het standpunt van beklaagde


Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen kort samengevat als volgt bestreden:


4.1 Beklaagde stelt dat zij voor aanvang van de behandeling zowel klaagster als F
uitvoerig uitleg heeft gegeven over aard en bedoeling van de behandeling en om toestemming
heeft gevraagd. Zij heeft geen inwendig onderzoek gedaan. De afkorting RT in het dossier
staat voor Reflex Test en niet voor Rectaal Toucher. Een reflextest houdt volgens beklaagde
in dat uitwendig onderzoek wordt gedaan en dat via palpatie van de buik in buik-, zij- en rugligging en palpatie van de anus wordt gekeken of er een reactie is op knijpen, duwen of blazen. Alles vindt aan de buitenzijde van de anus plaats. Dit heeft zij ook uitgelegd tijdens het gesprek van 19 maart 2021.


4.2 Beklaagde heeft desgevraagd een kopie van het dossier binnen een periode van twee
weken verstrekt en heeft het gesprek op verzoek van klaagster zonder vertraging gepland. Zij
voldoet aan de vereisten van de Wkkgz en is aangesloten bij de klachtenprocedure van het
KNGF.


4.3 Beklaagde heeft het gesprek van 19 maart 2021 niet direct geïnterpreteerd als een
daadwerkelijke klacht, maar meer om een verzoek om uitleg over een reeds lang geleden
gesloten dossier. Het tarief dat geldt voor een ouder-kind consult is hiervoor in rekening gebracht.


4.4 Beklaagde betreurt het dat klaagster het gevoel heeft gekregen dat haar gevoelens niet
serieus zijn genomen, maar herkent zich hierin niet.


5. De beoordeling


5.1 Het College moet beoordelen of beklaagde binnen de grenzen van een redelijke beroepsuitoefening is gebleven, met andere woorden: of zij heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam fysiotherapeut in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Dit is een zakelijke beoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de stand van de wetenschap op dat moment en de voor beklaagde geldende beroepsnormen.


Klachtonderdeel a
5.2 Klaagster ziet in de vermelding van ‘RT’ in het dossier een bevestiging van haar verwijt dat beklaagde zonder haar toestemming en in strijd met (het addendum van) de Beroepsprofielen bekkenfysiotherapeut en kinderfysiotherapeut uit 2017 viermaal een rectaal toucher bij F heeft gedaan. Klaagster leidt dit verder af uit het gegeven dat beklaagde heeft aangetekend dat F een volle of lege ampulla recti had; dat is zonder rectaal toucher of echo volgens klaagster en de door haar ingeschakelde deskundige niet mogelijk om vast te stellen.
Klaagster heeft niet zelf gezien dat beklaagde F rectaal getoucheerd heeft, maar dat kon ook niet omdat F deels was bedekt door een handdoek.


5.3 Het College overweegt dat zich in het dossier een onderzoeksformulier
bevindt waarop is aangekruist dat toestemming voor behandeling door ouder en kind is gegeven. Ook staat daarop aangekruist dat er bij hoesten/hard persen een reflex aanwezig is. Dat past bij de door beklaagde gegeven uitleg van de reflextest, zoals die onder 4.1 is vermeld. Beklaagde heeft ter zitting toegelicht dat zij voor aanvang van de behandeling ouders en kind mondeling informeert over aard en doel van de behandeling en om toestemming vraagt en dat zij dat tijdens de behandeling per stap continueert. De ouders of één van de ouders is altijd bij de behandeling aanwezig. F noch haar ouders hebben tijdens de behandeling vragen gesteld of bezwaar gemaakt tegen onderdelen van de behandeling. F was niet gestrest en werkte goed mee aan de behandeling. Partijen zijn het erover eens dat F er tijdens of na de onder 2.4 bedoelde behandelingen geen blijk van gaf een vervelende behandeling te (hebben) ondergaan.

5.4 Het College kan niet vaststellen dat beklaagde bij F een of meerdere rectaal
touchers heeft verricht. Beklaagde heeft in haar schriftelijk verweer en op zitting consistent verklaard over de wijze waarop zij F heeft onderzocht. Dit geldt ook voor haar verklaring in het gesprek met de ouders op 19 maart 2021, waarvan klaagster zonder medeweten van beklaagde een bandopname heeft gemaakt en in het geding heeft gebracht. De verklaringen van beklaagde sluiten nauw aan bij het door haar in het geding gebrachte onderzoeksformulier en de daar genoteerde toestemming. Anders dan de ter zitting gehoorde partij-deskundige heeft verklaard, acht het College het niet uit te sluiten dat op de door beklaagde beschreven wijze een uitspraak over de (vulling van de) ampulla recti gedaan kan worden. Van beklaagde had mogen worden verwacht dat zij een afkorting zoals RT in het dossier zou hebben toegelicht. Immers kan het gebruik van afkortingen zonder uitleg leiden tot misverstanden, zoals hier ook gebleken is. Het achterwege laten van die uitleg is echter onvoldoende om te kunnen vaststellen dat beklaagde een rectaal toucher heeft verricht. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.

Klachtonderdeel b
5.5 Beklaagde heeft klaagster inzage in het dossier van F verstrekt en op haar verzoek een kopie gegeven binnen circa twee weken na het telefonisch verzoek daartoe van klaagster. Het College heeft geen weigering kunnen vaststellen en acht de termijn waarbinnen een afschrift van het dossier verstrekt is redelijk, mede gezien het feit dat het om een reeds ruim drie jaar daarvoor afgesloten dossier ging. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.


Klachtonderdeel c
5.6 Beklaagde werd in eerste instantie telefonisch door klaagster benaderd, geruime tijd na het afsluiten van de behandeling. Daarna volgde een e-mail van klaagster en haar echtgenoot. Beklaagde heeft in haar verweerschrift en ter zitting uitgelegd dat haar niet duidelijk was met welk doel klaagster een gesprek aanvroeg, omdat klaagster en haar echtgenoot daarover wisselende verklaringen aflegden. Het was niet duidelijk of het om een medische of juridische klacht ging. Ter zitting hebben klaagster en haar echtgenoot ook meegedeeld dat zij het doel van het gesprek niet hebben verteld juist om een gesprek te kunnen krijgen. Dit maakt de handelwijze van beklaagde niet onbegrijpelijk. Voorts heeft beklaagde gemotiveerd aangegeven dat zij is aangesloten bij de klachtenregeling van het KNGF en dat daarover informatiemateriaal in haar praktijk zichtbaar is, waarvan zij foto’s in het geding heeft gebracht. Klaagster heeft dit niet betwist. Het verwijt dat beklaagde niet conform de Wkkgz beschikte over een klachtenregeling is derhalve onterecht. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.


Klachtonderdeel d
5.7 Gezien de hierboven aangehaalde onduidelijkheid die aanvankelijk bestond over het doel van het gesprek van 19 maart 2021 (medische of juridische klacht), is het verdedigbaar dat beklaagde in eerste instantie om een verwijzing heeft gevraagd dan wel kosten in rekening bracht voor een ouder-kind consult. Na de e-mail van de ouders van 2 maart 2021 en zeker na het gesprek van 19 maart 2021 moet het beklaagde echter duidelijk zijn geweest wat de reden van het aanvragen van een gesprek was (namelijk dat klaagster achteraf vragen/klachten had over de behandeling van F in 2017/2018 en stelde veiligheid in de praktijk te hebben gemist). Desalniettemin heeft beklaagde op 20 maart 2021 een declaratie aan ouders voor een consult verzonden en -in verband met een verkeerde adressering- op 16 april deze nogmaals per e-mail verzonden. Per e-mail van 24 april 2021 heeft beklaagde, nadat de ouders tegen de
Kenmerk: D2021/8
7
declaratie hadden geprotesteerd, deze gehandhaafd onder de mededeling dat binnenkort een formele herinnering zou worden verzonden en bij niet betaling een incassobureau zou worden ingeschakeld, waarvan de meerkosten voor rekening van de ouders zouden komen. Ter zitting heeft beklaagde verklaard dat de declaratie niet is betaald maar dat zij deze niet verder zal trachten te innen en dat zij de ouders dat niet heeft bericht. Verder gaf zij desgevraagd toe dat het sturen van de declaratie “niet handig” was geweest. Het College acht deze handelswijze na 19 maart 2021 onjuist. Dit klachtonderdeel is gegrond.


Klachtonderdeel e
5.8 Klaagster heeft een zonder medeweten van beklaagde gemaakte opname van het klachtgesprek van 19 maart 2021 in het geding gebracht. Uit deze opname blijkt dat beklaagde zich tijdens dit gesprek professioneel en empathisch heeft opgesteld. Zij heeft ruim de tijd voor ouders genomen, is op al hun vragen ingegaan en heeft diverse malen uitgelegd hoe zij in haar praktijk werkt, dat zij van tevoren mondeling en schriftelijk informatie heeft gegeven en toestemming heeft gevraagd aan F en klaagster, hoe zij F heeft behandeld en dat zij geen inwendig onderzoek bij F heeft gedaan. Beklaagde heeft uitgelegd dat F geen pijn heeft gehad, iedere keer vrolijk op en af de onderzoeksbank sprong en dat er tijdens de behandeling geen klachten of vragen zijn geuit door F of haar ouders. Daarnaast is klaagster bij de behandelingen zelf aanwezig geweest. Beklaagde heeft uitgelegd dat klaagster het onderzoek, het handdoekje en de aantekeningen in het dossier verkeerd geïnterpreteerd heeft en heeft gecheckt of klaagster, voor zover mogelijk, antwoord op haar vragen had gehad. Beklaagde heeft bovendien blijk gegeven van zelfreflectie door te antwoorden dat zij wellicht tijdens de behandeling zo met F bezig was geweest dat zij niet steeds contact met klaagster heeft gehouden en wellicht in de toekomst nog meer vooraf moet checken of haar uitleg duidelijk is overgekomen. Het College acht dit klachtonderdeel ongegrond.


5.9 De conclusie is dat beklaagde niet kan worden verweten dat zij heeft gehandeld in
strijd met de zorg die zij ten opzichte van F en haar ouders behoorde te betrachten, uitgezonderd ten aanzien van het gegrond verklaarde klachtonderdeel d. Gezien de aard van het gegronde verwijt acht het College het passend om het te laten bij de constatering dat sprake is van een verwijt. Het College zal aldus een gegrondverklaring van dit klachtonderdeel zonder oplegging van een maatregel uitspreken. Daarbij gaat het College ervan uit, mede gelet op het verhandelde ter zitting, dat het beklaagde duidelijk is geworden dat het sturen van een rekening na een klachtgesprek achterwege had moeten blijven.


5.10 De conclusie is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is.


6. De beslissing


Het College:
- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door P.M. de Keuning, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, D. van Poppel, J.L. Keyzer, S.E. Dekker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2021.