ECLI:NL:TGZRSGR:2021:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-079

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:13
Datum uitspraak: 19-01-2021
Datum publicatie: 19-01-2021
Zaaknummer(s): 2020-079
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen een gz-psycholoog, psychotherapeut. Vaststaat dat beklaagde het dossier van klaagster heeft ingezien, terwijl zij geen behandelrelatie met haar had en klaagster haar daartoe ook geen toestemming had verleend. Hiermee heeft zij de privacy van klaagster geschonden. Beklaagde had geen recht op inzage in het patiëntdossier van klaagster. Door die informatie zonder toestemming van klaagster te delen met derden heeft zij haar beroepsgeheim geschonden . Het college is van oordeel dat het handelen van beklaagde alsmede de ingrijpende gevolgen ervan in het bijzonder voor klaagster, zodanig ernstig zijn, dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan. Het college neemt daarbij ook in aanmerking dat beklaagde heeft nagelaten om na inzage in het dossier haar eigen handelen en de (persoonlijke) impact van de gevonden informatie proactief en op een passende professionele manier in het kader van (zelf)reflectie te onderkennen en actief in enig verband aan de orde te stellen. Dit had van haar in het kader van haar professionaliteit mogen worden verwacht. Klacht gegrond verklaard. Berisping.

Datum uitspraak: 19 januari 2021

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

tegen:

C , gz-psycholoog, psychotherapeut,

werkzaam te B,

beklaagde.

1.                  Het verloop van de procedure

1.1              Het verloop van de procedure blijkt uit:

-          het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juni 2020;

-          het verweerschrift met bijlagen.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3              De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 8 december 2020. De partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.                  De feiten

2.1              Klaagster en beklaagde waren tot augustus 2013 schoonzussen. Beklaagde was destijds werkzaam bij psychomedisch centrum D te E. Op advies van beklaagde is klaagster een behandeling gestart bij een collega van beklaagde, tevens werkzaam bij D te E.

2.2              Beklaagde heeft enkele jaren nadat de behandeling van klaagster door de collega van beklaagde was afgerond in het medisch dossier van klaagster gekeken en persoonlijke informatie over haar uit het dossier gedeeld met derden, te weten met haar moeder in 2012 en met haar partner in 2014. Op enig moment is de relatie tussen beklaagde en deze partner verbroken.

2.3              Klaagster is daarna via deze ex-partner van beklaagde er van op de hoogte geraakt dat beklaagde haar dossier had ingekeken en dat zij persoonlijke informatie uit haar dossier had gedeeld met derden.

3.                  De klacht

Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij twee keer haar beroepsgeheim heeft geschonden, door onrechtmatig in het dossier van klaagster te kijken en de informatie uit dat dossier te delen met haar partner, vrienden en familieleden.

4.                  Het standpunt van beklaagde

Beklaagde heeft erkend dat zij onrechtmatig in het dossier van klaagster heeft gekeken en persoonlijke informatie heeft gedeeld met derden, te weten haar moeder en haar toenmalige partner. Zij heeft daarvoor haar excuses aangeboden en heeft er erge spijt van. Zij had dat nooit mogen doen.

5.                  De beoordeling

5.11               

5.12               

5.13               

5.14               

5.1              Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van professioneel handelen gaat het om het geven

van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2              Op wat beklaagde als BIG-geregistreerd gz-psycholoog en psychotherapeut door

klaagster wordt verweten is de tweede tuchtnorm (artikel 47 lid 1, aanhef en onder b, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, hierna: Wet BIG) van toepassing. Het betreft geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1, aanhef en onder a van de Wet BIG) die kort gezegd betrekking heeft op de relatie tussen een zorgverlener en een patiënt. Nu klaagster nooit patiënt van beklaagde is geweest, kan van schending van de eerste tuchtnorm geen sprake zijn. Volgens de tweede tuchtnorm is beklaagde onderworpen aan tuchtrechtspraak ter zake van enig ander dan onder a bedoeld handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt.

5.3              Het college overweegt als volgt. Vaststaat dat beklaagde het dossier van klaagster

heeft ingezien, terwijl zij geen behandelrelatie met haar had en klaagster haar daartoe ook geen toestemming had verleend. Hiermee heeft zij de privacy van klaagster geschonden. Beklaagde had geen recht op inzage in het patiëntdossier van klaagster. Door die informatie zonder toestemming van klaagster te delen met derden heeft zij haar beroepsgeheim geschonden. Beklaagde heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dat zij het dossier heeft geraadpleegd omdat zij zich zorgen maakte over klaagster en die informatie vervolgens heeft gedeeld omdat dit haar persoonlijk raakte, doet daaraan niet af. De klacht is dan ook gegrond.

5.4              De conclusie is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede

uitoefening van de individuele gezondheidszorg zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder b, van de Wet BIG. Het tot tweemaal toe schenden van het beroepsgeheim rechtvaardigt de oplegging van een maatregel aan beklaagde. Het college neemt daarbij het volgende in aanmerking.

5.5              In het voordeel van beklaagde pleit dat zij niet eerder met de tuchtrechter in aanraking

is gekomen. Aan de andere kant heeft zij welbewust zonder toestemming van klaagster het patiëntendossier ingekeken en informatie daaruit tot twee maal toe gedeeld met derden. Het college is van oordeel dat het handelen van beklaagde alsmede de ingrijpende gevolgen ervan in het bijzonder voor klaagster, zodanig ernstig zijn, dat niet met een waarschuwing kan worden volstaan. Beklaagde heeft zowel in haar verweerschrift alsmede ter zitting weliswaar berouw en spijt getoond, maar dit maakt de gevolgen van haar handelen niet minder ernstig. Het college neemt daarbij ook in aanmerking dat - zoals beklaagde ter zitting heeft erkend - beklaagde heeft nagelaten om na inzage in het dossier haar eigen handelen en de (persoonlijke) impact van de gevonden informatie proactief en op een passende professionele manier in het kader van (zelf)reflectie te onderkennen en actief in enig verband aan de orde te stellen. Dit had van haar in het kader van haar professionaliteit mogen worden verwacht. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen acht het college een berisping op zijn plaats.

6.                  De beslissing

Het College:

-      verklaart de klacht gegrond;

-      legt op de maatregel van berisping.

Deze beslissing is gegeven door Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter, E.B. Schaafsma-van Campen, lid-jurist, C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, T.A.W. van der Schoot en W.C.B. Hoenink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2021.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.