ECLI:NL:TGZRSGR:2021:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-037
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSGR:2021:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2021 |
| Datum publicatie: | 05-01-2021 |
| Zaaknummer(s): | 2020-037 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Het college is van oordeel dat beklaagde de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening fors heeft overschreden. Beklaagde heeft bij het zich vormen van zijn oordeel over de door hem gestelde werkissues de andersluidende opvatting van de eerste bedrijfsarts van beklaagde niet betrokken. Beklaagde heeft verder ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn oordeel tenminste voorwaardelijk te maken in afwachting van de bevindingen van de ingeschakelde GGZ-psycholoog. Hij heeft evenmin contact gehad met de huisarts van klaagster. Het college acht in dit geval aangewezen om niet te volstaan met een berisping, maar beklaagde de maatregel van een voorwaardelijke schorsing op te leggen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat beklaagde door zijn handelen en meer in het bijzonder zijn onverkort vasthouden aan zijn diagnose dat sprake was van een arbeidsconflict en zijn advies tot snelle werkhervatting, het herstelproces van klaagster zeker heeft belemmerd. Daardoor is zijn optreden contraproductief geweest. In de tweede plaats verwijt het college beklaagde dat hij aanvankelijk geen verweer heeft gevoerd. Pas bij dupliek heeft beklaagde summierlijk inhoudelijk gereageerd. Daarmee heeft beklaagde zich onvoldoende toetsbaar opgesteld. Tenslotte verwijt het college beklaagde dat hij, ondanks de diagnose van de psychiater en het intensieve behandeltraject dat klaagster ondergaat, ook ter zitting niet onder ogen heeft willen zien dat klaagster ziek is. Klacht gegrond verklaard. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. |
Datum uitspraak: 5 januari 2021
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A ,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. A. Seme, werkzaam te Zaandam,
tegen:
C , bedrijfsarts,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2020;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek met bijlage;
- de dupliek;
- de brief van de zijde van beklaagde van 6 juli 2020, ontvangen op 8 juli 2020.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 november 2020. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1
Klaagster is werkzaam als huisarts in een grotere gezondheidspraktijk. Zij heeft een
volledige normpraktijk. In juli 2019 is klaagster uitgevallen met klachten van somberheid,
vermoeidheid en prikkelbaarheid en voorts angst- en spanningsklachten. De vaste bedrijfsarts
van de werkgever van klaagster ziet klaagster op 12 juli 2019 en acht klaagster volledig
arbeidsongeschikt. Mede op advies van deze bedrijfsarts en na overleg met haar huisarts
wordt zij verwezen naar een GGZ-psycholoog. In verband met wachtlijsten moest klaagster
wachten op een afspraak met de GGZ-psycholoog. Deze was in oktober 2019 voorzien.
De bedrijfsarts plant een nieuwe afspraak met klaagster in op 5 september 2019.
2.2
Beklaagde is werkzaam als zelfstandig bedrijfsarts. Op verzoek van de werkgever van
klaagster neemt hij de taken over van de vaste bedrijfsarts van de werkgever. Beklaagde
bezoekt klaagster voor het eerst op 5 september 2019 (thuis). Tijdens dit gesprek
stelt beklaagde vast dat sprake is van wat hij aanduidt als “werkissues” die tot het
uitvallen van klaagster hebben geleid. Hij geeft aan bij de begeleiding van klaagster
de Werkwijzer arbeidsconflicten (STECR-richtlijn) toe te zullen passen. Hij adviseert
te beginnen met een gesprek tussen klaagster en haar werkgever, in zijn aanwezigheid.
2.3 Op 20 september 2019 vindt een driegesprek plaats met een manager van de werkgever van klaagster en klaagster, in aanwezigheid van beklaagde. De manager van de werkgever stelt zich in dit gesprek op het standpunt dat geen sprake is van een arbeidsconflict. Hij geeft wel aan dat de werkgever weinig vertrouwen heeft in een samenwerking in de toekomst en dat hij wil aansturen op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij wijst hij op de kosten die de ziekte van klaagster voor de werkgever met zich brengt. Klaagster stelt dat er sprake is van een burn out, maar dat er geen sprake is van een arbeidsconflict. Zij geeft aan te willen re-integreren.
2.4 Naar aanleiding van het gesprek op 20 september 2019 reageert klaagster in een uitvoerige mail aan de werkgever en beklaagde op het gesprek. Daarin geeft zij onder meer aan zich onvoldoende door beklaagde gesteund te hebben gevoeld. Beklaagde reageert op 23 september 2019 op deze mail. Na verder contact met klaagster adviseert beklaagde om de week van 7 oktober 2019 een gesprek te hebben met de werkgever over de werkissues. Verder adviseert hij dat klaagster kan re-integreren op de volgende wijze:
Per 14.10.19: 2 maal 4 uur per week
Per 21.10.19: 3 maal 4 uur per week
Per 28.10.19: 4 maal 4 uur per week
Per 4.11.19: 4 maal 6 uur per week
Per 11.11.19: 100% (met onder andere de toevoeging “Vervolgafspraak spreekuur: indien daar behoefte aan bestaat”)
2.5 Klaagster meldt aan beklaagde dat zij zich nog niet in staat acht haar eigen werk te doen. Naar aanleiding van een nieuw spreekuurcontact met klaagster op 28 oktober 2019 adviseert beklaagde mediation tussen klaagster en haar werkgever en handhaaft hij zijn hiervoor geciteerde advies over hervatting van de werkzaamheden en zijn prognose dat klaagster op 11 november 2019 weer volledig arbeidsgeschikt is. Klaagster kan zich daar niet in vinden. Daarom stelt beklaagde een deskundigenoordeel voor. Aan het UWV wordt een deskundigenoordeel gevraagd over de vraag of klaagster op 11 november 2019 volledig arbeidsgeschikt is voor haar eigen werk. Op 2 januari 2020 adviseert het UWV dat klaagster op 11 november 2019 niet (volledig) geschikt is voor haar eigen werk.
2.6 In oktober 2019 bezoekt klaagster de GGZ-psycholoog die haar doorverwijst naar een psychiater. Deze constateert op 7 november 2019 een posttraumatische stress stoornis en een ongespecificeerde somatische systeemstoornis. De psychiater adviseert EDMR-therapie en inzichtgevende psychotherapie en schrijft behandeling met fluvoxamine voor.
2.7 Na ontvangst van het deskundigenoordeel wil beklaagde de begeleiding van klaagster overeenkomstig dat oordeel voortzetten. Klaagster geeft echter aan geen vertrouwen meer in beklaagde te hebben. Na enige discussie hierover wordt klaagster vanaf maart 2020 weer door haar oude bedrijfsarts begeleid. In de rapportage van deze bedrijfsarts van 9 maart 2020 stelt deze dat de toestand van klaagster ten opzichte van de situatie in juli 2019 fors is verslechterd, dat klaagster intensief wordt behandeld en dat herstel nog niet is ingezet. Inmiddels is klaagster weer in haar baan als huisarts aan het re-integreren.
3. De klacht
In het klaagschrift wordt een groot aantal klachten geformuleerd. Met instemming van klaagster en haar gemachtigde is de klacht als volgt geformuleerd: klaagster verwijt beklaagde dat hij verwijtbaar tekort is geschoten in zijn begeleiding van klaagster en dat zij daardoor schade heeft opgelopen.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Beklaagde heeft zich vanaf het huisbezoek bij klaagster op 5 september 2019 op het standpunt gesteld dat de beperkingen van klaagster uitsluitend zijn te wijten aan wat hij aanduidt als werkissues. Beklaagde heeft verduidelijkt dat hij deze term liever gebruikt dan een arbeidsconflict. Daarom heeft beklaagde de STECR-richtlijn gevolgd en daarnaar gehandeld door aan te sturen op een oplossing van het conflict tussen klaagster en haar werkgever. Ook na het gesprek met de werkgever op 20 september 2019, waarin zowel de werkgever als klaagster het bestaan van een arbeidsconflict ontkenden, heeft hij aan zijn diagnose vastgehouden. Op basis van die diagnose heeft hij het (korte) re-integratietraject geadviseerd en zijn advies, ook nadat klaagster aangaf daaraan geen gevolg te kunnen geven, gehandhaafd. Ook in het vervolg van zijn begeleiding is beklaagde bij zijn diagnose gebleven. In zijn verweerschrift heeft hij onder 2 opgemerkt dat hij van mening is “dat geen sprake is van ziekte”. Ter zitting heeft hij verklaard ook nu nog bij zijn diagnose te blijven.
5.2 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.3 Het college is van oordeel dat beklaagde de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening fors heeft overschreden. Beklaagde heeft bij het zich vormen van zijn oordeel over de door hem gestelde werkissues de andersluidende opvatting van de eerste bedrijfsarts van beklaagde niet betrokken. Beklaagde heeft verder ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn oordeel tenminste voorwaardelijk te maken in afwachting van de bevindingen van de ingeschakelde GGZ-psycholoog. Hij heeft evenmin contact gehad met de huisarts van klaagster. Aan de duidelijke diagnose van de behandelend psychiater, waaruit een veel bredere problematiek dan het door beklaagde gepercipieerde arbeidsconflict blijkt, heeft hij in ieder geval tot het advies van het UWV evenmin betekenis toegekend. Dat zowel de werkgever als klaagster aangaven dat geen sprake was van een arbeidsconflict heeft niet geleid tot nuancering van zijn diagnose, laat staan rekening houden met een andere mogelijke diagnose, terwijl deze inmiddels wel is gesteld.
5.4
Het college heeft uit het dossier en de toelichting van beklaagde ter zitting de indruk
gekregen dat hij zich van aanvang af als nieuwe bedrijfsarts heeft laten leiden door
zijn opvatting dat sprake was van werkissues en dat hij afstand wilde nemen van het
eerdere oordeel van de vorige bedrijfsarts. Met de werkgever van beklaagde was hij
van oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van klaagster al te lang had geduurd en dat
daar iets aan moest worden gedaan. Dat klaagster, door de wijze waarop beklaagde tot
zijn diagnose en zijn advies tot een - naar het oordeel van het college onaanvaardbaar
kort - re-integratietraject kwam, beklaagde niet als voldoende onafhankelijk heeft
ervaren, kan het college daarom volgen. Uit de door klaagster overgelegde e-mails
heeft het college voorts niet de indruk gekregen dat beklaagde zich voldoende in de
positie van klaagster heeft willen inleven. Dat klaagster de toon van sommige mails
als onaangenaam heeft ervaren kan het college eveneens volgen.
5.5 De conclusie is dat beklaagde in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten. De klacht is gegrond.
5.6 Het college acht in dit geval aangewezen om niet te volstaan met een berisping, maar beklaagde de maatregel van een voorwaardelijke schorsing op te leggen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat beklaagde door zijn handelen en meer in het bijzonder zijn onverkort vasthouden aan zijn diagnose dat sprake was van een arbeidsconflict en zijn advies tot snelle werkhervatting, het herstelproces van klaagster zeker heeft belemmerd. Daardoor is zijn optreden contraproductief geweest. In de tweede plaats verwijt het college beklaagde dat hij aanvankelijk geen verweer heeft gevoerd. Zijn verweerschrift op het uitvoerige klaagschrift van één bladzijde bestaat deels uit enkele ontkenningen en verder vooral uit tegenvragen, zoals bijvoorbeeld de vraag of er bewijzen voor zijn dat beklaagde de behandelnoodzaak heeft miskend. Pas bij dupliek heeft beklaagde summierlijk inhoudelijk gereageerd. Daarmee heeft beklaagde zich onvoldoende toetsbaar opgesteld. Tenslotte verwijt het college beklaagde dat hij, ondanks de diagnose van de psychiater en het intensieve behandeltraject dat klaagster ondergaat, ook ter zitting niet onder ogen heeft willen zien dat klaagster ziek is.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht gegrond;
- schorst de bevoegdheid van beklaagde om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van zes maanden;
- beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders mocht bepalen, op grond dat beklaagde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de goede zorg die hij als behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk is geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat beklaagde in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door E.J. Daalder, voorzitter, P.M. de Keuning, lid-jurist,
M. Keus, E.G. Ackema en N.K.M. van der Plas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.C. Brand, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2021.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
a. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
b. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.