Aankondigingen over uw buurt

Zoals bouwplannen en verkeersmaatregelen.

Dienstverlening

Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.

Beleid & regelgeving

Officiële publicaties van de overheid.

Contactgegevens overheden

Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.

ECLI:NL:TGZRSGR:2021:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2213-2020-167

ECLI: ECLI:NL:TGZRSGR:2021:101
Datum uitspraak: 20-07-2021
Datum publicatie: 20-07-2021
Zaaknummer(s): D2021/2213-2020-167
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Het is niet gebleken dat de bedrijfsarts een onjuist oordeel heeft gegeven over de draagbare arbeidslast in relatie tot de fysieke en mentale mogelijkheden van klaagster. Dit oordeel is zorgvuldig geweest, gelet op de verschillende spreekuurcontacten. Het College ziet geen aanknopingspunten in het dossier dat informatie bij de beoordeling van de belastbaarheid buiten beschouwing is gelaten of in een andere context is geplaatst. Dat de bedrijfsarts zich tijdens de gesprekken ongeoorloofd heeft opgesteld, kan het college niet vaststellen, omdat het geen getuige is geweest van deze gesprekken en in het medisch dossier aanknopingspunten daarvoor ontbreken. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A ,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: C,  

tegen:

D , bedrijfsarts,

werkzaam te E,

beklaagde, hierna: de bedrijfsarts,

gemachtigde: mr. W.J. Boer, werkzaam te Rotterdam.

1.      De kern van de klacht en de beslissing

1.1              Klaagster, geboren in 1973, heeft zich op 30 januari 2018 arbeidsongeschikt gemeld in verband met medische klachten. Vanaf 8 mei 2018 tot eind 2019 werd zij door de bedrijfsarts van de interne arbodienst van haar werkgever begeleid. De bedrijfsarts heeft op 2 april 2019 een FML (Functionele mogelijkhedenlijst) opgesteld en op 18 november 2019 een zogenaamd ‘Actueel Oordeel’ gegeven. In de kern is klaagster van mening dat het Actueel Oordeel van de bedrijfsarts niet klopt en dat dat oordeel aangepast had moeten worden op basis van nieuw onderzoek naar haar belastbaarheid. Verder is klaagster ontevreden over het verloop van de gesprekken met de bedrijfsarts en verwijt zij de bedrijfsarts dat er geen onafhankelijke klachtenprocedure te vinden is op haar website.

1.2              Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat het college zonder verder inhoudelijk onderzoek kan vaststellen dat de verwijten van klaagster niet terecht zijn. Hieronder vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college toe hoe het tot de beslissing is gekomen.

2.      De procedure

2.1       Klaagster heeft haar klacht op papier gezet en met bijlagen naar het college gestuurd. Op 23 november 2021 heeft het college deze documenten ontvangen. De bedrijfsarts heeft vervolgens schriftelijk gereageerd op de klacht. Deze reactie kwam op 8 februari 2021 binnen bij het college. Daarna heeft het college op 8 april 2021 nog een brief van klaagster ontvangen met enkele bijlagen. Vervolgens heeft het college beide partijen uitgenodigd voor een gesprek op 12 april 2021. Klaagster en de bedrijfsarts en hun gemachtigden waren daarbij aanwezig.

2.2       Na het gesprek op 12 april 2021 besloot het college dat het niet nodig was om de zaak op een zitting te behandelen. Het college beschikte op dat moment namelijk over genoeg informatie om over de klacht te kunnen beslissen.

3.      Uitleg van de beslissing

Wat voor de beoordeling van belang is

3.1       De vraag die het college moet beantwoorden is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ bedrijfsarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen. Verder neemt het College bij de beoordeling van de onderdelen van de klacht het (medische) dossier tot uitgangspunt.

3.2       Het college maakt uit het dossier op dat er vanaf 8 mei 2018 verschillende spreekuurcontacten hebben plaatsgevonden tussen klaagster en de bedrijfsarts.

Vervolgens hebben er verschillende onderzoeken en beoordelingen met betrekking tot de belastbaarheid van klaagster plaatsgevonden, waaronder:

-          een FML (Functionele mogelijkhedenlijst) op 2 april 2019, opgesteld door de bedrijfsarts;

-          een rapportage arbeidsdeskundig onderzoek van 3 juli 2019, uitgevoerd door een registerarbeidsdeskundige van F;

-          een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 20 augustus 2019 van een verzekeringsarts van het UWV en een daarop volgend deskundigenoordeel passende arbeid van 21 augustus 2019 van een arbeidsdeskundige, aangevraagd door klaagster bij het UWV;

-          een second opinion, uitgevoerd door een andere bedrijfsarts op 2 oktober 2019;

-          een neuropsychologisch onderzoek (hierna: NPO), uitgevoerd op 24 oktober 2019; 

-          een Actueel Oordeel, gegeven door de bedrijfsarts op 18 november 2019;

-          een rapportage van 2 juli 2020 over een belastbaarheidsonderzoek, uitgevoerd door G;

-          een arbeidskundige rapportage van het UWV van 7 februari 2021, in verband met de aanvraag van een WIA-uitkering door klaagster.

De inhoudelijke beoordeling

Zijn er redenen om aan het oordeel van de bedrijfsarts te twijfelen?

3.3       Klaagster maakt de bedrijfsarts een aantal verwijten in het kader van het gegeven Actueel Oordeel. In de eerste plaats verwijt klaagster de bedrijfsarts dat zij een onjuist oordeel heeft gegeven over de draagbare arbeidslast in relatie tot de fysieke en mentale mogelijkheden van klaagster. Klaagster verwijt de bedrijfsarts in de tweede plaats dat het oordeel op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, doordat haar klachten en de lichamelijke gevolgen daarvan niet in de beoordeling zijn betrokken. Daarnaast heeft zij informatie van andere specialisten buiten beschouwing gelaten, of in een andere context geplaatst. Een vierde verwijt dat klaagster de bedrijfsarts maakt is dat zij haar oordeel selectief heeft geïnterpreteerd op een beperkt neuropsychologisch onderzoek. Omdat deze klachtonderdelen met elkaar samenhangen, worden deze gezamenlijk beoordeeld door het college.

3.4       De bedrijfsarts heeft in het Actueel Oordeel onder meer opgenomen (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten): “In augustus 2019 heeft een DO bij het UWV plaatsgevonden, betrokkene achtte zich geschikt voor 16 u/w in het eigen werk en bedrijfsarts achtte haar geschikt voor passend werk. De uitslag van het DO was dat betrokkene niet geschikt te wachten was voor het eigen werk.

Betrokkene heeft aan het eind van het re-integratietraject een second opinion bedrijfsarts aangevraagd, vanwege de wens te laten beoordelen of het opgestelde FML correct was gedaan. Deze second opinion is gedaan. Vlak vóór de uitvoering/aanvraag van de second opinion heeft betrokkene aan de bedrijfsarts medische informatie (maart 2018) verstrekt, waaruit op te maken was dat door een eerdere ziekte er  op cognitief gebied beperkingen aanwezig zouden zijn. De second opinion bedrijfsarts heeft dit meegenomen in de de beoordeling en heeft geadviseerd een expertise te entameren. Deze expertise is verricht en zeer recent (gisteren) is daarvan de uitslag bekend geworden. De uitslag hiervan is meegenomen in het opstellen van het FML, naast de gegevens van de curatieve sector. Uit dit laatste bleek dat het medisch probleem waardoor betrokkene nú is uitgevallen met behandeling stationair is. De laatste verkregen gegevens hebben niet tot nauwelijks geleid tot aangeven van andere beperkingen in ed FML, te meer omdat in het expertiserapport aangegeven wordt dat de verkregen gegevens van het onderzoek niet voldoende betrouwbaar zijn.

3.5       Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts op de juiste gronden tot het Actueel Oordeel en de belastbaarheid van klaagster heeft kunnen komen en op een zorgvuldige wijze tot dit oordeel is gekomen. Er hebben verschillende spreekuurcontacten plaatsgevonden waarbij de belastbaarheid van klaagster is besproken en onderzocht. Het college kan uit de verslaglegging daarvan niet opmaken dat de bedrijfsarts bepaalde klachten van klaagster, of gevolgen van ondergelegen aandoeningen, niet bij de beoordeling heeft betrokken. Tijdens het eerste spreekuurcontact op 8 mei 2018 heeft klaagster met de bedrijfsarts besproken dat er bij haar een auto-immuunziekte was vastgesteld (Hyper IgM-syndroom) en dat er (daarmee samenhangend) sprake is van een verlaagde afweer. Daarna heeft de bedrijfsarts verdere medische informatie opgevraagd bij de behandelaren van klaagster (waaronder de internist-immunoloog en reumatoloog) over de aandoening en de behandeling van klaagster. Het college ziet geen aanknopingspunten in het dossier dat de bedrijfsarts deze informatie bij haar beoordeling van de belastbaarheid van klaagster buiten beschouwing heeft gelaten, of in een andere context heeft geplaatst.

3.6       Het klopt dat de bedrijfsarts voornamelijk het NPO van 24 oktober 2019 bij haar beoordeling heeft betrokken, maar in het verweerschrift heeft zij duidelijk de redenen daartoe uitgelegd. Zo hoorde beklaagde pas in september 2019 van een eerder bij klaagster uitgevoerd NPO op 29 maart 2018, die door klaagster werd ingebracht ten behoeve van de second opinion. Deze heeft zij dus niet bij haar FML kunnen betrekken. Naar aanleiding van de FML, opgesteld door de bedrijfsarts die de second opinion uitvoerde, is op 24 oktober 2019 een (tweede) NPO uitgevoerd door een neuropsycholoog. Conform het advies van die neuropsycholoog heeft de bedrijfsarts met de werkgever van klaagster de mogelijkheid besproken om een aanvullende neurologische expertise te laten uitvoeren, bij voorkeur in combinatie met een belastbaarheidsonderzoek, om zo de aan- of afwezigheid van functionele beperkingen vast te kunnen stellen. De werkgever gaf daarvoor geen toestemming, omdat er een WIA-aanvraag moest worden ingediend, aldus de bedrijfsarts. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts van dit verloop van omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Had de bedrijfsarts haar oordeel moeten aanpassen na nieuw onderzoek?

3.7       Een vijfde verwijt van klaagster is dat de bedrijfsarts het Actueel Oordeel en de FML niet heeft aangepast naar aanleiding van de resultaten van het door G uitgevoerde belastbaarheidsonderzoek, ondanks haar toezegging daartoe. De conclusie van het rapport van G luidt: “Er is op dit moment geen sprake van ‘geen benutbare mogelijkheden’(GBM) op uitsluitend verzekeringsgeneeskundige gronden. Echter, op arbeidsdeskundige gronden zou er wel sprake kunnen zijn van GBM. Er bestaan namelijk dusdanige forse structurele beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren (zie beschrijving) dat arbeidsdeskundig onderzoek waarschijnlijk zal aantonen dat cliënt niet inzetbaar is of zal worden in een normale arbeidssituatie.”

Verder blijkt uit het rapport dat er door G beperkt onderzoek is gedaan naar de belastbaarheid van klaagster. In verband met de coronamaatregelen heeft er alleen een telefonisch consult plaatsgevonden. Hierdoor was een beoordeling van de belastbaarheid in FML-termen niet mogelijk. Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts naar aanleiding van het beperkte onderzoek in redelijkheid mocht besluiten om niet (opnieuw) een FML en Actueel Oordeel op te stellen, dan wel haar eerdere FML en Actueel Oordeel aan te passen, omdat het gebruikelijk is om daarbij een volledige beoordeling als uitgangspunt te nemen. Het college kan zich voorstellen dat het erg vervelend moet zijn geweest voor klaagster, die daar een andere verwachting bij had, maar de bedrijfsarts kan in dit kader geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.

Heeft de bedrijfsarts klaagster tijdens de gesprekken verkeerd bejegend?

3.8       Klaagster verwijt de bedrijfsarts verder dat zij een weinig empathische houding heeft ingenomen jegens klaagster en in gesprekken geen ruimte heeft gegeven voor de inbreng van klaagster. De bedrijfsarts heeft dit weersproken in haar verweerschrift. In haar beleving is klaagster onvoldoende aan het woord gekomen, omdat de partner van klaagster voornamelijk het verloop van de gesprekken tijdens de spreekuurconsulten bepaalde. Er bestaat dus een verschil van mening over het verloop van de gesprekken tussen de bedrijfsarts en klaagster (en haar partner). De bedrijfsarts kan van het onbevredigend verlopen van de gesprekken geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moet eerst worden vastgesteld wat er precies is gebeurd. Dat de bedrijfsarts zich tijdens de gesprekken ongeoorloofd heeft opgesteld, kan het college niet vaststellen, omdat het geen getuige is geweest van deze gesprekken en in het medisch dossier aanknopingspunten daarvoor ontbreken.  

Was er een klachtenprocedure?

3.9       Ten slotte verwijt klaagster de bedrijfsarts dat er geen onafhankelijke of objectieve klachtenprocedure te vinden is op de website van de bedrijfsarts, www.kooymediconsult.nl. Dit heeft de bedrijfsarts gemotiveerd weersproken door een afschrift van een pagina van haar website bij het verweerschrift te voegen, waaruit volgt dat er een link is opgenomen om een klachtenformulier te downloaden. Daarnaast maakt het college uit het dossier op dat de klacht van klaagster via de klachtenprocedure van de interne arbodienst van de werkgever van klaagster (waarbij de bedrijfsarts is aangesloten) is behandeld.

Conclusie

3.10     De conclusie is dat de bedrijfsarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarom zal de klacht kennelijk ongegrond worden verklaard.

4.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

de klacht is kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 20 juli 2021 door E.J. Daalder, voorzitter, B.S. Abdoelkariem, lid-jurist, R.P. van Straaten, J. Dogger en R.L. Kloots, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door R.C. Kruit, secretaris.

voorzitter                                                                                           secretaris

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

a.       Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als

- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard of

- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

b.      Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.

c.       Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.

U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.